Posts tonen met het label Joseph Hermans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Joseph Hermans. Alle posts tonen

vrijdag 9 augustus 2013

Eenvoudig dienstbaar, mijn omaatje - Theresia Hodenius (1896-1973)



Trees (Anna Maria Theresia) Hodenius werd op 22 juni 1896 te Simpelveld geboren als dochter van Hubert (Joannes Hubertus Wilhelmus) Hodenius (*Voerendaal 12 april 1841, Aken (D.)
8 juni 1921
) en Anna (Maria Cornelia) Custers (of Kusters) (*Ubachsberg 8 december 1856, †Simpelveld 27 augustus 1899). Trees was het jongste in een gezin van acht kinderen. Haar boers en zussen waren: Marie (Maria Elisabeth, *Voerendaal 6 juni 1881, Frankrijk ca. 1962), Mathieu (Joannes Mathias, *Klimmen
14 oktober 1882,
Kunrade 15 april 1972), Fienchen (Maria Josephina, *Klimmen 27 november 1884, Kerkrade 2 november 1953), Anna Margaretha (*Voerendaal 24 september 1886, Ubachsberg 5 september 1889), Billa (Maria Sybilla, *Ubachsberg 4 augustus 1889, Aken 27 augustus 1972), Anna Maria Gertrudis (*Simpelveld 9 december 1890, vóór haar moeder) en (Johannes) Hubert (*Simpelveld 22 oktober 1893, Aken 9 februari 1964). Trees' vader wordt in akten van de Burgerlijke Stand landbouwer, dagloner, voerman en voerknecht genoemd. Trees trouwde op 10 juni 1925 te Eygelshoven met Joseph Hermans (*Kerkrade 4 september 1899); het huwelijk werd de volgende dag in dezelfde plaats kerkelijk ingezegend. Trees en Joseph kregen drie kinderen: Maria Catharina (Kerkrade, *23 juli 1926, 4 september 1926), Ketie (Maria Catharina, *Kerkrade 18 augustus 1927, Eygelshoven 26 november 2010) en (Joseph Gerardus) Leo (*Kerkrade 10 april 1930, 7 mei 2004). Trees overleed op 5 juli 1973 te Kerkrade, Joseph op 5 november 1970. Beiden deelden een graf op het kerkhof in de Ham te Kerkrade. Sinds 10 januari 2012 rusten zij naast hun dochter in Eygelshoven.





“Jongen, we moeten allemaal doodgaan!”

Ik was een jaar of zes toen ik, zoals zo vaak, bij oma op bezoek was en als een hondje achter haar aan liep. Oma, een allerliefst klein mensje naar wie ik toen nog opzag, was ziek en moest naar het hospitaal. Daarvan had ik geen andere voorstelling dan dat je er door iedereen verlaten lag en vreemde witte vrouwen kwaad werden als je je eten uitspoog of tegenspartelde als ze je in bad deden. Mama en oma zag je er slechts van veraf door een ruit. Je kon er beter niet zijn.
In de namiddag belde de melkboer aan. Hij deed bijna ieder huis aan, zodat hij aardig op de hoogte was van wat er leefde.....en doodging. Uit het gesprek tussen hem en oma maakte ik op dat er iets ergs aan de hand was. Het was kennelijk zo erg, dat er niets tegen te doen viel. Maar dat kon toch helemaal niet!? Je kon schreeuwen en woest om je heen schoppen. Als dat niet hielp, waren er mama en papa of oma en opa. Toen ik in het ziekenhuis lang genoeg geschreeuwd had, had mama mij naar huis gehaald. Als zij mij niet meegekregen had, had zij toch zeker de politie gehaald? Want als het heel, heel erg was, kon je altijd nog naar de politie gaan. Die zou dan toch zeker helpen!?
Oma zei echter nadat zij de voordeur dicht had gedaan: “Ja, jongen, wij moeten alle­maal doodgaan!” Haar stem klonk somber. “Wat?”, brieste ik. “Ík ga niet dood en jíj moet dat ook maar niet doen!” In de discussie die volgde, sputterde ik heftig tegen: “Als ik niet wil, ga ik niet dood.” Het eindigde ermee, dat oma haar armen om mij heen sloeg en zei: “Joke, als het uur voor ons gekomen is, moeten wij gaan. En dan is er niemand die ons kan helpen!”



Bij de Zusters van het Arme Kindje Jezus

Oma had haar wijsheid niet uit de krant. Zelf had zij nimmer een oma gehad. En toen zij drie jaar was, was haar moeder gestorven. Oma bezat geen enkele foto van haar. Aan Anna Custers herinnerde slechts een dunne, afgesleten trouwring.
Oma's vader was achtergebleven met zes kinde­ren, waarvan er één tien jaar was, één op een paar maanden na zes, en één dus drie. De andere kinderen die nog leefden, waren achttien, bijna zeventien en bijna vijftien. De oudste, Marie, had de moeder­lijke zorg wellicht over kunnen nemen. Zij trouwde echter weldra en verhuisde naar het verre Elzas-Lotharingen. Oma zag haar voor het eerst terug rond 1957, toen zij zelf al grootmoeder was. De zeven­tienjarige was een jongen, Mathieu. Dat hij de zorg over­nam, zal geen optie zijn geweest. – Dat was in die tijd gewoon niet zo. – De veertien­jarige ten slotte, Fienchen, moet te jong zijn bevonden. Verder had hun vader in augustus 1899 nog op zijn minst twee zussen en een getrouwde broer, die in de buurt woonden en die een gezegende leeftijd zouden bereiken. Zij hebben de zorg voor de kleintjes evenwel niet op zich genomen. De zussen zouden ook niet op het bidprentje van hun broer worden vermeld.
Bij het overlijden van zijn vrouw was oma's vader 58 jaar. Uitkeringen waren er niet. Men was nagenoeg volledig aange­wezen op zijn familie of op kerkelijke instellingen. En natuurlijk op zichzelf: men werkte zo lang men kon. Als het echt niet meer kon, werd men opgevangen door zijn kinderen of verhuisde men naar een door religieuzen bestierd oude­mannenhuis. Overgrootpa, die als voerknecht de kost verdiende, klopte met zijn twee of drie jongste kinderen aan bij Huize Loreto te Simpelveld, waar het gezin sinds 1889 of 1890 woonde.
Huize Loreto was het generaal-moederhuis van de Zusters van het Arme Kindje Jezus. De congregatie was gesticht door de Akense fabrikants-dochter Clara Fey. Zij had als doel: de verzorging, opvang en opvoe­ding van de verwaarloosde jeugd. De Kultur­kampf had de zusters genoodzaakt Duitsland te verlaten. Een aantal van hen, onder wie de stichteres-moeder-overste, had Simpel­veld als ballingsoord gekozen. Dat bleef zo toen de 'cultuurstrijd' in 1888 beëindigd was. De naam Loreto is die van het stadje in Italië waarnaar engelen Maria's geboortehuis vanuit Nazareth zouden hebben overgebracht. Te Simpelveld hadden de zusters in 1878 een meisjesschool gesticht. Daar­naast zorgden zij er voor voogdijkinderen, onder wie wezen. De meisjes droegen zwarte jurkjes met daarover roze schortjes. Zij werden opgeleid tot dienstbode.
Oma vertelde niet veel over haar tijd in het klooster. Je ziet het arme meisje al door lange, hoge gangen lopen. De kilte van de gebouwen zal weinig te niet zijn gedaan door iets wat op moeder­liefde leek: gemeenschappen van religieu­zen stonden niet bekend als warm medemenselijk. Maar er zullen vast lieve begijnen zijn geweest. En ze zullen het allemaal wel goed hebben gemeend. Het meisje sliep er op een zaal samen met andere weesjes. Het leerde er lezen, schrijven, rekenen, godsdienst, handwerken en gehoor­zamen. Het zal onder begeleiding van zusters in rijen wandelingen hebben gemaakt. Het zal er veel hebben gebeden. In de Maria-maanden mei en augus­tus zal het er menigmaal naar het lof zijn gegaan en op zijn knieën de rozenkrans hebben gebeden. Misschien heeft het wel met vriendinnetjes in een kring Die Anna saβ auf einem Stein gezongen en gesprongen. En toen het wat ouder werd, zal het er met huishoudelijk werk vertrouwd zijn gemaakt.
“Ik weet niet hoe het komt”, vertelde mijn moeder op een zondagmorgen in 2002, “maar ik heb vannacht over Lieschen gedroomd. Lieschen heeft met oma in het klooster gezeten. Zij had een bocheltje. Later heb ik met haar op de fabriek gewerkt. Om Lieschen werd nog weleens gelachen, ook al omdat zij zich zo boos kon maken. Later zat zij in het Elisabeth Stift (een door nonnen gerund gesticht voor oude mensen die verder nergens terecht konden). Zij is waarschijnlijk vanwege de gemeente begraven. Jouw vader en ik zijn nog wel eens naar haar graf op zoek geweest.” “Oma had voor haar tijd in het klooster geen goed woord over”, herinnerde mijn moeder zich in 1994. “Toch wou zij daar soms met mij naar toe. Wij zijn er een paar keer geweest. Oma wees op een keldergat: overleden kinderen wer­den daar opgebaard. Zusters dreigden de kinderen ermee, dat zij er zouden worden opgesloten. Als een kind in bed had geplast, moest het een week lang met een po onder zich slapen. Oma kwam ook weleens met Lieschen in het klooster. 'Kijk', zeiden ze dan, terwijl ze over het zuster-kerkhof liepen, 'die moet jij ook hebben gekend!'”
Oma zou in het klooster één keer per maand bezoek hebben gekregen van haar vader. Kwa­men er nog andere familie­leden? Mocht het meisje weleens bij haar familie logeren? Wij weten het niet. Volgens tante Irene, oma's schoon­dochter, had oma heimwee en is zij naar zus Billa in Aken weggelopen. Die zou hebben gezegd dat zij niet terug hoefde. Het is heel goed moge­lijk, zoals het ook mogelijk is dat oma de benen heeft genomen naar Eygelshoven. Zus Fienchen en haar man Louis hadden daar een bak­kerij.
Oma's achtergebleven zussen en oudste broer zijn vanaf ongeveer 1910 de een na de ander gaan trouwen. Haar vader heeft zich op een ge­geven moment in Aken neer­gelaten, wellicht samen met een zoon en een dochter. Van zijn oudste zoon, Mathieu, althans is het eerste kind in 1913 in die stad geboren. Mathieu is een poosje vracht­rijder geweest. De verleiding is groot om een verband te leggen met zijn vader, die voerman was. Hebben zij samen­gewerkt? Hoe het ook zij, rond 1910 verliet oma het weeshuis. Als aandenken kreeg zij een dik kerkboek mee.


Wortels in twee landen

Oma's oudste (overgeleverde) foto is uit 1912. De foto is genomen voor de bakkerswinkel van haar zwager en zus. Oma heeft nichtje Maria op haar arm. De volgende foto, oma's eerste portret, is in Aken gemaakt. Oma heeft op de achterkant in het Sütterlin, een oud Duits handschrift dat zij van de nonnen had geleerd, een tekst geschreven. Die luidt letterlijk als volgt:
Aachen d(en) 10.2.18. Meine Lieben. Ich will Euch schreiben das ich für den 24 dieses monats eingereicht habe und hoffe das es genemigt wird werde Euch eine Tepesche schicken es kostet sehr viel mühe Herzlichen Grus Vater Billa .?.bei schicke ich Euch ein Bild von mir hoffentlich gefällt sie Euch. Wie geht es Euch denn noch uns geht es noch alle gut dasselbe ich auch von Euch hoffe hoffentlich kommt Billa durch von Hubert haben wir auch heute einen Brief erhalten Nun empfanget noch recht Herzliche Sonntags grüße von uns alle Vater Billa und Treschen. De brief is voor een buitenstaander cryptisch. Hij doet echter vermoeden dat oma in Duitsland woonde en dat het moeite kostte om een bezoek te (mogen) brengen aan familie in Nederland. Het was tenslotte oorlog.
Oma's vader, Hubert Hodenius, was Nederlander. Hij was het derde in een gezin van dertien kinderen. Zijn moeder, Anna Maria Kempener, was in 1816 geboren in Eys en overleed in 1891 in het naburige Wittem. Haar vader wordt 'knecht' en 'arbeider' genoemd. Huberts vader, Johan Leonard Hode­nius, was geboren in het Duitse Freialdenhoven, een gehucht tussen Jülich en Geilen­kirchen. Zijn familie woonde daar al in 1650. Johan Leonard's jaar­tallen zijn 1809 en 1903. Bij hem kan oma dus nog op schoot hebben gezeten. Als beroepen worden 'knecht' en 'Wirt' (waard) genoemd. Johan Leonard was in 1835 in het Nederlandse Simpelveld ko­men wonen en in 1836 te Wittem getrouwd. Over oma's moeder, Anna Custers, is niet veel meer bekend dan dat zij geboren is in Ubachsberg uit Mathijs (Mathias) Custers en Elisabeth Lemmens en dat haar vader knecht was.
Kortom, ook dit deel van de familie – dat van moeders moeder – komt waarschijnlijk van oudsher uit de Duits-Nederlandse grensstreek en heeft nu eens aan de ene kant van de grens gewoond en dan weer aan de andere kant. (Voor mijn moeders vaders en mijn vaders moeders familie geldt hetzelfde.) Partners werden ook in deze tak van de familie van over de grens gekozen. Vergeleken met mijn andere voorouderlijke families uit dat gebied valt bij de familie Hodenius echter op dat zij hun bestaan over het algemeen niet in de mijn vonden. De opa van mijn oma is maar liefst 94½ jaar geworden, de vader van mijn oma tachtig. Vergelijk dat eens met de leeftijden van de vader en de opa van mijn opa!
Er war allzeit ein Mann treuester Pflichterfüllung und darum hochgeschätzt von sei­nen vorgesetzten, onthult Hubert Hodenius' gedachtenis­prentje. Ik bewaar het in het gebedenboekje van oma's moe­der, dat ik van Margot, Fien­chens schoondochter, heb ge­kregen en waarin Anna 'Hodi­nius' haar naam heeft ge­schreven. Seinen Kindern war er ein besorgter Vater and allen voran­leuchtend durch das Bei­spiel christlicher Tugenden. Seit mehreren Jahren war er an das Zimmer gefesselt infolge eines schmerz­lichen rheuma­tischen Leidens, das er jedoch heldenmütig ertrug und zu dem er immer wieder neue über­natürliche Kraft schöpfte aus dem monatlichen Empfang der hl. Sakramente. Tja, ook land­arbeid en werk als voerman vergden hun tol!


“Volg alsjeblieft je gevoel!”

Overgrootpa overleed in 1921. Zijn jongste dochter werkte toen al jaren bij Herrschaften, dus als dienstmeisje. Zij schijnt dat zowel in Aken als in Eygelshoven (en/of omgeving) te hebben gedaan. Op haar veertiende reeds was zij ergens voor dag-en-nacht in betrek­king. In Eygelshoven hielp zij haar zus. Die had kost­gangers.
“Mijn tante verwende hen”, vertelde mijn moeder in 2000. “Zij gaf hun wel twee kote­letten. Die kostgangers dronken vaak, zodat tante 's morgens moeite moest doen om hen op tijd voor hun werk uit bed te krijgen.” Behalve bij haar zus hielp oma bij een familie die een café had. Oma moest er soms laat werken voor mijn­werkers die na hun werk langs kwamen, terwijl zij de volgen­de ochtend vroeg op moest om naar de kerk te kunnen gaan. Zij heeft niet zo lang bij deze familie gediend, maar is er wel de rest van haar leven zeer vriendschappelijk mee blijven omgaan – althans met een kind ervan, dat zij heeft zien op­groeien en dat, als oude vrouw, bij ons tegenover woonde.
Dit is een gammel verhaal – ik weet het. Het verbaast me ook. Er is wellicht niemand van wie ik zo veel heb gehouden als van deze oma, maar ik weet ontstellend weinig van haar. Als ik aan oma denk, voel ik warmte (en verdriet om het gemis). Ik hoor haar stem en zie beelden. Maar het is een wirwar van flarden. “Mutti, Mutti, meine Bei­ne!”.....het zijn de laatste woorden van een neefje dat in de oorlog als militair zijn benen had verloren. Zijn ouders kre­gen, toen zij naar hem onder­weg waren, op het station te horen dat hij gestorven was. Zij maakten rechtsomkeer. “Es war ja so schrecklich”.....het stond in een brief uit Elzas-Lotharingen. Een dochter van oma's zus Marie schreef hem naar aanleiding van het over­lijden van haar moeder. Als kind zoog ik dit alles op als een spons. Mijn oudste herinne­ringen zijn die aan deze oma. Ik was nog geen tweeënhalf en lag in het ziekenhuis. Ik zag oma achter een ruit en krijste om mijn moeder. En toen oma overleed, stortte mijn wereld in. Ik heb daarna lijvige historische biografieën ge­schreven. Maar van mijn eigen omaatje, dat mij nog steeds onuitsprekelijk dierbaar is, kan ik geen behoorlijk levens­verhaal schrijven.
Het is wellicht ook niet zo belangrijk. Liever nog dan achteraf een goed verhaal te schrijven, zou ik op dit punt in oma's jonge leven willen stappen. “Volg alsjeblieft je gevoel!”, zou ik haar toe willen roepen. Oma had, zoals dat heette, plezier aan een politie­man. Wij zouden zeggen: ze was op hem verlekkerd. De lieverd dronk echter. En wellicht keek-ie te díép in het glaasje. Fienchen vond hem daarom geen geschikte partij voor haar zus en deed haar iemand aan de hand die vroom was én van de drank af kon blijven. Ik en meer dan een dozijn anderen mét mij hebben er ons leven aan te danken. Voor oma is het echter het stomste wat ze in haar leven heeft gedaan: trouwen met Joseph Hermans.


Tot elkaar veroordeeld

Laten wij even terugkeren naar oma's foto's. Het volgende kiekje toont oma samen met een jonge man en twee oudere vrouwen voor een huis in Kerkrade-centrum. De foto is waar­schijnlijk genomen in augustus 1926. Oma was toen dertig. Op de foto ziet ze er oud uit, maar dat komt ook door haar kleren. In haar armen houdt zij een baby'tje: Catha­rina, haar eerste kind. Zij mocht het maar anderhalve maand houden. De man naast haar is mijn opa. Hij torent hoog boven haar uit. – Oma was, net als haar vader, klein van stuk. – Een andere foto toont een baby die oma mocht zien opgroeien: mijn moeder. Op weer een andere foto is het gezin compleet. Het staat voor een muziekwinkel. Een streng kijkende opa heeft in zijn rechterhand een sigaret, aan zijn linker houdt hij een meisje. Naast haar staat oma. Zij heeft een jongetje van anderhalf op haar arm: oom Leo. Deze Fhotho is ge maakt in het Jaar 19.31 de 3 maandag van de maand Okthober toen wij naar de joden markt gingen op de hoek van de Bleijerheiderstraat. En blijft als geschenk voor mijn liefste zoon, Leo, als geschenk., staat op de achter­kant. Van oma's leven in die tijd is zo goed als niets bekend.


“Ik heb nooit van vader gehouden!”, zou oma ooit tegenover mijn moeder hebben bekend. – Oma noemde haar echtgenoot “vader”, zoals gebruikelijk was. – “Ik vind dat verschrikkelijk”, zei mijn moe­der. “Als je niet van iemand houdt, moet je niet met hem trouwen!” Heeft voor oma meegespeeld dat zij nergens echt thuis was? We kunnen het haar niet meer vragen. Of opa wel van oma heeft gehouden, valt evenmin te achterhalen. Hij heeft het niet in mijn bijzijn uitgestraald. Dat zegt echter niet alles.
In die 'goeie, ouwe tijd' was veel niet wat het leek. Vooral voor een kind kon heel veel verborgen worden gehou­den. Neem bijvoorbeeld het meisje dat vaak bij mijn grootouders op de stoep zit omdat het met mij wil spelen. Het meisje zijn vader is tevens zijn opa. Pardon? De moeder van het meisje was een jaar of zestien, zeventien toen 'het' gebeurde. Met haar vader is, voor­zover mijn ouders weten, niets gebeurd. De jonge moeder is met haar kind gewoon bij haar ouders blijven wonen. “Van het gezin was waarschijnlijk niemand voor de volle honderd procent”, dachten mijn ouders. De opa van het meisje – of was het zijn vader? – heeft misschien mama's hondje geslacht voor het vet. Dat laatste verhaal heeft Joke misschien wel te horen gekregen; het was vrij onschuldig, zij het voor mijn moeder pijnlijk.
En dan is er nog dat keurige, kinderloze echtpaar. Joke kruipt dikwijls de trap op om er op bezoek te gaan. Met name opa moppert dan. Maar die man heeft altijd wat te mopperen! Nou, Jo bezocht de mensen nog lang nadat opa en oma onder de grond waren komen te liggen. Wat was er echter aan de hand? Als ik een meisje was geweest, had opa het vast niet bij mopperen gelaten. Bovenbuurman kon namelijk zijn handen niet thuis houden. Het kan zijn vrouw niet zijn ontgaan; iedereen wist het. Haar man kreeg bovendien weleens een emmer water over zich heen. Het moet de vrouw diep hebben gekwetst zonder dat zij dat aan de grote klok hing.
In januari 1971 zit oma als ik thuiskom te huilen. “Was ik maar gestorven in plaats van haar!” Er is een aangetrouwd nichtje overleden. Hoe kan dat? Ik heb haar pas geleden nog samen met haar man gezien. Ze zag er stralend uit, het was een gelukkig paar. Ze werkten alle­bei in een chocoladefabriek en brachten dikwijls lekkernijen voor ons mee. Otti is plotseling gestorven. Ze heeft kennelijk een vreselijke ziekte opgelopen die haar in een mum van tijd heeft gesloopt. “Ik zie mijn huis niet terug!”, had zij gezegd toen zij de deur uit werd gedragen. Haar man is er kapot van. Twee jaar later ben ik met oom Leo en mijn vader op weg naar familie in Duitsland om te vertellen dat oma is overleden. “We moeten onze handen maar wassen als we bij Hubert (Otti's weduw­naar) vandaan komen!”, wordt er in de auto opgemerkt. Hubert blijkt niet thuis te zijn, wel een nicht van hem. Die is allerminst over hem te spreken. Maar in het bijzijn van 'die jongen' – ik was zeventien – spreek je niet over 'dat soort zaken'. Meer dan vijfendertig jaar later is het alsnog mijn beurt om verbijsterd te zijn. Otti blijkt zich in de bloei van haar leven te hebben vergiftigd: haar man viel op mannen! Otti voelde zich bedrogen.
Had zij geen scheiding aan kunnen vragen? Waarom zijn oma en haar bovenbuurvrouw niet geschei­den? De eerste vraag kan ik niet beantwoorden. De tweede misschien wel, zij het onder voorbehoud – je kunt per slot van rekening in niemands hart kijken. Vóór 1971 kon je in Nederland alleen scheiden op grond van overspel, curatele wegens verkwisting, veroorde­ling tot een gevangenisstraf van minstens vier jaar, en mis­handeling. Dat moest dan ook nog eens worden bewezen. Iemand die ijverig vreemd ging maar dat voor de buitenwacht ontkende, kon zijn (e)ega ertoe dwingen om voor de rechtbank de schuld op zich te nemen. Dat was in die tijd een vreselijke schande, die op de kinderen afstraalde. De (katholieke) kerk, die toen nog zeer invloedrijk was, verbood en verbiedt echtscheiding al helemaal, want “wat God heeft samengevoegd, zal de mens niet scheiden!” Trouwens, wat moest je aanvangen als 'ge­scheiden wijf'? Er waren nau­welijks sociale voorzieningen. De kerk zag je al aankomen en kon het je bovendien lastig maken om je brood te ver­dienen. Echtelieden bleven elkaar levenslang 'trouw' omdat ze geen kant op konden.


Bij oma voelde ik me geborgen

Als kind hoefde ik me over dit soort zaken echter niet het hoofd te breken. Ik kon mij nog koesteren in de warmte die oma gaf. Oma had een groot bed, dat ze met mij deelde als ik bij haar logeerde. Dat was nooit langer dan een dag, want ik was gehecht aan mijn stekje thuis. Over het bed lag een heerlijk warm veren dekbed. Het bed stond tegen een wand. Mijn gevoel van veiligheid was compleet als oma met haar mollige lijf de buitenkant van het bed afschermde. Opa sliep in een bed apart, in dezelfde kamer. Hem hoorden we van veraf snurken en zwaar ademhalen. Als de rolluiken naar beneden waren, was het in de kamer pikdonker en drongen straatgeluiden er ge­dempt binnen. Ook dat van de kerkklokken die 's zondags­morgens van over de grens helder, maar voor mijn gevoel van ver het bijzondere van de dag verkondigden. Ik was een vroege vogel, maar oma stond altijd als eerste op om het fornuis op te stoken en water te warmen waarmee opa en ik ons wasten. Tegen de tijd dat wij daarmee klaar waren, had oma koffie gezet en spek-en-eieren gebakken. Oma met haar goedige blik was immer zorg­zaam. Zij bood geborgenheid, net als het groene lichtje dat zij in het stopcontact stak om ons, kinderen, ook in het donker het gevoel te geven dat wij niet alleen waren.
Als ik mijn ogen sluit, kan ik me opa en oma's woning nog nauwkeurig voor de geest halen. Boven opa's bed hing groot het beeldverhaal van een engelbewaarder. Aan de andere slaapkamer-wanden hingen de portretten van oma's vader en opa's moeder. Die waren dood; met hun beenderen waren – om het in de woorden van oma te zeggen – allang “de appels van de bomen gegooid”. De foto's toonden vochtplekken. Verder waren in de kamer een kleer­kast met daarop een zwart crucifix – uit opa's ouderlijk huis? – een kacheltje en een marmeren wastafel met was­kom en lampetkan prominent aanwezig. Een badkamer was er niet. Wekelijks werd er een grote teil tevoorschijn gehaald waarin water werd gegoten dat op het kolenfornuis met zijn kleurige schilderingen op tem­peratuur was gebracht. Het fornuis stond in de woon­keuken, waar opa vanaf zijn groene sofa het toneel overzag en oma zich voor ons uit­sloofde. Er stonden ook een paar kasten met op een daarvan een verzameling potten en potjes voor macaroni en rijst en wat niet al meer, en een grote en een kleine tafel. Aan de grote tafel zaten wij, onder de kleine kroop ik weg omdat ik er lekker weg kon dromen. De woning had nog een derde kamer, maar die werd nauwe­lijks gebruikt. En er waren nog een heel schuurtje voor het hout, opa's gereedschap en het oud papier, een halve kelder die deed denken aan een mijngang en waarin, inderdaad, kolen en slik werden bewaard, en een halve zolder voor oma's was­goed. Een hof en twee halve tuinen met in opa en oma's deel een hortensia, een paarse serin­genboom, rijen aardappelen en prei en twee zwarte-bessen­struiken, en in het deel van de boven­buren een grote kersen­boom, aardbeien-planten en heel veel bloemen maakten het plaatje compleet.


Half

Dat er zoveel half was, had ermee te maken dat opa en oma alleen de benedenverdieping van het huis huurden. Zelfs het toilet werd met de bovenburen gedeeld. Men kon elkaar dus danig de keel uit hangen. Dat deed men dan ook hartstochte­lijk. Zelf heb ik er weinig van meegekregen; het meeste is dus waarschijnlijk vóór mijn tijd gebeurd, maar de verhalen erover leidden een taai bestaan. “Opa en oma en de familie H pestten elkaar”, vertelde mijn moeder in 1995. “Als oma de heer en mevrouw H hoorde weggaan, deed zij het licht uit, zodat zij in het donker de trap af moesten. H strooide stukjes scheermes op plaatsen waar mijn hondje liep, zodat het zijn pootjes open haalde, en in de wc-pot, zodat oma bij het schoonmaken in haar vingers sneed. Als oma de gang schrobde, belde een kennisje van de H's, dat aan de overkant woonde, aan om door de gang te kunnen lopen. Oma was bang. Zij vroeg mij daarom op een keer de gang te schrobben. En jawel hoor, daar kwam het meisje weer. Ik had een emmer water klaar staan. Die heb ik zo over haar heen gegooid. 'Dankjewel!', riep het meisje. Mevrouw H was kwaad: 'Dat onschuldige meisje!' 'Als je eens wist wat zich bij jullie afspeelt!', zei ik. Oma had het meisje eens bij de heer H op schoot aangetroffen terwijl zij hem zoende. Ik had eens net de ramen gewassen, toen me­vrouw H kalk naar beneden gooide. 'Ik maak je kapot!', schreeuwde ik. Daarop kwam zij zich verontschuldigen. Zij veranderde als zij merkte dat je niet bang voor haar was.” In 2002 merkte mijn moeder op dat de politie vaak erbij is gehaald. “Mijn vader”, liet ze daarop volgen, “heeft mevrouw H eens met een bijl achterna gezeten. Ik weet niet meer waarom.”
Waarom blijven mensen die elkaar het leven zuur maken, samen in één huis wonen? Mijn vader heeft nooit begrepen waar­om zijn schoon­ouders nooit een hele woning hebben betrokken. Ze hadden daar het geld toch voor!? De woning aan de Pricksteenweg 64 kwam nota bene aan het eind van een Odyssee langs tal van woningen. Die is begonnen in de Wilhelminastraat, in hartje Kerkrade. Mijn moeder, haar zusje en haar broertje zijn daar geboren. Vervolgens is er wat gezworven. Dat huisgenoten een hond hadden waar mijn moeder bang voor was, was voldoende reden om te verhuizen. Zelfs aan de Pricksteenweg te Bleijerheide is het gezin een keer verhuisd. Op nummer 64 heeft het gezin vijfendertig jaar gewoond.



D'r Prick

D'r Prick was een bijzondere straat. Ze kwam uit op de grens. Opa en oma woonden hemelsbreed twee- à drie-honderd meter van Duitsland vandaan, dat wil zeggen: van het anderhalve meter hoge hekwerk dat beide landen scheidde. Twee grens­overgan­gen lagen een kilometer naar links of naar rechts. Daar moest een paspoort worden getoond. Daar moest ook worden aan­gegeven wat men mee de grens overnam. Een pond roomboter bijvoorbeeld. Je kon er aan den lijve worden gecontroleerd. “Leibesvisitation”, noemde oma dat. Oma was vroeger geregeld in Duitsland naar de kerk gegaan. Op een dag had zij zich aan de grens moeten uitkleden. Zij was daarna nooit meer voor een zondags kerkbezoek over de grens gewipt.
In mijn herinnering is de Pricksteenweg een straat waar vrouwen op een kussen uit het raam leunden om met iedereen een praatje te kunnen maken. “Menigeen had er geen tuin of woonde met twee gezinnen in één huis”, verklaarde mijn moeder. Het zal wel, maar het lijkt mij beklemmend als iemand dag-in-dag-uit je bewe­gingen volgt. En dat in een buurt waar men elkaar gene­raties lang kende. “Pis maar Jacobje!” – mijn moeder en haar broertje werd het op straat door andere kinderen nage­roepen. “Wij begrepen dat niet”, vertelde mijn moeder in 1998, “maar het deed wel pijn. Naderhand – ik was misschien al getrouwd – heb ik mijn vader gevraagd waarom die kinderen dat riepen. Zijn vader [dus de opa van mijn moeder] bleek eens uit te zijn geweest en te hebben moeten pissen. 'Pis maar Jacobje, tegen die boom!', had een kameraad tegen hem gezegd. Eén jongen, zo vervolgde mijn moeder, werd nageroepen voor 'dronken Martin'. Zijn vader dronk 's zondagsmorgens twee glazen bier en was dan zat. Als die jongen trouwde, zou zijn vrouw, wier man heel netjes was en nooit dronk, getrouwd zijn met '(de zoon van) dronken Martin'.”
De Pricksteenweg was dus een knusse straat met een goed geheugen en een scherpe blik. Hij had echter tevens iets gemoedelijks. Men had voornamelijk elkaar als tijdverdrijf – men had dus tijd voor elkaar. De kans dat je er maandenlang dood in je woning kon liggen, was verwaarloosbaar. Een van de buren van oma en opa was de heer Bosch. Het was een vriendelijke oude man met wie het goed praten was en die mij op een dag een doos met blokken gaf waarmee zijn (klein)kinderen toch niet meer speelden. Een onbenullig detail? Wat zongen Saskia en Serge ook al weer? “Het zijn de kleine dingen die het doen.” Aan de andere kant van opa en oma woonde, in een heel huis, de familie Bremen. Een van de zonen had het ver geschopt: eerst zat hij in Provinciale Staten, daarna was hij Tweede-Kamerlid gewor­den. Het had de sociale afstand niet vergroot: er kon dag-en-nacht een beroep worden gedaan op de familie Bremen, bijvoorbeeld als het een keer niet zo goed ging met opa. Dat was des te belangrijker omdat in die tijd nog maar weinigen telefoon hadden. De familie Bremen had er een.
En wat de familie H betreft: die moet alle getwist ten spijt een beetje als familie zijn beschouwd. Hoe valt het anders te verklaren dat de heer en mevrouw H bij opa en oma kwamen kaarten, dat oma in de jaren zestig twee keer met hen op vakantie is geweest – één keer was opa er bij – en dat het kinderloze echtpaar met oma en opa mee kwam als zij met Kerstmis bij ons op bezoek kwamen? Mijn moeder sprak zelden goed over haar vroegere bovenburen. Maar zij barstte midden of eind jaren zestig opeens in tranen uit toen zij het slabestek op tafel bracht dat zij van mevrouw had gekregen. Dat slabestek zou de geefster overleven, want die was ernstig ziek. Dat althans dacht ma. Aanvang 1973 zou mevrouw H opnieuw van ieder­een afscheid nemen, om daarna weer overeind te krabbelen en tot 1988 verder te leven. Zij zou rond haar 75ste zelfs nog iets beleven wat misschien wel de liefde van haar leven is geweest. Haar portret staat naast dat van oma bij mij op de kast.

D'r Prick – wat valt er verder over te zeggen? Aan het begin ervan moet steenkool­mijn Neuprick hebben gelegen. Maar die was in 1904 gesloten. Er lag nu een speeltuin, waar wij af en toe kwamen. De Pricksteenweg – we kwamen er twee keer per week – zijn wij menigmaal af gelopen. Oma liep er óók met ons aan het handje, bijvoorbeeld als we boodschappen gingen doen of een van de twee kerken in Bleijerheide bezochten. Een enkele keer gingen wij bij opa's zus Katrien op bezoek, of bij oma's broer Mathieu. Katrien woonde enkele straten verder­op, Mathieu in Kunrade. In 1924 had hij voor oma een strijkijzer gemaakt met haar naam en het jaartal erin gegraveerd. Het moest op het fornuis op tempera­tuur worden gebracht.
D'r Prick riekt naar verveling. Ik had er geen vriendjes of vriendinnetjes. Ik had er wel een oma die ons overlaadde met zoetigheid en die ons na zwaaide tot wij de hoek om waren. Als ik nu van haar graf in de Ham wegga – de steen is allang weggehaald – zwaai ik tot ik het niet meer zie. En dan zie ik oma staan in haar deuropening aan de Prick­steenweg.



Het wrede spel

Oma kwam wekelijks bij ons langs. Zij kwam met de bus en had dan een tasje bij zich met allerlei lekkers. Als het effe kon, ging ik haar tegemoet. Oma verwen­de ons. Maar dat was niet de enige reden waarom wij van haar hielden. Ik vond het dan ook helemaal niet erg, toen opa eind 1970 overleed en oma kort daarop bij ons introk.
Er volgde een radicale opruiming, iets waar oma bij­zonder bedreven in was. Bij ons in de tuin werd in een ijzeren emmer een vuurtje gestookt; daar verdwenen opa's pape­rassen in. Niets was oma te heilig. Ik kon nog net de grote portretten van haar vader en schoonmoeder in veiligheid brengen. Een met bladgoud bekleed communie-prentje van opa's opa uit 1833 – het had zolang ik me herinnerde bij opa en oma aan de wand gehangen....het dreigde in de vlammen te verdwijnen. Het bidprentje van opa's moeder was al door midden gescheurd; ik kon het nog net redden. Voor het overige moet oma's brandstapel op een vreugde­vuur hebben geleken. Oma was voorgoed bij ons. De hemel ging voor ons open.
Het leven speelt soms een wreed spel. Oma was in mijn ogen een engel. Ik zei tegen iedereen de lelijkste dingen, maar niet tegen haar. Het meest ongunstige wat ik ooit over haar genoteerd had, was van 13 februari 1968. Er was een cavia van mij dood­gegaan. Om 12 uur ging ik gauw naar huis [van school] om de marmot te begraven. Oma Hermans was thuis. Toen ik de marmot wilde begraven zeiden oma en moeder nog een paar gemene praatjes zoals o.a. met medeleven en het moet een algemene begrafenis worden. Verder herinnerde ik me niets onaardigs. Oma en ik zijn, voorzover ik weet, nooit boos op elkaar geweest, terwijl ik toch een niet-te-genieten ventje kon zijn.
Wat bleek evenwel enkele maanden nadat we de 'hemel' binnen waren gegaan? Mijn moeder en haar moeder konden niet in vrede met elkaar onder één dak leven. Dat was voor mij des te pijnlijker omdat ik ook van mijn moeder zielsveel hield, hetgeen ons er overigens niet van weerhield de jaren door vreselijk tegen elkaar te keer te gaan. Het drong, misschien voor het eerst, ten volle tot mij door, dat mijn moeder buitengewoon onredelijk kon zijn. Stilletjes-aan werd ik me er ook van bewust dat oma wellicht niet volmaakt was. “Waar moet dat naartoe?”, vroeg ik me op 29 maart 1972 af. “Oma is erg gauw beledigd en ma is nog gauwer beledigd, vaak zeer gemeen en hinterlässig.”
De dag nadat ik dit geschreven had, knalde ik al fietsend achterop een stilstaande vracht­auto. Ik was in gedachten en schreef mijn onoplettendheid toe aan de problemen thuis. Ik besloot een roman te gaan schrijven. Ik ben niet ver gekomen, maar ik schrik van het weinige wat er ligt. De toon is overigens die van Romeinse schrijvers, die wij op school uit het Latijn vertaalden en die mijn stijl – ik was aan het experimenteren – onecht maakte.
Het was 's woensdags geweest, dat hij vol goeie moed thuis was gekomen, begerig naar de eeuwige rust van Pasen, dat op handen was. Maar o wee, wat was dat toch tegengevallen: thuis had hij zijn oma, zijn zo zeer beminde oma, huilend in een stoel aangetroffen. Zijn hart was het liefst stil blijven staan: “Jouw moeder heeft mij vanmorgen uitgescholden en gezegd dat ik dieren in bed heb! Ik heb niets gezegd, maar zij zei dat ik het bed maar moest laten openliggen en toen heb ik gezegd..........” “Ach oma, ze zal het niet zo bedoeld hebben. Kom, houd nu toch op met huilen.” “Nee, maar ik wil hier weg! Och leefde opa nog maar eens. Mijn huis hebben ze mij afgenomen en gezegd dat ik ratten had. Hadden ze me maar gelaten, ja, ze wilden me daar weg hebben. Ja, met oude mensen doen ze wat ze willen.”
Deze passage beschrijft waarschijnlijk exact wat zich bij ons heeft voorgedaan. Mijn vader en ik namen het op voor oma, mijn zus neigde naar de kant van mijn moeder. Het was een omkering van de verhou­dingen: tot dan toe had ik bij conflicten blindelings de zijde van mijn moeder gekozen. Ik voel­de me een verrader, maar ik kon niet anders. Mijn moeder, van wie ik innig veel hield, zat naar mijn idee volkomen fout met betrekking tot haar eigen moeder. Ze zou iemand de deur uit werken die voor mij het hoogste van het hoogste ver­tegenwoordigde. Het kostte mij bijna veertig jaar nadien nog moeite om het niet tegen haar uit te schreeuwen.



Het einde van een wreed spel

Of mijn moeder het inderdaad gedaan heeft, weet ik niet. Er bestaat ook een versie van het verhaal die het initiatief elders legt. Volgens mijn moeder heeft zij er bij een dokter over geklaagd, dat de situatie on­houdbaar was en heeft hij er voor gezorgd dat oma een woning kreeg in een nieuwe bejaardenflat midden in Kerk­rade. Daar was nog precies één woning vrij: de woning die tijdens de bouw als kantoor gediend had. Mijn dagboek vertelt echter ook dat mijn moeder haar broer de toegang tot ons huis verboden had – voor oma dus een onhoudbare situatie – en dat wij allemaal, oma incluis, blij waren dat wij weer op onszelf zouden komen te staan. (Oma sliep bij mijn zus op de kamer.) Na het overlijden van mijn moeder heb ik van een tante begrepen dat mijn oom voor een andere woning heeft gezorgd. Die laatste versie heb ik echter pas laat vernomen en mijn dagboek-aantekeningen was ik vergeten. Ik heb mijn moeder daardoor jarenlang afgerekend op haar eigen versie, die verergerd werd door de verschrikkingen die ik daarna heb ervaren en waarvan ik dacht dat ook oma het zo had beleefd.
Het beeld dat zich in mijn geheugen heeft vastgezet, is dat van een oma die, toen ik haar na afloop van een meer­daagse school-retraite in haar flatje terugzag – ze was die dag (29 september 1972) verhuisd – er verloren bij zat. Ze had het erg mooi, lees ik in mijn dagboek, maar mijn hart brak toen ik haar zo eenzaam en alleen zag. Haar voormalige bovenburen, die in hetzelfde gebouw waren komen wonen, bekommerden zich gelukkig om haar. “In de vakantie ben ik bijna iedere dag bij haar geweest”, berichtte ik verder. “Hopelijk mag ze nog jaren van haar nieuwe huis genieten.” Het thema van de eenzaamheid is mij bezig blijven houden, want ik had het idee dat oma door haar kinderen te kort werd gedaan. Oma had bovendien de neiging om zich te isoleren. “Waarom toch? Wat zou ze bij ons nog een goede oude dag hebben kunnen hebben!”, verzuchtte ik op 11 november 1972. 4 Maart 1973 beschreef ik hoe ik oma met een kanarie had verrast. En hoe ma zelfs daarover had gemopperd. Oma, op haar beurt, gaf mij overigens ook 'het hemd van haar lijf'. Onder 23 augustus lees ik dat oma zich in de laatste maanden zielsgelukkig had gevoeld op haar flat.

Op 30 juni 1973 ging ik voor het eerst met mijn ouders en mijn zus op vakantie. We hadden een huisje in België. Van oma ontvingen wij er een kaart. Zojuist heeft Ben mij bericht dat u goed bent aan­gekomen, schreef oma. Hier gaat ook nog alles goed. Maakt u maar geen zorg over mij. Nog een goede Verkansie en veele groeten van Oma. Ook vele groeten van Frau Schetsen [een kennis]. Schrijft mij eens hoe het u bevalt. Daag allemaal, tot ziens. De kaart was gedateerd 1 juli. Oma schreef nog een kaart. Die vonden wij bij haar op tafel. Beste allen, luidt de tekst. U kaart hebben wij ontvangen. Hier is het zeer warm. Dokter zegt dat de Bloeddruk goed af is gegaan. Hij staat 160. Nu nog goede Verkansie dagen en tot ziens. Oma. Vele groeten van Frau Schetgen.
Tegelijk met ons was oom Leo op vakantie. Hij was met zijn gezin in Italië. Mijn moeder had een buurvrouw van ons daarom verzocht bij oma op bezoek te gaan. 5 Juli zagen wij de heer Roverts tegen de middag op zijn motor verschijnen. Oma was terwijl zijn vrouw bij haar op bezoek was naar het toilet gegaan. Toen ze er niet vandaan kwam, was buurvrouw gaan kijken. Oma had er op de grond gelegen. Zij had nog een slokje water geproefd en was gegaan. Ik huilde en gilde zoals ik sindsdien nooit meer heb gedaan. Mij restte niets anders dan naar oma's woning te gaan om de kanarie en een handvol oude foto's op te halen, en naar het dodenhuisje om mijn aan­bedene onder rode rozen te bedelven.



NASCHRIFT

De tekst van oma's bidprentje wil ik de lezer niet onthouden. Ze luidt als volgt: “(...) Rustig en stil leefde zij met haar man gelukkig en ijverden zij beiden voor de eer van God en het heil van de mensen. Na het over­lijden van haar man verbleef zij bij haar dochter, waar zij een goed tehuis vond, tot de ouderdom met zijn gebreken een bijzondere verpleging vroeg. (...)”
Over de tweede zin hoeven we het verder niet te hebben. Wat de eerste betreft, zij het volgende opgemerkt. Naar aanleiding van de veranderingen in de kerk in de jaren zestig – veel mocht ineens wat voorheen verboden was en tal van heiligen werden afgedaan als producten van fantasie – merkte oma vaak op dat de mensen veel wijs gemaakt was en dat ze wellicht nog steeds voor het lapje werden gehouden. Oma dacht dat zij na haar overlijden misschien naar de wormen zou gaan. Ze merkte dit op zonder verbittering.

Moeilijk door het leven - Joseph Hermans uit Bleijerheide (1899-1970)

Joseph Hermans werd op 4 september 1899 te Kerkrade geboren als zoon van Jan Jacob Hermans (*Kerkrade 1 november 1862, waarschijnlijk Pannesheide (D.) 12 september 1910) en Catharina Ritzerfeld (*Pannesheide 23 maart 1863, Kerkrade
13 juni 1929
). Joseph had alleen een zus, Triena of Katrien (Maria Catharina, *Kerkrade 29 november 1901, 24 augustus 1982). Josephs vader was mijnwerker; de vader (Martin Joseph, *Kerkrade 21 november 1834) van zijn vader en diens vader
(Jan Joseph) waren dat ook, net zoals Josephs schoonvader, Joseph zelf, zijn zoon en zijn schoonzoon. Joseph trouwde op
10 juni 1925 te Eygelshoven met Trees (Anna Maria Theresia) Hodenius (*Simpelveld 22 juni 1896); het huwelijk werd de volgende dag in dezelfde plaats kerkelijk ingezegend. Joseph en Trees kregen drie kinderen: Maria Catharina (
*Kerkrade 23 juli 1926, 4 september 1926), Ketie (Maria Catharina, *Kerkrade
18 augustus 1927,
Eygelshoven 26 november 2010) en (Joseph Gerardus) Leo (*Kerkrade 10 april 1930, 7 mei 2004). Joseph overleed op 5 november 1970 te Kerkrade, Trees op 5 juli 1973. Beiden deelden een graf op het kerkhof in de Ham te Kerkrade. Sinds 10 januari 2012 rusten zij naast hun dochter in Eygelshoven.


 

Harde woorden van een gevoelige jongen

Jenge zal wen iech doeët ben vuur miech keake (“Niemand zal als ik dood ben om mij huilen”) moet opa eens hebben opgemerkt. Ik noteerde het in mijn dagboek naar aanleiding van zijn begrafenis. Opa voorspelde ieder jaar dat we het jaar daarop met Kerstmis zouden zeggen: “Kijk, daar zat opa vorig jaar nog.” “En nu zit-ie er nóg!”, liet ma daar steevast op volgen. In ieder geval voor wat mij betreft, was echter een voorspelling uit­gekomen. “Ik raakte nog even de kist met mijn hand en opa's rozenkrans aan en nam zo afscheid. Hoewel ik hem in mijn dagboek nogal zwart heb afgeschilderd, heb ik nou toch wel medelijden met hem, pende ik, maar ik heb geen traan gelaten.”
Het zijn ongewoon harde woorden voor de teergevoelige jongen die ik toen was. Van­morgen om 8.10 u. hoorde ik door de komst van oom Leo dat opa Hermans om 6.30 u. was overleden. Ik vond dit eerst niet zo erg, ik had toch zeer vaak knorren met hem, maar nu vind ik het toch erg, had ik op de dag van opa's overlijden boekgehouden. Vanmiddag ben ik in de middagpauze naar oma geweest, waar mama en oom Leo ook waren. Oma had gehuild. (...) Vanavond, nadat ik eerst proefwerk Grieks had geleerd (de rest van het huiswerk heb ik noch geleerd noch gemaakt) zijn we met een heleboel (oma, mama, Resie, ik, papa, tante Triena met man en oom Leo) naar het mor­tuarium in Kerkrade geweest. Mama legde bloemen op de [zwarte] koepel [over de kist – alleen opa's hoofd was te zien]. Oma, mama en Triena begonnen te huilen. Zo zijn we er niet lang geweest, maar nu moet ik sluiten met de woorden: Lieve opa, rust in vrede en als het mogelijk zou zijn: denk nog eens aan ons.
Het is moeilijk, om opa recht te doen. Ik voer zijn officiële voornaam. Als mij die niet werd gegeven, was ik bij hem niet welkom, had hij mijn ouders gedreigd. Opa en ik hebben echter weinig liefde voor elkaar uitgestraald. Als kind vond ik hem tiranniek en harteloos en mijn oma, die ik verafgoodde, niet waard. Voor­al later ging ik hem bovendien in hoge mate verantwoordelijk stellen voor de trauma's die mijn moeder in haar jeugd leek te hebben opgelopen.


Kind van uitgetreden kloosterlingen?

Over opa's ouders werd verteld dat zij uit het klooster waren getreden. Dat was in die tijd een grote schande. Het was des te erger omdat men generaties lang in hetzelfde dorp woonde. Mijn moeder is er als kind op straat nog voor nageroepen. Opa's ouders waren 36 en 35 jaar toen zij trouwden. Zij zijn dus vrij laat getrouwd. Ter vergelijking: van de vader zijn drie broers en één zus bekend die volwassen werden; twee van hen trouw­den op hun 25ste, één op zijn 24ste en één op haar 26ste. Vaders vader was 24 toen hij trouwde. Men ging trouwens ook gauw dood. Opa's opa ging toen hij 41 was, opa's vader werd 47.
Opa's vader woonde toen hij in december 1898 ten stadhuize aangaf te willen trouwen in Bleijerheide, een wijk van Kerkrade die aan het Duitse Pannesheide grenst. Zijn toekomstige, Catharina Ritzer­feld, kwam daar vandaan. Van haar vader is een ingelijst communie-schilderijtje over­gebleven. Het is gedateerd september 1833 en draagt als plaatsnaam Horbach. Horbach ligt een paar kilometer ten zuiden van Pannesheide; Pannesheidenaren gingen er ter kerke. Dit kan erop wijzen, dat ook Catharina's familie honkvast is geweest. Catharina's familie­naam wijst daar eveneens op: Ritzerfeld is een dorpje bij Kerkrade's buurgemeente Her­zogenrath.
Catharina wordt in huwelijks-bescheiden arbeidster genoemd. Net als haar man kwam zij uit een mijn­werkersfamilie. Haar vader was in ieder geval mijnwerker, en de familienaam-genoot met wie hij op 25 maart 1863 aangifte deed van haar geboorte was het eveneens. Men had dus wel iets met elkaar gemeen. Men sprak zelfs hetzelfde dialect. Dat men geregeld over de grens trok om te werken of om te trouwen, was dan ook heel gewoon. Jan Jacobs moeder, Anna Barbara Offermans, was een geboren en getogen Duitse.
Toch zit er een ongerijmdheid in dit verhaal. Opa's ouders hoefden wegens onvermogen niets te betalen voor de paperassen die voor een huwelijk vereist waren. Het beroep van beider vader wijst evenmin op een vetpot. Studie­beurzen waren er niet. En een klooster zat over het algemeen niet op arbeiderskinderen te wachten, tenzij om er als niet-gewijde broeder of 'poets-zuster' het vuile werk te doen. Zijn opa's ouders dat misschien geweest?



Poel van ellende als thuis

Hoe het ook zij, opa's ouders stapten op 6 januari 1899 te Kerkrade op de huwelijksboot voor een gezamenlijke tocht van een kleine twaalf jaar. Acht maanden na de afvaart werd hun eersteling, mijn opa, geboren. Na nog eens twee jaar volgde een meisje, 'de tant Triena'.
Hun vader verdiende de kost als mijnwerker, een am­bacht waarin men doorgaans niet oud werd. Jan Jacobs sloop werd versneld door de hoeveel­heden alcohol die hij naar binnen werkte, iets wat trou­wens gezien de misère en uitzichtloosheid waarin men verkeerde niet al te licht mag worden veroordeeld. Het verergerde de ellende uiteraard wel. “Mijn vader had”, her­innerde opa zich, “een drink­blik (blèch) waar wel twee liter in kon. Dat vulde hij voor hij op weg ging naar de mijn met brandewijn. Op de terugweg vulde hij het opnieuw.” Over­grootpa werkte in Lousberg (bij Aken). Toen hij aan maag­kanker overleed was zijn zoon elf jaar en acht dagen.
Die laatste informatie moet van opa zelf afkomstig zijn. Het heengaan van zijn vader, van wie opa niet eens een portret had, had ingrijpende gevolgen. Opa's moeder, die nu zonder inkomsten zat, moest kolen gaan sjouwen. Die droeg ze op haar hoofd. Haar geploeter leverde niet genoeg op. Toen opa op een dag thuis kwam, bleek zijn moeder een andere woning te hebben gevonden. Het was een krot in de Slak (Bleijerheide), zonder vloeren – dus met gewoon leem – en vol ratten, die 's nachts om je slaapplek konden spoken.
Van opa's moeder bestaat wel een portret. Een groot nog wel. Het hing lange tijd in opa en oma's slaapkamer in Bleijerheide en hangt nu bij mij in Amsterdam. Het toont een bange vrouw, die je met grote ogen aankijkt. Haar bidprentje toont een Mater Dolorosa, een bedroefde moeder van Jezus. “Zij was een zorg­zame moeder, waardig in aandenken der goeden te leven”, zegt het over dit lid van de Sacraments­broederschap, Derde Orde en van de Vrouwen- en Moeders­vereeniging. “Zij leed geduldig de pijnen harer langdurige ziekte.” Catharina leed aan borstkanker. Oma vertelde hoe haar schoonmoeder van de pijn over het fornuis had gehangen, maar lange tijd niet naar de dokter had gewild: haar schaamte was daarvoor te groot geweest.


Bange, religieuze man.....

Toen zijn moeder in 1929 stierf, was opa nog geen dertig maar werkte hij al bijna zestien jaar in de mijn. Daarvóór had hij twee jaar op daken gewerkt. Hij was ook al vier jaar getrouwd en had na een jaar een dochtertje gekregen. Na zes weken, op zijn verjaardag, was het hem ontnomen. Het gebeurde op een zaterdag. Opa was net teruggekeerd van zijn werk, toen het meisje hem aankeek en de geest gaf. Het was alsof het op hem had gewacht. Het had daarna nog drie dagen thuis opgebaard gelegen. Het kind had aan stuipen geleden, net als opa. Die had als kind thuis voor dood gelegen, toen iemand had opgemerkt dat hij nog leefde. – Zat het misschien in de familie? Van een broer van opa's vader stierven acht van de tien kinderen in hun eerste levensjaar. Van een dochter die overleefde, stierven alle drie de kinderen vóór hun eerste verjaardag, één zelfs op de dag van zijn geboorte (als het tenminste niet doodgeboren is).
Opa was een bange man. Hij was ook zeer religieus. Volgens mijn moeder heeft opa's religiositeit soms de vorm gehad van waanzin. Opa was lid van de Derde Orde, de Franciscaanse Leken Orde. Om zijn middel droeg hij een koord, en op zijn lijf een doek. Die mochten niet worden gewassen. Oma was er vies van. Opa's geloofsbeleving was in geen geval een opgewekte. Opa's 'Goede Vader in de Hemel' was een god der wrake. Gods regels, zoals die ver­woord werden door de rooms-katholieke kerk, waren uiterst gedetailleerd. Gods bedienaren bemoeiden zich met iedereen en hadden zelfs over de meest onbenullige zaken een mening. Wie zich niet nauwgezet aan de voorschriften hield, riskeerde eeuwige verdoemenis. Wie die verdoemenis voor lief nam, had in ieder geval te vrezen van Gods grondpersoneel. Dat kon genadeloos zijn. En zijn in­vloed reikte heel ver. Reli­gieuzen runden in het nagenoeg homogeen katholieke Kerkrade scholen, gezondheids­instellin­gen en tal van verenigingen. De belangrijkste feestdagen waren er de katholieke. Wie arm was, hield de hand op bij de kerk. Een priester kon een persoonlijke vete vanaf de preekstoel uitvechten. En wie door de kerk uitgestoten was, was het veelal ook maatschappelijk. De kerk kon iemand dus behoorlijk beschadigen.
Daarbij komt dat opa zijn godsdienstige basisvorming voor een belangrijk deel zal heb­ben opgedaan bij de Broeders Francis­canen in Bleijerheide, op wier Duitse school hij zat. Van die school (de Sint-Jozefschool) en de Arme Broeders van de heilige Franciscus Seraphicus, die haar bestierden, geeft het boek 125 Jaar Broeders Franciscanen een beschrijving. De school was in 1906 geopend. Opa kan dus bij de eerste lichting hebben behoord. In 1910 waren er 295 leerlingen. Dat moeten niet allemaal lieve jongetjes zijn geweest. “Het is al voorgekomen, dat de één de ander bijna een oog uitstampte of de pols afsneed”, schijnt het hoofd der school eens te hebben opgemerkt, om er onmiddellijk aan toe te voegen: “Er zijn geen bepaald slechte jongens op school, ze kunnen alleen weleens lastig zijn.” Veel aandacht ging uit naar zang en gebed en 'de leer der wel­levendheid'. Op het internaat van de broeders aan de overkant ging het er knap militaristisch aan toe. Er woonden voornamelijk Duitsers. In de klaslokalen hing naast het kruisbeeld het portret van keizer Wilhelm. Bij feesten trad de muziekkapel in Pruisische militaire uitrusting aan. En er bestond een strak “regiem van geleide lessen, geleide ontspanning [en] geen minuut zonder bezigheid en zonder Aufsicht”. Een en ander ademt geen sfeer van vertrouwen in de jongens en van respect voor het individu. In de jaren twintig nog waren de broeders er als de dood voor, een film te vertonen, want “het donker lokt den Boze” en “je kunt niet zien wat de jongens met hun handen doen”.
Bovenstaande kan echter niet alles verklaren. De moeder van mijn vader was niet minder godsdienstig dan de vader van mijn moeder. Beider geboortejaar is hetzelfde, ze kwamen uit een vergelijkbaar milieu en het katholi­cisme waarmee beiden gepokt en gemazeld waren, zal niet wezen­lijk van elkaar hebben verschild. Mijn oma ontleende evenwel eerder steun aan haar geloof dan dat het haar bang maakte. Traudchen Herten had een heel ander karakter dan Joseph Hermans. Zij was ook in stabiele verhoudingen groot­gebracht. Zou dat het verschil niet eerder kunnen verklaren? Als Josephs vader ook maar een kwart heeft gedronken van wat er werd verteld, kunnen zijn vrouw en kinderen hem niet vaak nuchter hebben meegemaakt. Wat zou dat met hun gevoel van veiligheid hebben gedaan?
Joseph Hermans had alleen uiterlijk aan de kerk kunnen gehoorzamen. Als hij de voorschriften van de kerk minder serieus had genomen zonder ze al te openlijk in twijfel te trekken of aan zijn laars te lappen, had dat gekund. Hij was daar echter de persoon niet naar. Ik vermoed dat hij in zijn prille jeugd weinig zelf­vertrouwen heeft opgedaan en dat hij daarom strikte regels nodig had.


…..die de confrontatie niet schuwde

Dat maakte Joseph Hermans niet tot louter hielenlikker. De kerk en haar ambtsdragers trokken hem weliswaar sterk en met gezag aan, maar met reli­gieuzen maakte hij ook hoog­lopende ruzie. Zo stuurde hij een zekere pater Jacobinus eens een boze brief. De eerwaarde had op een vergadering opa's gestotter nagebootst. Opa's brief las hij vervolgens op de preekstoel voor. Opa was des duivels. Hij ging uit de Derde Orde en gooide de bijbehoren­de spullen weg. Op een dag belde de pater aan. Oma, die opendeed, durfde hem niet te laten staan. “Daar is de deur!”, bulderde opa toen hij hem zag. Als kind smulde ik van de correspondentie tussen opa en ja wie (?), waarvan de over­blijfselen in een sigarenkistje werden bewaard. De heren konden plechtstatig en vooral: smeuïg de ander afbranden. Mijn favoriete brief had een hoog hemelgehalte en eindigde met “God zegene u.” Helaas betrapte opa mij toen ik hem probeerde over te schrijven.
“God zegene u!” – Het moet ook hebben gestaan aan het slot van een giftige brief van opa aan een priester. Mijn moeder heeft er lang de spot mee gedreven. Wij gingen niet altijd zachtzinnig met opa om. De arme man schijnt in zijn latere jaren een boekje te hebben gehad waarin hij onder meer optekende wat hij gebiecht had. Het moet een bron van collectief vermaak zijn geweest als zijn zoon het in handen kreeg.
Ik zal een jaar of tien zijn geweest, toen opa in het ziekenhuis lag. Hij lag er op een grote zaal, waar nu en dan iemand stierf. Opa was vol­strekt niet in levensgevaar, maar hij was zó lastig, dat een dienstdoende religieuze er iets op verzon. Als opa nou eens het Heilig Oliesel (het Sacrament der Stervenden) werd toe­gediend, werd hij misschien rustig. Er zou dus ongegeneerd worden in­gespeeld op opa's angst voor de dood. Aldus geschiedde. Opa's naaste verwanten werden rond het bed verzameld. Middels een scherm werd er een soort van privé-kamertje gecreëerd. Er werd een priester opgetrommeld. De voorstelling kon beginnen. Nou, vooral wij kleinkinderen hebben ervan genoten. Opa's mond en neus en oren, waarmee hij kwaad had gedaan, werden gezuiverd. Daarna waren zijn handen en voeten aan de beurt. “Moet je die grote voeten zien!” Wij proestten het uit. De enige die de humor er niet van inzag, was opa. Hij zag zijn einde naderen.


Klokken, zerken en verstikking

Dat opa zo bang was voor de dood had te maken met de ziekte waaraan hij leed: silicose, oftewel stoflongen. Joseph had al op zijn veer­tiende d'r koelsjtamp gekre­gen: kompels (onder­grondse mijnwerkers) hadden een kolenschep tegen zijn achter­werk gehouden en hadden daar met een hamer op geslagen. Daarmee was hij collega geworden. Het gebeurde op de Domaniale, Nederlands oudste steenkolenmijn, waar nog paar­den werden gebruikt voor het ondergronds kolenvervoer.
Vanuit opa en oma's slaapkamer aan de Pricksteen­weg in Bleijerheide keek je uit op de koeltorens van deze mijn. Opa was er diep onder de grond bang geweest voor klokken en zerken. Dat waren rotsblokken – hun naam gaf de vorm aan – die zich plotseling uit het omringende gesteente of de kool los konden maken en dan in je nek konden vallen. Een neefje van opa vond zo de dood. Opa had er ook leren sidderen bij de gedachte aan mogelijk ontslag. Vooral in de crisisjaren dertig was hij er als de dood voor geweest, aan zijn kleerhaak een briefje te vinden dat hij zich moest melden. Dat laatste was niet gebeurd, maar opa moet wel algauw de zo gevreesde mijnwerkersziekte hebben opgelopen. Op zijn 46ste reeds werd hij voor honderd procent afgekeurd en ontving hij voor de rest van zijn leven een vrij behoorlijke uitkering. Dat zegt wel iets in een tijd waarin men arbeiders zacht gezegd niet gemakkelijk ziek of mindervalide thuis liet.
“Kijk”, zei opa als hij weer eens had gespuugd, “na zoveel jaar komt er nog steeds stof uit mijn longen!” Wat opa niet wist, is dat hij waar­schijnlijk geen stof uitspuugde. Silicose is een proces waarbij stof en – nog venijniger – steengruis stukjes long afknel­len tot zij sterven. Het is een voortgaand proces, waarbij steeds nieuwe longblaasjes worden afgekneld. Dat is het denkelijk geweest wat opa heeft uitgespuugd. Volgens een arts had opa aan het eind van zijn leven nog geen kwart long meer.
Opa was in de loop der tijd almaar kortademiger ge­worden. Aanvankelijk had hij nog hele einden kunnen lopen en in de tuin kunnen werken – hij moet dus best taai en volhardend zijn geweest. Daarna had hij “aan iedere lantaarnpaal” op adem moeten komen. Vervolgens had hij in huis af en toe zuurstof uit een grote cilinder gebruikt, maar had hij nog zonder in de tuin kunnen zitten. Nog weer wat later was er een twintig meter lange slang aan de zuurstoffles bevestigd. Ten slotte had opa dag en nacht aan de zuurstof gezeten en gelegen. Aan het eind wachtte vermoedelijk de verstikkingsdood. Opa wist dat.
De spanningen die een en ander opleverde, illustreert opa's tweede kleinzoon en naamgenoot Jo Hermans. Hij is anderhalf jaar jonger dan ik en woonde op een steenworp afstand van opa en oma. Op een zondagmorgen ging hij zomaar even bij hen langs. “Oma opende de deur en dankte God dat ik langs kwam”, herinnert hij zich. “Opa's zuurstoffles was leeg, mijn vader moest zo snel mogelijk komen om de fles te vervangen. Dat deed hij gewoonlijk op zondagmiddag, wanneer wij (verplicht) op bezoek gingen. Ook ik kwam in paniek, want opa zat op de sofa naar lucht te happen. Ik ben dus als een razende op de fiets de Nieuwstraat af gescheurd om mijn vader te halen. Die bleef echter de rust zelve.”



De ene Trees is de andere niet

“C'est trop facile quand les guerres sont finies d'aller gueuler que c'était la dernière”, zong Jacques Brel in 1955: “Het is te gemakkelijk om, als een oorlog voorbij is, te gaan blèren dat het de laatste was.” Het is achteraf gemakkelijk om voor opa's houding een vracht aan excuses en verzachtende omstandigheden aan te voeren. Opa en zijn gezinsleden zijn dood, er is niemand meer die onder zijn gedrag zwaar te lijden heeft gehad. “Ik heb ook herinneringen aan een vrolijke opa, die grapjes maakte over het onderrokje van mijn zusje, dat onder haar rokje uit kwam”, laat mijn neef weten. “Het woord 'petticoat' werd door opa verbasterd tot 'fertico' of iets dergelijks, hetgeen ons allemaal tot lachen bracht. Misschien omdat hij zelden vrolijk was.”
Medio 1965 – ik was net negen – zat opa een poosje in Hornerheide. Daar was een sanatorium voor mensen met long­aandoeningen, waaronder silicose. De paviljoens stonden in een heerlijke omgeving, tussen de naaldbomen. Aan de ramen van de slaapzalen waren bakjes gehangen waarin je pinda's ('apenootjes') voor de eekhoorns kon doen. Wij, kinderen, hadden nog niet eerder een eekhoorn van dichtbij gezien. Hier aten die prachtige roodbruine beestjes met hun zwiepstaart zowat uit onze hand. Ook de ongeveer vijftig kilometer lange reis naar Hornerheide was een belevenis. We waren nog praktisch nergens geweest, we hadden het idee dat we op wereldreis waren. Vanuit Heerlen, het hart van de Mijnstreek, reed een bus naar het sanatorium. Het zoontje van de chauffeur inde de betalingen. Ik kon mijn ogen vol bewondering en liefde niet van hem af houden.
Voor opa was het minder idyllisch. Hij had heimwee en deed ons iedere keer met tranen in de ogen uitgeleide. Naar huis schreef hij ontroerende briefjes achterop een ansichtkaart. Een ervan luidde als volgt: Lieve vrouw ik deel uu mede, als uu mei woensdag bezoekt zoo goed wilt zijn nog een paar boterhamme met spek en ei mee brengt anders niets, dat was ik uu vergete te zegge. Beste Ketie en Matjeu [mijn ouders – oma woonde tijdelijk bij ons] ik bedangt uu voor alles wat uu aan mei en aan moeder heft gedaan. Nogmaals het beste. Op een andere kaart aan vrouw Jos Hermans – oma was een dag of tien op vakantie in Zeist – schreef hij: Mijn lieve vrouw ik deel u mede dat ik nog steeds in Horn zit. De dokter heeft mei hede onderzogt, en niet eens gezegt wanneer ik naar huis kom, uu zult wel begreipe dat mei de trane weer uit de oge rolde, ik zit met slegte ontlasting te kampe tog hoop ik het beste. Nu beste vrouw ik hoop ook dat uu een mooije vanansi zult hebbe en maak uu geen zorge over mei ik voel mei goed. Nogmaals het beste en niet schrijve. Jos Hermans.
Opa had moeite met zich aan te passen. Thuis had hij zijn Trees, die hem naar de ogen keek. Hij schonk zichzelf nog geen mok koffie in. Hier had hij ook een Trees: zuster Trees, een religieuze voor wie hij bang was. Opa was 'geen gemakkelijke'. Voor zijn tegen­speelster kan echter hetzelfde hebben gegolden: onder de religieuzen waren heel wat kenaus. Zo kon het gebeuren dat wij op een middag bij thuis­komst opa in onze woonkamer aantroffen. Hij was op de een of andere manier binnen­gekomen en had aanvankelijk gedacht dat hij zich in de huisdeur vergist had – mijn ouders hadden net nieuwe meubels aangeschaft.
Uit de mond van opa is ook het vermakelijke verhaal hoe hij op een keer naar Amster­dam was gefietst – dat was meer dan twee honderd kilo­meter – en daar bij het Leger des Heils was beland. Hij had er geen oog dicht gedaan. Hij had er bij allerlei gajus op een zaal gelegen en was bang geweest bestolen te worden. Enkele decennia later had hij Lourdes bezocht. Vanuit Lim­burg reden speciale treinen naar deze Zuidfranse bedevaart­plaats. Zieken hoopten er op voorspraak van Maria genezing te vinden en lieten zich in bron­water onderdompelen. Velen vonden er kracht. Opa was diep onder de indruk. Naast dia's en met water gevulde Maria­beeldjes bracht hij evenwel zijn stoflongen mee terug. “Je had beter je lege portemonnee in het water kunnen houden!”, besloot zijn dochter.


Kwetsbaar

“Je had natuurlijk liever gehad dat ík was gegaan!”, moet opa eens hebben gezegd tegen zijn schoondochter die net haar moeder had verloren. “Met mijn moeder kon ik praten!”, zou de reactie van mijn tante zijn geweest. Zij glimlacht als ik haar er meer dan veertig jaar later mee confronteer. Prompt komt er een ander verhaal. In de buitengewoon strenge winter van 1962 op 1963 lag oma in het ziekenhuis. Opa zat alleen thuis. Hij kon niet eens koffie zetten, huishoudelijk werk had hij nooit geleerd. Zijn schoondochter en zijn dochter draafden daarom geregeld op om hem te verzorgen en de boel op orde te brengen. Nu was opa verschrikkelijk zuinig. Hij telde zijn sneeën brood af – had dus niets extra's in huis, ook niet voor bezoek – en zat in de kou met als enige verlichting het piepkleine, groene lampje dat aangaf dat zijn radio aanstond. – Teevee was er nog nauwelijks. – Mijn tante had geen zin om in de kou te werken. Om te verhinderen dat zij kolen zou verbruiken, had opa de bovenste kolen in de kit met meel bestrooid. Mijn tante wist er raad mee. Toen mijn opa even de deur uit was, stookte zij de kachel op, haalde nieuwe kolen uit de kelder, strooide er meel op en verraste opa bij thuiskomst met een warme woning en een 'onaan­geroerde' kolenkit.


Opa's gedrag rijmde niet

Opa had dus ook iets ont­wapenends; hij was kwetsbaar. Er bestond echter nog een tweede opa. Dat was die van een Joseph Hermans die vanaf zijn sofa in de woonkeuken vooral aan mijn oma het ene com­mando na het andere gaf, die voortdurend hatelijke opmer­kingen maakte en uit mijn moeders verhalen naar voren kwam als een zelfzuchtig en liefdeloos heerschap, als iemand die weinig rekening hield met zijn naasten. Ik zag en hoorde het ook allemaal met mijn eigen ogen en oren.
Hermans Juupje (Joep is de streeknaam voor Jozef, Juupje is er het verkleinwoord van) – voor mij, als kind, was er nauwelijks een ergere beschimping denkbaar dan om vergeleken te worden met de vader van mijn moeder. Het maakte mij giftig. Misschien had en heb ik ook wel veel van hem weg, maar ik heb er alles aan gedaan om de Joseph Hermans in mij de kop in te drukken. Opa vertelde eens hoe iemand hem had gevraagd of hij hem herkende. Het bleek een schoolgenoot te zijn die hij in een ver verleden een stuk van een vinger af had gebeten. Opa was een driftkop geweest. Hij was het nog steeds. Ik was het ook. Opa was een bangerik en een zwakke­ling die des­alniettemin vaak ruzie zocht en onvriendelijke opmer­kingen maakte. Opa's naar fetisjisme neigende religiositeit en aanbidding van regels, opa's gevoeligheid voor hoe buiten­staanders over hem dachten, opa's ophemeling van gezag waarmee de confrontatie niet werd geschuwd, opa's onzeker­heid en angst die moesten worden overschreeuwd – ik kan het allemaal in mijzelf hebben herkend.
Los van dit alles was Joseph Hermans voor mij de man die geen affectie of respect toonde voor de vrouw met wie hij getrouwd was en die alles voor hem deed. Hij was de man die moeders hondje alleen buiten had laten lopen, waarna het vermoedelijk door een honden-slachter was gekild. – Het vet heette goed te zijn tegen een of andere kwaal. – Joseph Hermans was degene die in de kerk met de collecteschaal rondging en die kwaad werd als iemand er te weinig op gooide. Lang voor mijn geboorte had hij op de radio naar de vastenpreek willen luisteren terwijl mijn moeder o zo graag naar de Bonte Dinsdagavond Trein luisterde. Het meisje, of de jonge vrouw, had toch al niet veel gehad. Opa had zakgeld gehad, was alleen uit kaarten gegaan – had dus zijn vrouw en kinderen thuis gelaten – en was niet te genieten geweest als hij verloren had. Als er een sinaas­appel in huis was gekomen (voor die tijd een enorme luxe), was de helft ervan voor opa in de kast gelegd en was de andere helft voor de kinderen geweest. Opa's helft was na een poosje uitgedroogd weg­gegooid. Opa had met andere woorden niets weg van mijn eigen vader en gedroeg zich in mijn ogen niet zoals een echtgenoot en vader zich dienden te gedragen.



Een echte man en vader beschermt wie hem lief zijn. Wat deed opa, als ik ma tenminste mag geloven? Mama had niet verder mogen leren, hoewel zij het in haar mars had gehad en er wellicht ook de middelen voor waren geweest. Mama was dienstbode gewor­den. Ze was uitgebuit en ver­nederd en ten slotte ontslagen. Had haar vader zich betrokken gevoeld? Wel zeker: hij had bij haar werkgevers geïnformeerd of zij tevreden waren over zijn dochter en had hun later willen smeken haar weer in genade aan te nemen. Dit terwijl zijn dochter liever naar de fabriek ging. Moeder had een nieuwe fiets gekocht. Zij en mijn vader, met wie zij toen ver­kering had, hadden daar lang voor moeten sparen. Op een dag had het geregend en had opa haar fiets willen lenen. Toen moeder zei dat zij dat liever niet had, had hij gezegd dat hij hoopte dat zij erop kapot bleef. De eerstvolgende keer dat moeder ging fietsen, was zij gevallen. Bij thuiskomst had zij tegen haar vader gezegd: “Wat je mij toegewenst hebt, is mij bijna overkomen!” Haar vader had daarop, hoewel zij in hetzelfde huis woonden, tweeënhalf jaar niet met haar gesproken.
Opa zou oma ook hebben geslagen en geschopt. Oma zou er bij ma over hebben geklaagd. “Op een keer”, vertelde die in 1999, “had opa oma een kachelpook achterna gegooid. Terwijl ik op de hof aan het kraantje wasgoed uit­spoelde, stond hij te grijnzen. 'Waarom grijns jij?', vroeg ik. Opa gaf geen antwoord. Hij sprak al een hele tijd niet met mij. Ik heb toen die pook gepakt; ik had hem af kunnen maken! Opa is een slaapkamer in gevlucht en heeft zich daar opgesloten.”
Dat soort verhalen kregen Joke en Jo in de loop der jaren steeds weer opnieuw te horen. Mijn ouders prentten ons twee dingen in: er werd niet voor geld gekaart en je mocht wel boos zijn, maar je mocht het niet blijven! Mijn moeder was al eenentachtig toen ik haar de communiefoto van haar broertje liet zien. De foto was uit 1937. Het was een zwart-wit foto, een familie­portret. “Oma”, reageerde mijn moeder, “droeg een roze jurk. Daar was een vlekje op gekomen. Opa wilde haar daarom niet meenemen naar de fotograaf. 'Ik ga met de kinderen alleen!', zei hij. Ik zei: 'Dan ga ik ook niet mee!' Oma heeft die jurk toen gewassen en gestreken. Ik zie haar nóg op tafel strijken.”
Joke had, zoals gezegd, ook eigen ervaringen. Op mijn netvlies zit onder meer een gezelschap van kaarters rond de tafel bij mijn grootouders in de woonkeuken. Het bestaat uit de bovenburen, opa en een kennis. Zij spelen paarsgewijs. Oma loopt gedienstig in het rond. Wat wordt er ge­schreeuwd! Wat worden er naar de spel-partner toe verwijten gemaakt: “Als ik eerst díé kaart opgooi en daarna díé, moet jij toch weten wat ik in mijn handen heb, en dan moet jij díé kaart opgooien als je ze hebt!” Echt gezellig was het niet, maar misschien hebben de spelers dat zelf anders ervaren.
Laten we echter niet onnodig zielig doen. Mijn moeder was voldoende dochter van opa en ik was voldoende kleinzoon om van tijd tot tijd de confrontatie met hem aan te gaan, zo al niet te zoeken. “Ons 'geliefd' grootvadertje ging wonder boven wonder voor het eerst in lange tijd zonder zuurstof op de hof zitten”, noteerde ik onder 1 augustus 1970 in mijn dagboek. “Na een half uur kwam hij binnen en zei 'Zuurstof! (2x)'. Toen ik dat ding wilde aanzetten, moest oma dat voor hem doen. Toen heb ik hem eens de waarheid gezegd en heb ik vervolgens de zuurstof aangezet.” Wat ik er niet bij vertelde, is dat ik de zuurstoffles met opzet te ver opendraaide; opa vond dat natuurlijk niet prettig. Absoluut niet te spreken was hij over veranderingen in kerk en maat­schappij in de jaren zestig. Het stadje kreeg zijn sekswinkel – weliswaar met ramen die weinig kijkruimte boden, maar toch. En tal van paters en nonnen en parochiegeestelijken hielden hun ambt voor gezien. Met name mijn moeder con­fronteerde opa er met graagte mee. Ze vond opa een hui­chelaar, iemand die zich voor de buitenwereld braaf voordeed maar zijn naaste familie het leven zuur maakte, en stak dat niet onder stoelen of banken.



Het begin van een wreed spel

Lief Josefje Schoormans, heet het op de enige kaart van opa aan mij. Gei hept mei heel veel plezier gemaakt mei zondag [in het sanatorium] te bezoeke en ook voor uw brief. Lief Josefje bid voor mei dat God mei weer gauw de gezondheid mag geven maar voor al braaf zijn en het vader of moeder niet lastig make, want mamma is ook ziek. Nogmaals Josefje ik dank u en wees braaf. Dit wens uu Jos Hermans. Daag.
Met opa ging het ondertussen bergaf, maar hij had een sterk hart en was broodmager. Hij gebruikte dan ook zo goed als geen vet. Het zout dat hij in grote hoeveel­heden gebruikte, deerde hem kennelijk niet. In 1969 kreeg ik van mijn ouders voor de Kerst een cassetterecorder. Ik was de koning te rijk. Ook opa vond het geweldig: hij moest en zou op de band zingen. Hij zong een paar kerstliedjes. “Houd toch op, houd toch op!”, maande oma hem lachend. Opa snakte naar adem, maar wist het lang vol te houden. Het werd zijn laatste kerstmis.
“Woensdag [7 oktober 1970] ben ik met mama 's middags naar Bleijerheide geweest, waar opa voor de [bejaarden]sociëteit gehuldigd werd”, vertelt mijn dagboek. “Hij kreeg zelfs 2 (!) dezelfde oorkondes en een mooie rede[voering] te horen, waarna opa er ook een probeerde te houden. Wat heb ik gelachen! Oma kreeg een fruitschaaltje. Mama en tante Irene hielden zich in het kamertje daarnaast op en genoten daar van dit schouwspel. Maar toen begon het: de heren (zonder opa) gingen toen over een stel dingen heftig discussiëren waar ze naar mijn bescheiden mening niet zo bar veel van af wisten, zo ging dit door (met onderbreking van het vla[ai]-eten) zodat ik (en de anderen ook) blij was toen dit 'deftig' heerschap ging, dit was zo om 18 u. tegen 19 u. zijn we ook maar naar huis gegaan.”
Opa werd door de bejaardensociëteit afgeserveerd – zo ervoeren wij dat. Was hij er bestuurslid van (geweest)? Opa had heel veel gedaan voor de kerk. Toen het slecht met hem ging, liet zich ook daar echter nauwelijks iemand van zien. Op 8 augustus 1970 noteerde ik in mijn dagboek dat er een non was die opa altijd kwam wassen. Hij moet dus behoorlijk aan het aftakelen zijn geweest. Enkele maanden later begaf opa's hart het. De verstikkingsdood was opa bespaard gebleven. “Wij zullen maar zeggen dat uw man aan stoflongen is overleden”, zei de huisarts tegen oma. Als de dokter dit niet als doods­oorzaak had opgegeven, had oma een lager pensioen ont­vangen. – De angel zat daarin, dat silicose een lichaam zo kon ondermijnen, dat het hart het uiteindelijk niet meer aankon. Zo iemand heette dan gestorven aan een hartfalen. – Wat opa ook naliet, was een geweldige ver­zameling van, onder heel veel meer, tijd­schriften en bidprentjes. Het werd allemaal verbrand of bij het huisvuil gezet. Ik was nog te jong om veel te kunnen redden en warmde mij aan de gedachte dat oma bij ons zou kunnen intrekken. Het leven speelt soms een wreed spel.