Posts tonen met het label Ketie Hermans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ketie Hermans. Alle posts tonen

vrijdag 9 augustus 2013

Moeilijk door het leven - Joseph Hermans uit Bleijerheide (1899-1970)

Joseph Hermans werd op 4 september 1899 te Kerkrade geboren als zoon van Jan Jacob Hermans (*Kerkrade 1 november 1862, waarschijnlijk Pannesheide (D.) 12 september 1910) en Catharina Ritzerfeld (*Pannesheide 23 maart 1863, Kerkrade
13 juni 1929
). Joseph had alleen een zus, Triena of Katrien (Maria Catharina, *Kerkrade 29 november 1901, 24 augustus 1982). Josephs vader was mijnwerker; de vader (Martin Joseph, *Kerkrade 21 november 1834) van zijn vader en diens vader
(Jan Joseph) waren dat ook, net zoals Josephs schoonvader, Joseph zelf, zijn zoon en zijn schoonzoon. Joseph trouwde op
10 juni 1925 te Eygelshoven met Trees (Anna Maria Theresia) Hodenius (*Simpelveld 22 juni 1896); het huwelijk werd de volgende dag in dezelfde plaats kerkelijk ingezegend. Joseph en Trees kregen drie kinderen: Maria Catharina (
*Kerkrade 23 juli 1926, 4 september 1926), Ketie (Maria Catharina, *Kerkrade
18 augustus 1927,
Eygelshoven 26 november 2010) en (Joseph Gerardus) Leo (*Kerkrade 10 april 1930, 7 mei 2004). Joseph overleed op 5 november 1970 te Kerkrade, Trees op 5 juli 1973. Beiden deelden een graf op het kerkhof in de Ham te Kerkrade. Sinds 10 januari 2012 rusten zij naast hun dochter in Eygelshoven.


 

Harde woorden van een gevoelige jongen

Jenge zal wen iech doeët ben vuur miech keake (“Niemand zal als ik dood ben om mij huilen”) moet opa eens hebben opgemerkt. Ik noteerde het in mijn dagboek naar aanleiding van zijn begrafenis. Opa voorspelde ieder jaar dat we het jaar daarop met Kerstmis zouden zeggen: “Kijk, daar zat opa vorig jaar nog.” “En nu zit-ie er nóg!”, liet ma daar steevast op volgen. In ieder geval voor wat mij betreft, was echter een voorspelling uit­gekomen. “Ik raakte nog even de kist met mijn hand en opa's rozenkrans aan en nam zo afscheid. Hoewel ik hem in mijn dagboek nogal zwart heb afgeschilderd, heb ik nou toch wel medelijden met hem, pende ik, maar ik heb geen traan gelaten.”
Het zijn ongewoon harde woorden voor de teergevoelige jongen die ik toen was. Van­morgen om 8.10 u. hoorde ik door de komst van oom Leo dat opa Hermans om 6.30 u. was overleden. Ik vond dit eerst niet zo erg, ik had toch zeer vaak knorren met hem, maar nu vind ik het toch erg, had ik op de dag van opa's overlijden boekgehouden. Vanmiddag ben ik in de middagpauze naar oma geweest, waar mama en oom Leo ook waren. Oma had gehuild. (...) Vanavond, nadat ik eerst proefwerk Grieks had geleerd (de rest van het huiswerk heb ik noch geleerd noch gemaakt) zijn we met een heleboel (oma, mama, Resie, ik, papa, tante Triena met man en oom Leo) naar het mor­tuarium in Kerkrade geweest. Mama legde bloemen op de [zwarte] koepel [over de kist – alleen opa's hoofd was te zien]. Oma, mama en Triena begonnen te huilen. Zo zijn we er niet lang geweest, maar nu moet ik sluiten met de woorden: Lieve opa, rust in vrede en als het mogelijk zou zijn: denk nog eens aan ons.
Het is moeilijk, om opa recht te doen. Ik voer zijn officiële voornaam. Als mij die niet werd gegeven, was ik bij hem niet welkom, had hij mijn ouders gedreigd. Opa en ik hebben echter weinig liefde voor elkaar uitgestraald. Als kind vond ik hem tiranniek en harteloos en mijn oma, die ik verafgoodde, niet waard. Voor­al later ging ik hem bovendien in hoge mate verantwoordelijk stellen voor de trauma's die mijn moeder in haar jeugd leek te hebben opgelopen.


Kind van uitgetreden kloosterlingen?

Over opa's ouders werd verteld dat zij uit het klooster waren getreden. Dat was in die tijd een grote schande. Het was des te erger omdat men generaties lang in hetzelfde dorp woonde. Mijn moeder is er als kind op straat nog voor nageroepen. Opa's ouders waren 36 en 35 jaar toen zij trouwden. Zij zijn dus vrij laat getrouwd. Ter vergelijking: van de vader zijn drie broers en één zus bekend die volwassen werden; twee van hen trouw­den op hun 25ste, één op zijn 24ste en één op haar 26ste. Vaders vader was 24 toen hij trouwde. Men ging trouwens ook gauw dood. Opa's opa ging toen hij 41 was, opa's vader werd 47.
Opa's vader woonde toen hij in december 1898 ten stadhuize aangaf te willen trouwen in Bleijerheide, een wijk van Kerkrade die aan het Duitse Pannesheide grenst. Zijn toekomstige, Catharina Ritzer­feld, kwam daar vandaan. Van haar vader is een ingelijst communie-schilderijtje over­gebleven. Het is gedateerd september 1833 en draagt als plaatsnaam Horbach. Horbach ligt een paar kilometer ten zuiden van Pannesheide; Pannesheidenaren gingen er ter kerke. Dit kan erop wijzen, dat ook Catharina's familie honkvast is geweest. Catharina's familie­naam wijst daar eveneens op: Ritzerfeld is een dorpje bij Kerkrade's buurgemeente Her­zogenrath.
Catharina wordt in huwelijks-bescheiden arbeidster genoemd. Net als haar man kwam zij uit een mijn­werkersfamilie. Haar vader was in ieder geval mijnwerker, en de familienaam-genoot met wie hij op 25 maart 1863 aangifte deed van haar geboorte was het eveneens. Men had dus wel iets met elkaar gemeen. Men sprak zelfs hetzelfde dialect. Dat men geregeld over de grens trok om te werken of om te trouwen, was dan ook heel gewoon. Jan Jacobs moeder, Anna Barbara Offermans, was een geboren en getogen Duitse.
Toch zit er een ongerijmdheid in dit verhaal. Opa's ouders hoefden wegens onvermogen niets te betalen voor de paperassen die voor een huwelijk vereist waren. Het beroep van beider vader wijst evenmin op een vetpot. Studie­beurzen waren er niet. En een klooster zat over het algemeen niet op arbeiderskinderen te wachten, tenzij om er als niet-gewijde broeder of 'poets-zuster' het vuile werk te doen. Zijn opa's ouders dat misschien geweest?



Poel van ellende als thuis

Hoe het ook zij, opa's ouders stapten op 6 januari 1899 te Kerkrade op de huwelijksboot voor een gezamenlijke tocht van een kleine twaalf jaar. Acht maanden na de afvaart werd hun eersteling, mijn opa, geboren. Na nog eens twee jaar volgde een meisje, 'de tant Triena'.
Hun vader verdiende de kost als mijnwerker, een am­bacht waarin men doorgaans niet oud werd. Jan Jacobs sloop werd versneld door de hoeveel­heden alcohol die hij naar binnen werkte, iets wat trou­wens gezien de misère en uitzichtloosheid waarin men verkeerde niet al te licht mag worden veroordeeld. Het verergerde de ellende uiteraard wel. “Mijn vader had”, her­innerde opa zich, “een drink­blik (blèch) waar wel twee liter in kon. Dat vulde hij voor hij op weg ging naar de mijn met brandewijn. Op de terugweg vulde hij het opnieuw.” Over­grootpa werkte in Lousberg (bij Aken). Toen hij aan maag­kanker overleed was zijn zoon elf jaar en acht dagen.
Die laatste informatie moet van opa zelf afkomstig zijn. Het heengaan van zijn vader, van wie opa niet eens een portret had, had ingrijpende gevolgen. Opa's moeder, die nu zonder inkomsten zat, moest kolen gaan sjouwen. Die droeg ze op haar hoofd. Haar geploeter leverde niet genoeg op. Toen opa op een dag thuis kwam, bleek zijn moeder een andere woning te hebben gevonden. Het was een krot in de Slak (Bleijerheide), zonder vloeren – dus met gewoon leem – en vol ratten, die 's nachts om je slaapplek konden spoken.
Van opa's moeder bestaat wel een portret. Een groot nog wel. Het hing lange tijd in opa en oma's slaapkamer in Bleijerheide en hangt nu bij mij in Amsterdam. Het toont een bange vrouw, die je met grote ogen aankijkt. Haar bidprentje toont een Mater Dolorosa, een bedroefde moeder van Jezus. “Zij was een zorg­zame moeder, waardig in aandenken der goeden te leven”, zegt het over dit lid van de Sacraments­broederschap, Derde Orde en van de Vrouwen- en Moeders­vereeniging. “Zij leed geduldig de pijnen harer langdurige ziekte.” Catharina leed aan borstkanker. Oma vertelde hoe haar schoonmoeder van de pijn over het fornuis had gehangen, maar lange tijd niet naar de dokter had gewild: haar schaamte was daarvoor te groot geweest.


Bange, religieuze man.....

Toen zijn moeder in 1929 stierf, was opa nog geen dertig maar werkte hij al bijna zestien jaar in de mijn. Daarvóór had hij twee jaar op daken gewerkt. Hij was ook al vier jaar getrouwd en had na een jaar een dochtertje gekregen. Na zes weken, op zijn verjaardag, was het hem ontnomen. Het gebeurde op een zaterdag. Opa was net teruggekeerd van zijn werk, toen het meisje hem aankeek en de geest gaf. Het was alsof het op hem had gewacht. Het had daarna nog drie dagen thuis opgebaard gelegen. Het kind had aan stuipen geleden, net als opa. Die had als kind thuis voor dood gelegen, toen iemand had opgemerkt dat hij nog leefde. – Zat het misschien in de familie? Van een broer van opa's vader stierven acht van de tien kinderen in hun eerste levensjaar. Van een dochter die overleefde, stierven alle drie de kinderen vóór hun eerste verjaardag, één zelfs op de dag van zijn geboorte (als het tenminste niet doodgeboren is).
Opa was een bange man. Hij was ook zeer religieus. Volgens mijn moeder heeft opa's religiositeit soms de vorm gehad van waanzin. Opa was lid van de Derde Orde, de Franciscaanse Leken Orde. Om zijn middel droeg hij een koord, en op zijn lijf een doek. Die mochten niet worden gewassen. Oma was er vies van. Opa's geloofsbeleving was in geen geval een opgewekte. Opa's 'Goede Vader in de Hemel' was een god der wrake. Gods regels, zoals die ver­woord werden door de rooms-katholieke kerk, waren uiterst gedetailleerd. Gods bedienaren bemoeiden zich met iedereen en hadden zelfs over de meest onbenullige zaken een mening. Wie zich niet nauwgezet aan de voorschriften hield, riskeerde eeuwige verdoemenis. Wie die verdoemenis voor lief nam, had in ieder geval te vrezen van Gods grondpersoneel. Dat kon genadeloos zijn. En zijn in­vloed reikte heel ver. Reli­gieuzen runden in het nagenoeg homogeen katholieke Kerkrade scholen, gezondheids­instellin­gen en tal van verenigingen. De belangrijkste feestdagen waren er de katholieke. Wie arm was, hield de hand op bij de kerk. Een priester kon een persoonlijke vete vanaf de preekstoel uitvechten. En wie door de kerk uitgestoten was, was het veelal ook maatschappelijk. De kerk kon iemand dus behoorlijk beschadigen.
Daarbij komt dat opa zijn godsdienstige basisvorming voor een belangrijk deel zal heb­ben opgedaan bij de Broeders Francis­canen in Bleijerheide, op wier Duitse school hij zat. Van die school (de Sint-Jozefschool) en de Arme Broeders van de heilige Franciscus Seraphicus, die haar bestierden, geeft het boek 125 Jaar Broeders Franciscanen een beschrijving. De school was in 1906 geopend. Opa kan dus bij de eerste lichting hebben behoord. In 1910 waren er 295 leerlingen. Dat moeten niet allemaal lieve jongetjes zijn geweest. “Het is al voorgekomen, dat de één de ander bijna een oog uitstampte of de pols afsneed”, schijnt het hoofd der school eens te hebben opgemerkt, om er onmiddellijk aan toe te voegen: “Er zijn geen bepaald slechte jongens op school, ze kunnen alleen weleens lastig zijn.” Veel aandacht ging uit naar zang en gebed en 'de leer der wel­levendheid'. Op het internaat van de broeders aan de overkant ging het er knap militaristisch aan toe. Er woonden voornamelijk Duitsers. In de klaslokalen hing naast het kruisbeeld het portret van keizer Wilhelm. Bij feesten trad de muziekkapel in Pruisische militaire uitrusting aan. En er bestond een strak “regiem van geleide lessen, geleide ontspanning [en] geen minuut zonder bezigheid en zonder Aufsicht”. Een en ander ademt geen sfeer van vertrouwen in de jongens en van respect voor het individu. In de jaren twintig nog waren de broeders er als de dood voor, een film te vertonen, want “het donker lokt den Boze” en “je kunt niet zien wat de jongens met hun handen doen”.
Bovenstaande kan echter niet alles verklaren. De moeder van mijn vader was niet minder godsdienstig dan de vader van mijn moeder. Beider geboortejaar is hetzelfde, ze kwamen uit een vergelijkbaar milieu en het katholi­cisme waarmee beiden gepokt en gemazeld waren, zal niet wezen­lijk van elkaar hebben verschild. Mijn oma ontleende evenwel eerder steun aan haar geloof dan dat het haar bang maakte. Traudchen Herten had een heel ander karakter dan Joseph Hermans. Zij was ook in stabiele verhoudingen groot­gebracht. Zou dat het verschil niet eerder kunnen verklaren? Als Josephs vader ook maar een kwart heeft gedronken van wat er werd verteld, kunnen zijn vrouw en kinderen hem niet vaak nuchter hebben meegemaakt. Wat zou dat met hun gevoel van veiligheid hebben gedaan?
Joseph Hermans had alleen uiterlijk aan de kerk kunnen gehoorzamen. Als hij de voorschriften van de kerk minder serieus had genomen zonder ze al te openlijk in twijfel te trekken of aan zijn laars te lappen, had dat gekund. Hij was daar echter de persoon niet naar. Ik vermoed dat hij in zijn prille jeugd weinig zelf­vertrouwen heeft opgedaan en dat hij daarom strikte regels nodig had.


…..die de confrontatie niet schuwde

Dat maakte Joseph Hermans niet tot louter hielenlikker. De kerk en haar ambtsdragers trokken hem weliswaar sterk en met gezag aan, maar met reli­gieuzen maakte hij ook hoog­lopende ruzie. Zo stuurde hij een zekere pater Jacobinus eens een boze brief. De eerwaarde had op een vergadering opa's gestotter nagebootst. Opa's brief las hij vervolgens op de preekstoel voor. Opa was des duivels. Hij ging uit de Derde Orde en gooide de bijbehoren­de spullen weg. Op een dag belde de pater aan. Oma, die opendeed, durfde hem niet te laten staan. “Daar is de deur!”, bulderde opa toen hij hem zag. Als kind smulde ik van de correspondentie tussen opa en ja wie (?), waarvan de over­blijfselen in een sigarenkistje werden bewaard. De heren konden plechtstatig en vooral: smeuïg de ander afbranden. Mijn favoriete brief had een hoog hemelgehalte en eindigde met “God zegene u.” Helaas betrapte opa mij toen ik hem probeerde over te schrijven.
“God zegene u!” – Het moet ook hebben gestaan aan het slot van een giftige brief van opa aan een priester. Mijn moeder heeft er lang de spot mee gedreven. Wij gingen niet altijd zachtzinnig met opa om. De arme man schijnt in zijn latere jaren een boekje te hebben gehad waarin hij onder meer optekende wat hij gebiecht had. Het moet een bron van collectief vermaak zijn geweest als zijn zoon het in handen kreeg.
Ik zal een jaar of tien zijn geweest, toen opa in het ziekenhuis lag. Hij lag er op een grote zaal, waar nu en dan iemand stierf. Opa was vol­strekt niet in levensgevaar, maar hij was zó lastig, dat een dienstdoende religieuze er iets op verzon. Als opa nou eens het Heilig Oliesel (het Sacrament der Stervenden) werd toe­gediend, werd hij misschien rustig. Er zou dus ongegeneerd worden in­gespeeld op opa's angst voor de dood. Aldus geschiedde. Opa's naaste verwanten werden rond het bed verzameld. Middels een scherm werd er een soort van privé-kamertje gecreëerd. Er werd een priester opgetrommeld. De voorstelling kon beginnen. Nou, vooral wij kleinkinderen hebben ervan genoten. Opa's mond en neus en oren, waarmee hij kwaad had gedaan, werden gezuiverd. Daarna waren zijn handen en voeten aan de beurt. “Moet je die grote voeten zien!” Wij proestten het uit. De enige die de humor er niet van inzag, was opa. Hij zag zijn einde naderen.


Klokken, zerken en verstikking

Dat opa zo bang was voor de dood had te maken met de ziekte waaraan hij leed: silicose, oftewel stoflongen. Joseph had al op zijn veer­tiende d'r koelsjtamp gekre­gen: kompels (onder­grondse mijnwerkers) hadden een kolenschep tegen zijn achter­werk gehouden en hadden daar met een hamer op geslagen. Daarmee was hij collega geworden. Het gebeurde op de Domaniale, Nederlands oudste steenkolenmijn, waar nog paar­den werden gebruikt voor het ondergronds kolenvervoer.
Vanuit opa en oma's slaapkamer aan de Pricksteen­weg in Bleijerheide keek je uit op de koeltorens van deze mijn. Opa was er diep onder de grond bang geweest voor klokken en zerken. Dat waren rotsblokken – hun naam gaf de vorm aan – die zich plotseling uit het omringende gesteente of de kool los konden maken en dan in je nek konden vallen. Een neefje van opa vond zo de dood. Opa had er ook leren sidderen bij de gedachte aan mogelijk ontslag. Vooral in de crisisjaren dertig was hij er als de dood voor geweest, aan zijn kleerhaak een briefje te vinden dat hij zich moest melden. Dat laatste was niet gebeurd, maar opa moet wel algauw de zo gevreesde mijnwerkersziekte hebben opgelopen. Op zijn 46ste reeds werd hij voor honderd procent afgekeurd en ontving hij voor de rest van zijn leven een vrij behoorlijke uitkering. Dat zegt wel iets in een tijd waarin men arbeiders zacht gezegd niet gemakkelijk ziek of mindervalide thuis liet.
“Kijk”, zei opa als hij weer eens had gespuugd, “na zoveel jaar komt er nog steeds stof uit mijn longen!” Wat opa niet wist, is dat hij waar­schijnlijk geen stof uitspuugde. Silicose is een proces waarbij stof en – nog venijniger – steengruis stukjes long afknel­len tot zij sterven. Het is een voortgaand proces, waarbij steeds nieuwe longblaasjes worden afgekneld. Dat is het denkelijk geweest wat opa heeft uitgespuugd. Volgens een arts had opa aan het eind van zijn leven nog geen kwart long meer.
Opa was in de loop der tijd almaar kortademiger ge­worden. Aanvankelijk had hij nog hele einden kunnen lopen en in de tuin kunnen werken – hij moet dus best taai en volhardend zijn geweest. Daarna had hij “aan iedere lantaarnpaal” op adem moeten komen. Vervolgens had hij in huis af en toe zuurstof uit een grote cilinder gebruikt, maar had hij nog zonder in de tuin kunnen zitten. Nog weer wat later was er een twintig meter lange slang aan de zuurstoffles bevestigd. Ten slotte had opa dag en nacht aan de zuurstof gezeten en gelegen. Aan het eind wachtte vermoedelijk de verstikkingsdood. Opa wist dat.
De spanningen die een en ander opleverde, illustreert opa's tweede kleinzoon en naamgenoot Jo Hermans. Hij is anderhalf jaar jonger dan ik en woonde op een steenworp afstand van opa en oma. Op een zondagmorgen ging hij zomaar even bij hen langs. “Oma opende de deur en dankte God dat ik langs kwam”, herinnert hij zich. “Opa's zuurstoffles was leeg, mijn vader moest zo snel mogelijk komen om de fles te vervangen. Dat deed hij gewoonlijk op zondagmiddag, wanneer wij (verplicht) op bezoek gingen. Ook ik kwam in paniek, want opa zat op de sofa naar lucht te happen. Ik ben dus als een razende op de fiets de Nieuwstraat af gescheurd om mijn vader te halen. Die bleef echter de rust zelve.”



De ene Trees is de andere niet

“C'est trop facile quand les guerres sont finies d'aller gueuler que c'était la dernière”, zong Jacques Brel in 1955: “Het is te gemakkelijk om, als een oorlog voorbij is, te gaan blèren dat het de laatste was.” Het is achteraf gemakkelijk om voor opa's houding een vracht aan excuses en verzachtende omstandigheden aan te voeren. Opa en zijn gezinsleden zijn dood, er is niemand meer die onder zijn gedrag zwaar te lijden heeft gehad. “Ik heb ook herinneringen aan een vrolijke opa, die grapjes maakte over het onderrokje van mijn zusje, dat onder haar rokje uit kwam”, laat mijn neef weten. “Het woord 'petticoat' werd door opa verbasterd tot 'fertico' of iets dergelijks, hetgeen ons allemaal tot lachen bracht. Misschien omdat hij zelden vrolijk was.”
Medio 1965 – ik was net negen – zat opa een poosje in Hornerheide. Daar was een sanatorium voor mensen met long­aandoeningen, waaronder silicose. De paviljoens stonden in een heerlijke omgeving, tussen de naaldbomen. Aan de ramen van de slaapzalen waren bakjes gehangen waarin je pinda's ('apenootjes') voor de eekhoorns kon doen. Wij, kinderen, hadden nog niet eerder een eekhoorn van dichtbij gezien. Hier aten die prachtige roodbruine beestjes met hun zwiepstaart zowat uit onze hand. Ook de ongeveer vijftig kilometer lange reis naar Hornerheide was een belevenis. We waren nog praktisch nergens geweest, we hadden het idee dat we op wereldreis waren. Vanuit Heerlen, het hart van de Mijnstreek, reed een bus naar het sanatorium. Het zoontje van de chauffeur inde de betalingen. Ik kon mijn ogen vol bewondering en liefde niet van hem af houden.
Voor opa was het minder idyllisch. Hij had heimwee en deed ons iedere keer met tranen in de ogen uitgeleide. Naar huis schreef hij ontroerende briefjes achterop een ansichtkaart. Een ervan luidde als volgt: Lieve vrouw ik deel uu mede, als uu mei woensdag bezoekt zoo goed wilt zijn nog een paar boterhamme met spek en ei mee brengt anders niets, dat was ik uu vergete te zegge. Beste Ketie en Matjeu [mijn ouders – oma woonde tijdelijk bij ons] ik bedangt uu voor alles wat uu aan mei en aan moeder heft gedaan. Nogmaals het beste. Op een andere kaart aan vrouw Jos Hermans – oma was een dag of tien op vakantie in Zeist – schreef hij: Mijn lieve vrouw ik deel u mede dat ik nog steeds in Horn zit. De dokter heeft mei hede onderzogt, en niet eens gezegt wanneer ik naar huis kom, uu zult wel begreipe dat mei de trane weer uit de oge rolde, ik zit met slegte ontlasting te kampe tog hoop ik het beste. Nu beste vrouw ik hoop ook dat uu een mooije vanansi zult hebbe en maak uu geen zorge over mei ik voel mei goed. Nogmaals het beste en niet schrijve. Jos Hermans.
Opa had moeite met zich aan te passen. Thuis had hij zijn Trees, die hem naar de ogen keek. Hij schonk zichzelf nog geen mok koffie in. Hier had hij ook een Trees: zuster Trees, een religieuze voor wie hij bang was. Opa was 'geen gemakkelijke'. Voor zijn tegen­speelster kan echter hetzelfde hebben gegolden: onder de religieuzen waren heel wat kenaus. Zo kon het gebeuren dat wij op een middag bij thuis­komst opa in onze woonkamer aantroffen. Hij was op de een of andere manier binnen­gekomen en had aanvankelijk gedacht dat hij zich in de huisdeur vergist had – mijn ouders hadden net nieuwe meubels aangeschaft.
Uit de mond van opa is ook het vermakelijke verhaal hoe hij op een keer naar Amster­dam was gefietst – dat was meer dan twee honderd kilo­meter – en daar bij het Leger des Heils was beland. Hij had er geen oog dicht gedaan. Hij had er bij allerlei gajus op een zaal gelegen en was bang geweest bestolen te worden. Enkele decennia later had hij Lourdes bezocht. Vanuit Lim­burg reden speciale treinen naar deze Zuidfranse bedevaart­plaats. Zieken hoopten er op voorspraak van Maria genezing te vinden en lieten zich in bron­water onderdompelen. Velen vonden er kracht. Opa was diep onder de indruk. Naast dia's en met water gevulde Maria­beeldjes bracht hij evenwel zijn stoflongen mee terug. “Je had beter je lege portemonnee in het water kunnen houden!”, besloot zijn dochter.


Kwetsbaar

“Je had natuurlijk liever gehad dat ík was gegaan!”, moet opa eens hebben gezegd tegen zijn schoondochter die net haar moeder had verloren. “Met mijn moeder kon ik praten!”, zou de reactie van mijn tante zijn geweest. Zij glimlacht als ik haar er meer dan veertig jaar later mee confronteer. Prompt komt er een ander verhaal. In de buitengewoon strenge winter van 1962 op 1963 lag oma in het ziekenhuis. Opa zat alleen thuis. Hij kon niet eens koffie zetten, huishoudelijk werk had hij nooit geleerd. Zijn schoondochter en zijn dochter draafden daarom geregeld op om hem te verzorgen en de boel op orde te brengen. Nu was opa verschrikkelijk zuinig. Hij telde zijn sneeën brood af – had dus niets extra's in huis, ook niet voor bezoek – en zat in de kou met als enige verlichting het piepkleine, groene lampje dat aangaf dat zijn radio aanstond. – Teevee was er nog nauwelijks. – Mijn tante had geen zin om in de kou te werken. Om te verhinderen dat zij kolen zou verbruiken, had opa de bovenste kolen in de kit met meel bestrooid. Mijn tante wist er raad mee. Toen mijn opa even de deur uit was, stookte zij de kachel op, haalde nieuwe kolen uit de kelder, strooide er meel op en verraste opa bij thuiskomst met een warme woning en een 'onaan­geroerde' kolenkit.


Opa's gedrag rijmde niet

Opa had dus ook iets ont­wapenends; hij was kwetsbaar. Er bestond echter nog een tweede opa. Dat was die van een Joseph Hermans die vanaf zijn sofa in de woonkeuken vooral aan mijn oma het ene com­mando na het andere gaf, die voortdurend hatelijke opmer­kingen maakte en uit mijn moeders verhalen naar voren kwam als een zelfzuchtig en liefdeloos heerschap, als iemand die weinig rekening hield met zijn naasten. Ik zag en hoorde het ook allemaal met mijn eigen ogen en oren.
Hermans Juupje (Joep is de streeknaam voor Jozef, Juupje is er het verkleinwoord van) – voor mij, als kind, was er nauwelijks een ergere beschimping denkbaar dan om vergeleken te worden met de vader van mijn moeder. Het maakte mij giftig. Misschien had en heb ik ook wel veel van hem weg, maar ik heb er alles aan gedaan om de Joseph Hermans in mij de kop in te drukken. Opa vertelde eens hoe iemand hem had gevraagd of hij hem herkende. Het bleek een schoolgenoot te zijn die hij in een ver verleden een stuk van een vinger af had gebeten. Opa was een driftkop geweest. Hij was het nog steeds. Ik was het ook. Opa was een bangerik en een zwakke­ling die des­alniettemin vaak ruzie zocht en onvriendelijke opmer­kingen maakte. Opa's naar fetisjisme neigende religiositeit en aanbidding van regels, opa's gevoeligheid voor hoe buiten­staanders over hem dachten, opa's ophemeling van gezag waarmee de confrontatie niet werd geschuwd, opa's onzeker­heid en angst die moesten worden overschreeuwd – ik kan het allemaal in mijzelf hebben herkend.
Los van dit alles was Joseph Hermans voor mij de man die geen affectie of respect toonde voor de vrouw met wie hij getrouwd was en die alles voor hem deed. Hij was de man die moeders hondje alleen buiten had laten lopen, waarna het vermoedelijk door een honden-slachter was gekild. – Het vet heette goed te zijn tegen een of andere kwaal. – Joseph Hermans was degene die in de kerk met de collecteschaal rondging en die kwaad werd als iemand er te weinig op gooide. Lang voor mijn geboorte had hij op de radio naar de vastenpreek willen luisteren terwijl mijn moeder o zo graag naar de Bonte Dinsdagavond Trein luisterde. Het meisje, of de jonge vrouw, had toch al niet veel gehad. Opa had zakgeld gehad, was alleen uit kaarten gegaan – had dus zijn vrouw en kinderen thuis gelaten – en was niet te genieten geweest als hij verloren had. Als er een sinaas­appel in huis was gekomen (voor die tijd een enorme luxe), was de helft ervan voor opa in de kast gelegd en was de andere helft voor de kinderen geweest. Opa's helft was na een poosje uitgedroogd weg­gegooid. Opa had met andere woorden niets weg van mijn eigen vader en gedroeg zich in mijn ogen niet zoals een echtgenoot en vader zich dienden te gedragen.



Een echte man en vader beschermt wie hem lief zijn. Wat deed opa, als ik ma tenminste mag geloven? Mama had niet verder mogen leren, hoewel zij het in haar mars had gehad en er wellicht ook de middelen voor waren geweest. Mama was dienstbode gewor­den. Ze was uitgebuit en ver­nederd en ten slotte ontslagen. Had haar vader zich betrokken gevoeld? Wel zeker: hij had bij haar werkgevers geïnformeerd of zij tevreden waren over zijn dochter en had hun later willen smeken haar weer in genade aan te nemen. Dit terwijl zijn dochter liever naar de fabriek ging. Moeder had een nieuwe fiets gekocht. Zij en mijn vader, met wie zij toen ver­kering had, hadden daar lang voor moeten sparen. Op een dag had het geregend en had opa haar fiets willen lenen. Toen moeder zei dat zij dat liever niet had, had hij gezegd dat hij hoopte dat zij erop kapot bleef. De eerstvolgende keer dat moeder ging fietsen, was zij gevallen. Bij thuiskomst had zij tegen haar vader gezegd: “Wat je mij toegewenst hebt, is mij bijna overkomen!” Haar vader had daarop, hoewel zij in hetzelfde huis woonden, tweeënhalf jaar niet met haar gesproken.
Opa zou oma ook hebben geslagen en geschopt. Oma zou er bij ma over hebben geklaagd. “Op een keer”, vertelde die in 1999, “had opa oma een kachelpook achterna gegooid. Terwijl ik op de hof aan het kraantje wasgoed uit­spoelde, stond hij te grijnzen. 'Waarom grijns jij?', vroeg ik. Opa gaf geen antwoord. Hij sprak al een hele tijd niet met mij. Ik heb toen die pook gepakt; ik had hem af kunnen maken! Opa is een slaapkamer in gevlucht en heeft zich daar opgesloten.”
Dat soort verhalen kregen Joke en Jo in de loop der jaren steeds weer opnieuw te horen. Mijn ouders prentten ons twee dingen in: er werd niet voor geld gekaart en je mocht wel boos zijn, maar je mocht het niet blijven! Mijn moeder was al eenentachtig toen ik haar de communiefoto van haar broertje liet zien. De foto was uit 1937. Het was een zwart-wit foto, een familie­portret. “Oma”, reageerde mijn moeder, “droeg een roze jurk. Daar was een vlekje op gekomen. Opa wilde haar daarom niet meenemen naar de fotograaf. 'Ik ga met de kinderen alleen!', zei hij. Ik zei: 'Dan ga ik ook niet mee!' Oma heeft die jurk toen gewassen en gestreken. Ik zie haar nóg op tafel strijken.”
Joke had, zoals gezegd, ook eigen ervaringen. Op mijn netvlies zit onder meer een gezelschap van kaarters rond de tafel bij mijn grootouders in de woonkeuken. Het bestaat uit de bovenburen, opa en een kennis. Zij spelen paarsgewijs. Oma loopt gedienstig in het rond. Wat wordt er ge­schreeuwd! Wat worden er naar de spel-partner toe verwijten gemaakt: “Als ik eerst díé kaart opgooi en daarna díé, moet jij toch weten wat ik in mijn handen heb, en dan moet jij díé kaart opgooien als je ze hebt!” Echt gezellig was het niet, maar misschien hebben de spelers dat zelf anders ervaren.
Laten we echter niet onnodig zielig doen. Mijn moeder was voldoende dochter van opa en ik was voldoende kleinzoon om van tijd tot tijd de confrontatie met hem aan te gaan, zo al niet te zoeken. “Ons 'geliefd' grootvadertje ging wonder boven wonder voor het eerst in lange tijd zonder zuurstof op de hof zitten”, noteerde ik onder 1 augustus 1970 in mijn dagboek. “Na een half uur kwam hij binnen en zei 'Zuurstof! (2x)'. Toen ik dat ding wilde aanzetten, moest oma dat voor hem doen. Toen heb ik hem eens de waarheid gezegd en heb ik vervolgens de zuurstof aangezet.” Wat ik er niet bij vertelde, is dat ik de zuurstoffles met opzet te ver opendraaide; opa vond dat natuurlijk niet prettig. Absoluut niet te spreken was hij over veranderingen in kerk en maat­schappij in de jaren zestig. Het stadje kreeg zijn sekswinkel – weliswaar met ramen die weinig kijkruimte boden, maar toch. En tal van paters en nonnen en parochiegeestelijken hielden hun ambt voor gezien. Met name mijn moeder con­fronteerde opa er met graagte mee. Ze vond opa een hui­chelaar, iemand die zich voor de buitenwereld braaf voordeed maar zijn naaste familie het leven zuur maakte, en stak dat niet onder stoelen of banken.



Het begin van een wreed spel

Lief Josefje Schoormans, heet het op de enige kaart van opa aan mij. Gei hept mei heel veel plezier gemaakt mei zondag [in het sanatorium] te bezoeke en ook voor uw brief. Lief Josefje bid voor mei dat God mei weer gauw de gezondheid mag geven maar voor al braaf zijn en het vader of moeder niet lastig make, want mamma is ook ziek. Nogmaals Josefje ik dank u en wees braaf. Dit wens uu Jos Hermans. Daag.
Met opa ging het ondertussen bergaf, maar hij had een sterk hart en was broodmager. Hij gebruikte dan ook zo goed als geen vet. Het zout dat hij in grote hoeveel­heden gebruikte, deerde hem kennelijk niet. In 1969 kreeg ik van mijn ouders voor de Kerst een cassetterecorder. Ik was de koning te rijk. Ook opa vond het geweldig: hij moest en zou op de band zingen. Hij zong een paar kerstliedjes. “Houd toch op, houd toch op!”, maande oma hem lachend. Opa snakte naar adem, maar wist het lang vol te houden. Het werd zijn laatste kerstmis.
“Woensdag [7 oktober 1970] ben ik met mama 's middags naar Bleijerheide geweest, waar opa voor de [bejaarden]sociëteit gehuldigd werd”, vertelt mijn dagboek. “Hij kreeg zelfs 2 (!) dezelfde oorkondes en een mooie rede[voering] te horen, waarna opa er ook een probeerde te houden. Wat heb ik gelachen! Oma kreeg een fruitschaaltje. Mama en tante Irene hielden zich in het kamertje daarnaast op en genoten daar van dit schouwspel. Maar toen begon het: de heren (zonder opa) gingen toen over een stel dingen heftig discussiëren waar ze naar mijn bescheiden mening niet zo bar veel van af wisten, zo ging dit door (met onderbreking van het vla[ai]-eten) zodat ik (en de anderen ook) blij was toen dit 'deftig' heerschap ging, dit was zo om 18 u. tegen 19 u. zijn we ook maar naar huis gegaan.”
Opa werd door de bejaardensociëteit afgeserveerd – zo ervoeren wij dat. Was hij er bestuurslid van (geweest)? Opa had heel veel gedaan voor de kerk. Toen het slecht met hem ging, liet zich ook daar echter nauwelijks iemand van zien. Op 8 augustus 1970 noteerde ik in mijn dagboek dat er een non was die opa altijd kwam wassen. Hij moet dus behoorlijk aan het aftakelen zijn geweest. Enkele maanden later begaf opa's hart het. De verstikkingsdood was opa bespaard gebleven. “Wij zullen maar zeggen dat uw man aan stoflongen is overleden”, zei de huisarts tegen oma. Als de dokter dit niet als doods­oorzaak had opgegeven, had oma een lager pensioen ont­vangen. – De angel zat daarin, dat silicose een lichaam zo kon ondermijnen, dat het hart het uiteindelijk niet meer aankon. Zo iemand heette dan gestorven aan een hartfalen. – Wat opa ook naliet, was een geweldige ver­zameling van, onder heel veel meer, tijd­schriften en bidprentjes. Het werd allemaal verbrand of bij het huisvuil gezet. Ik was nog te jong om veel te kunnen redden en warmde mij aan de gedachte dat oma bij ons zou kunnen intrekken. Het leven speelt soms een wreed spel.




Ma, het verhaal van een huisvrouw - 3 - "Waren jullie nog maar klein!"





"Ik zal nu wel gauw van oom Leo te horen krijgen of opa en oma's graf gehandhaafd blijft, vertelt ma in oktober 2000. Voor mij hoeft het niet per se. Ik bid nog dagelijks voor oma, maar zelfs van de beenderen zal na dertig jaar weinig over zijn. Ik vraag me echter af wat jíj er van vindt, Jo.”
Ma's vraag om raad is even ongewoon als het antwoord dat ik geef. Ik hecht aan het graf en ben het de jaren door blijven bezoeken. Volgens een goede vriendin laten oude mensen graven vervallen omdat zij vrezen dat die na hun overlijden zullen worden verwaarloosd.
“Dat laat ik aan jou en oom Leo over”, klinkt het uit mijn mond. “Jullie zijn de kinderen. Ik denk nog vaak aan oma, maar bezoek haar graf nog maar één keer per jaar – als ik er al kom.” Het is een correct antwoord, dat trots verzwijgt dat oom Leo's en ma's houding mij pijn doet. De grafsteen verdwijnt, maar ik blijf de plek bezoeken.

Als mijn makker Haşim en ik op dinsdag 10 januari 2012 op het kerkhof in de Ham aankomen, zijn de stoffelijke resten van opa en oma Hermans zojuist opgegraven. Vanaf een afstand zien wij hoe zij achter een haag samen in één kist worden gelegd. Oma is nog zo goed als intact, wordt ons verteld.
Het is een vreemde gewaarwording, overleden dierbaren van het kerkhof vandáán te halen. De kist staat op een open vracht­wagentje; er ligt een slordig zeil overheen. De snelste weg naar de Rimburgerweg blijkt over Duitsland te gaan. We maken een sur­realistisch uitje.
Oma hield van Eygelshoven. Het is goed, dat zij en opa er een waardige rustplaats krijgen. “Hier kunnen ma en jullie verder met elkaar ruziën”, schiet het door mij heen als we de kist in het graf laten zakken. Ik schaam mij om de gedachte en verjaag ze met een Onzevader.








Verschillend van karakter

Van pa herinner ik mij niet één minder gunstige uitlating over zijn ouders. Ik herinner mij ook niet dat hij ooit ook maar één keer ruzie met hen heeft gemaakt, terwijl hij hen toch wekelijks bezocht. Ook met ma's ouders heb ik hem nooit ruzie zien maken. Over ma's moeder herinner ik mij uit zijn mond niet één boze uitspraak. Op ma's vader viel af te dingen. Pa was zich daar goed van bewust. Maar ook voor opa Hermans' gedrag probeerde hij een verklaring te vinden. Pa was in dit alles ma's tegenpool. Hij was de grote verzoener, die, als de eerlijkheid of het mededogen hem dat gebood, ma's moeder eerder tegen haar dochter in bescherming nam dan zijn vrouw onvoorwaardelijk in haar onredelijkheid te volgen.
Met ma heb ik pa zeer geregeld ruzie zien maken, maar hij maakte haar niet zwart als zij er niet bij was. Pa en ma deden, als het eropaan kwam, in vurigheid niet voor elkaar onder. Alleen: voor pa kwam het er minder vaak op aan dan voor ma. Pa was een heel stuk rustiger, redelijker ook. Hij kon eerder denken: “Het is het niet waard, dat ik me er al te zeer over opwind.” Zijn stemming was gelijk­moediger, zijn karakter evenwichtiger. Pa had een harmonieuze persoonlijkheid, die hem overigens niet altijd behoedde voor onbillijkheid of onbegrip – maar daar zijn wij mensen voor.
In huize Schoormans-Hermans kon het er dan ook van tijd tot tijd heftig aan toe gaan, vooral in pa en ma's jonge jaren. Resie en ik hebben ons weleens afgevraagd waarom die twee bij elkaar bleven. Deden ze er niet beter aan, te scheiden? Ik weet niet of wij onze ouders die vraag gesteld hebben, maar hun antwoord zou zijn geweest: “Alleen al vanwege de kinderen kunnen ouders niet uit elkaar gaan: je kunt dat een kind niet aandoen!” Ma en pa hadden elkaar echter ook het jawoord gegeven: zij hadden elkaar eeuwige trouw beloofd. Eeuwig betekende voor hen eeuwig. Tot de dood hen zou scheiden, zouden zij lief en leed met elkaar delen.
Dit is evenwel niet het hele verhaal. Pa en ma zijn, bij al hun ruzies, de jaren door van elkaar blijven houden. Zij hebben zich nimmer kil jegens elkaar getoond. En er had niemand tussen hen kunnen komen. Naarmate ma zorgbehoevender werd en pa de rol van verzorger op zich nam, is hij zich nóg meer aan haar gaan aanpassen. Terwijl haar onbegrip toenam, nam zijn begrip toe. Ik vraag me dan ook af wat er zou zijn gebeurd als niet híj maar zíj als eerste was gegaan. In Amsterdam had ik een ruime kamer voor hem gereserveerd. – Van haar wist ik, dat ik haar nooit in huis zou kunnen nemen. – Had hij die kamer betrokken, of was hij de vrouw met wie hij zo innig vergroeid was spoedig achterna gegaan? Ik ben niet meer zeker van het antwoord.


  

Gedeelde waarden

Zo verschillend als pa en ma waren van karakter, zo ver­schillend waren zij ook van belangstelling. Pa interesseerde zich tot het laatst voor zeer veel: voor de kleine wereld om hem heen en voor de grote wereld van politiek, andere volkeren en culturen, geschiedenis en ruimtevaart. Ma's belang­stelling beperkte zich in hoofdzaak tot mensen en dingen in haar omgeving. De rest vond zij “maar stront”, tenzij het voor haar een persoonlijk gezicht had. Als ik tegen haar had gezegd: “Ik kom volgende week bij mensen in Sri Lanka die in een krot wonen”, had zij gezegd: “Hier is honderd euro. Geef hun die en doe hun de hartelijke groeten!” Ongevoelig voor leed op afstand was ma dus niet. Pa en zij liepen geen thuisloze voorbij zonder hem iets toe te stoppen en doneer­den voor projecten in de Derde Wereld, het Rode Kruis en zoveel andere organisaties.
Pa en ma's huwelijk dankte zijn hechtheid mede aan gedeelde waarden. Pa en ma waren er bijvoorbeeld van overtuigd dat ieder mens een onvervreemdbare waardigheid heeft, ongeacht zijn geslacht, seksuele geaardheid, land van herkomst, huidskleur, geloofs­overtuiging of cultuur.....mits hij een ander in zijn waarde laat. Mijn ouders hadden even veel (of weinig) begrip voor een koran-geleerde volgens wie overspeligen dienden te worden ge­stenigd als voor een paus of bisschop die homo­seksuelen de hostie weigerde.
Een volwassene was, zo dachten pa en ma, heel goed in staat om naar eer en geweten keuzes te maken zonder dat die hem door een rabbijn, molla, dominee of pastoor werden opgelegd. Pa en ma waren als vanzelfsprekend katholiek, maar waren even vanzelf­sprekend wars van dwingelandij. Over het geloof werd weinig gesproken; niemand hoefde plaats te nemen op Gods troon om van daar af over anderen te oordelen. Schriftgeleerdheid was pa en ma vreemd. Zij verachtten het zelfs, als iemand 'de Heer ontdekte' en zich dan beter achtte dan zijn medemensen. Het ging pa en ma niet om het woord maar om de daad. Als het zover was, zouden zij zich 'hierboven' voor hun doen en laten verantwoorden zonder beroep te doen op de Heilige Schrift.
“Ben ik mijn broeders hoeder?” Mijn ouders zouden deze bijbelse vraag hebben beantwoord met een: “Tot op zekere hoogte zeker wel.” Je kunt niet alle leed van de wereld op je schouders nemen, maar dat betekent niet dat het je onverschillig mag laten. Zeker niet als het zich in jouw omgeving voordoet. Ma en pa schoten een medemens-in-nood te hulp zonder daarbij aan religie te denken. Dat je je naaste bijstond, was voor hen vanzelf­sprekend. Even vanzelfsprekend was het om respect te hebben voor het leven van een dier – om een dier althans niet meer te laten lijden dan strikt noodzakelijk was. (Pa en ma hadden weinig gevoel voor vegetarisme en maakten korte metten met muizen en vliegen.) Ook bij ma kwam een huisdier niets te kort. Je was er per slot van rekening speciaal verantwoordelijk voor.
Ma en pa's gevoel van verantwoordelijkheid betrof in de eerste plaats hun kinderen en elkaar, misschien wel in die volg­orde. Beider ouders speelden er eveneens een belangrijke rol in, vooral voor pa; ma verloor de hare in 1970 en 1973, pa de zijne begin 1976. Voor hun kinderen was pa en ma niets te veel. Zij hielpen hen waar zij maar konden. Dat ging, zolang beiden sterk waren, heel ver. Soms ging het te ver. Pa en ma's verantwoorde­lijkheidsbesef werd dan als beknellend ervaren. Pa en ma hadden daar onvoldoende gevoel voor. Zij meenden het toch goed – wat kon daar mis mee zijn!? Een enkele keer kwam het tot langdurige onder­linge verwijdering. Pa en ma toonden zich één in hun ver­bittering: was dit hun loon!?


Oma en opa

Zoals het voor onze ouders en grootouders vanzelf had gesproken om kinderen te krijgen, deed het dat voor Resie en Co – zoals het dat ook voor mij zou hebben gedaan in een andere situatie. Bart werd geboren op 3 oktober 1982, Mark op 24 april 1984 en Astrid op 17 juni 1994. Het waren absolute hoogtepunten in het leven van pa en ma; zij voelden zich zielsgelukkig met een kleinkind op schoot.
Resie en haar gezin woonden zo'n zes, zeven kilometer van Eygelshoven vandaan. Ma en pa kwamen jarenlang weke­lijks op visite en brachten dan menig uur bij hen door. Pa trok heel veel met zijn kleinzoons op. Ma en hij leken met de geboorte van hun kleinkinderen een verjongingskuur te hebben ondergaan. Het was niet moeilijk, in hen de energieke ma en pa van Resie's en mijn kinderjaren te herkennen.

Ook bij mij kwamen pa en ma weleens op bezoek. Ik toonde mij minder honkvast dan mijn zus. In de jaren 1974-1981 woonde ik in Amsterdam, in 1981 een half jaar in Maastricht, vervolgens tweeënhalf jaar bij pa en ma, anderhalf jaar in Maastricht en een kleine vier jaar in Venlo; eind 1989 was ik in Amsterdam terug, ditmaal samen met Alfons, met wie ik een woning deelde.
In februari 1994 kregen Alfons en ik in de Bijlmer een pracht van een flat aangeboden. Wij hoefden pa en ma niet uit te nodigen om een kijkje te komen nemen. Ze waren er ineens, bepakt en gezakt. “Wij gaan pas weer naar huis, als jullie verhuisd zijn”, werd ons meegedeeld. Het tekende pa en ma, maar in dit geval was er meer aan de hand. Ma had een telefoontje gehad van een vrouw met wie pa en zij sinds tientallen jaren bevriend waren. Opeens was het aan de andere kant van de lijn stilgevallen. Pa had zich er naar toe gehaast, maar de vrouw had niet opengedaan. Zij bleek een hersenbloeding te hebben gehad en kon nu elk moment overlijden. Ma en pa waren hun woning dus ook ontvlucht.
Uitblazen was er echter niet bij. Er moest van de morgen tot in de avond worden gewerkt. Pa had een sterke lamp meegebracht die dat mogelijk maakte; de dagen waren immers kort, en pa en ma hadden geen rust. Op het nieuwe adres werd het behang van de wanden geweekt, werd rauhfaser geplakt en geschilderd, werden de plafonds gewit en werden vloeren geëgaliseerd, zodat er vaste vloerbedekking kon worden gelegd. Ma ging als een witte tornado door beide woningen. Na een week konden wij pa en ma uitgeleide doen vanuit een volledig opgeknapte en ingerichte nieuwe woning.




Samen bejaard

Ma en pa hebben dus geen dertig jaar lang naar de dood toe geleefd; je zou het door de ellende van de laatste jaren haast vergeten. Als echtpaar waarvan de kinderen uitgevlogen waren, hebben zij er nog vele jaren wat van kunnen maken. Pa was sinds januari 1980 vervroegd gepensioneerd; materieel ontbrak het ma en hem aan niets. Ze konden zich veroorloven wat zij wouen en sparen als nimmer tevoren.
Ma's collectie schoenen en jurken nam een ongekende omvang aan, ook al doordat zij van tijd tot tijd vond dat zij moest lijnen en dan drastisch te werk ging. Bij haar overlijden stonden in een kast wel vijftig paar schoenen van haar; veel ervan zal zij nauwelijks aan haar voeten hebben gehad, want, ook al had zij ze zelf gekocht en al waren ze nog zo duur geweest, er ontbrak in haar ogen al te vaak iets aan. Ik geloof niet dat pa hier ooit iets van gezegd heeft. Zijn Keet moest het vooral kopen, als zij iets mooi vond. Als zij zelf niet op pad kon, haalde hij in een modezaak in het dorp kleding op zicht, zodat ma thuis kon kiezen. Zelf wilde pa er ook netjes bij lopen, maar voor zichzelf schafte hij lang niet zo veel aan.
Terwijl pa zijn conditie op peil hield door tweemaal per week naar de sportschool te gaan, liet ma iemand aan huis komen voor orgel-les. Ik had de indruk dat het ma soms meer te doen was om de persoonlijke aandacht die zij van de muziekleraar kreeg dan om wat hij haar bijbracht. Later ging zij bij een koor buiten het dorp. Lid waren voornamelijk oudere dames die lekker, pretentieloos wilden zingen. Van ma begreep ik dat de dirigent het leiden van het koor beneden zijn waardigheid achtte en dat daar geregeld ruzie van kwam. Als in Kerkrade de jaarlijkse korendag werd gehouden, ging pa mee om het allemaal te filmen. Ma genoot ervan, als zij iemand thuis een optreden van haar koor kon laten meebeleven.
Lezen deed ma op haar oude dag nauwelijks meer, hand­werken – zij heeft nog een poosje kussens en kleedjes geknoopt – evenmin. Kruiswoordpuzzels oplossen deed zij des te meer. Het hield haar geest soepel. Over de televisie-programma's waarin allerlei lui verwanten en ex'en luidruchtig de afgrijselijkste ver­wijten maakten, hebben we het reeds gehad. Door het volgen van einde­loze soap-series bleek ma onbewust Engels te leren. Ik kon mijn oren niet geloven toen een Srilankaanse vriendin mij vertelde dat zij zich aan de telefoon met ma had onderhouden: ma had haar verstaan!
Terwijl ma in de voorkamer naar háár programma's keek, keek pa in de achterkamer met koptelefoon of geluidloos naar de zijne. Naar muziek-programma's keken zij samen. Ik had er heel wat voor over gehad, als ik beiden eens een keertje mee had kunnen nemen naar Sri Lanka (ik deed er onderzoek) of als wij samen Oostenrijk hadden kunnen bezoeken. De zangers en muzi­kanten waarvan zij genoten, traden immers op in een berg­landschap dat voor pa en ma een lust voor het oog was. Pa had ik er misschien nog naar toe kunnen krijgen, ma beslist niet. “Wij hebben vroeger niet gereisd – wij hadden daar het geld niet voor – en hoeven dat nu ook niet te doen.”
In Heerlen en Kerkrade-centrum kwamen ma en pa des te vaker. Zij liepen er over de jodenmarkt of langs de winkels. Pikten ze er ook weleens een terrasje? Ben je gek. “Vroeger hadden we er het geld niet voor.” “Jullie hebben het nu wel!” “Ja, maar niet om het weg te gooien. In de supermarkt krijg je een hele fles voor wat je op een terras voor één glas betaalt.” Einde discussie. Wat taxi's betreft, was het hetzelfde liedje. Als je moeite hebt met lopen, laat je je toch een keertje per taxi naar het stadspark in Kerkrade of naar de kerk van de heilige Gerardus in Wittem brengen!? Nee hoor, “wij geven ons zuur verdiende geld toch zeker niet uit voor een taxi!” Pa en ma waren het met elkaar eens.


Verschralend Eygelshoven

Als ik naar het dorp loop”, merkte pa op, “kom ik bijna niemand meer tegen die ik ken. Er toetert weleens iemand. Die zal ik dan wel kennen. Maar als iemand in zijn auto voorbij rijdt, kan ik niet zien wie het is. Pa had ook kunnen zeggen: “Er zijn in Eygelshoven weinig winkels meer.”
Van degenen die pa in hun auto voorbij zag tuffen, deed menigeen zijn boodschappen buiten het dorp, in een grote zaak met uitgebreide keus en lagere prijzen. Je wilt tenslotte geen dief zijn van je eigen portemonnee, nietwaar? Voor kinderen van winkeliers gold wat er voor kinderen van mijnwerkers gold: als het effe kan, kies je voor een minder arbeidzaam en risicovol leven dan je ouders, zeker als je in een ander beroep beter betaald wordt. Ook kinderen van kleine zelfstandigen gingen studeren. Familiebedrijfjes werden het ene na het andere opgedoekt.
Jongeren die 'in het noorden' aan een universiteit studeerden, keerden na afloop zelden naar Eygelshoven of Zuid-Limburg terug. Zeker na het sluiten van de mijnen en het mislukken van de (industriële) herstructurering viel daar – misschien met uitzonde­ring van Maastricht – moeilijk meer aan de kost te komen en nog moeilijker een passende baan te vinden. Zuid-Limburg heet in wervende reclames Balkon van Europa, de oude, Oostelijke Mijnstreek wordt Parkstad genoemd. Het is goed bedoeld, maar in een park of op een balkon kunnen maar weinigen een bestaan opbouwen.
Tot de weinigen die het kunnen, behoren drugsdealers. De wereld van de drugs is een harde. Enkelen die wij hebben zien opgroeien, belandden erdoor in de gevangenis. Eén van hen hing zich er op. We moeten oppassen dat wij van Eygelshoven geen karikatuur maken, maar vanaf een afstand werd ik er niet vrolijk van. Mensen uit de omgeving verhingen zich, een enkeling sprong van een flat of stak zich in brand. Het kwam ook in mijn Amsterdamse omgeving voor, maar van Eygelshoven viel het me tegen.....zo grote eenzaamheid, zoveel heimelijke wanhoop in een omgeving waarin mensen elkaar toch menen te kennen!
Eygelshovenaren hebben elkaar nooit goed gekend, vermoed ik. Ze konden het zich niet permitteren, hun buren diep in hun hart te laten kijken. Met de wereldwijde individualisering, de ongeken­de mobiliteit en de verspreiding van computers met hun social networking zullen de buren-contacten niet intensiever zijn gewor­den. Veel geboren-en-getogen Eygelshovenaren hebben het dorp verlaten; er zijn mensen van elders voor in de plaats gekomen. Het verenigingsleven heeft een flinke klap gekregen. Eygelshoven had in 1966 6600 inwoners. Hoeveel het er nu zijn, is moeilijk te zeggen: Eygelshoven hoort sinds 1982 bij Kerkrade, er wordt anders geteld. Eygelshoven-Kom, de Hopel en het Waubacherveld hadden in 2009 5500 inwoners. Dat wijst op een forse aderlating. In 2007 werden er veertig mensen geboren en overleden er vijfenvijftig.



Moreel faillissement

De begraafplaats aan de Rimburgerweg beleeft gouden tijden”, hoor ik u denken. Je verwacht het, maar het schijnt niet zo te zijn. “Veel Eygelshovenaren willen niets meer met de kerk te maken hebben”, verklaart iemand die het kan weten. “Zij willen niet eens meer kerkelijk begraven worden.” Overledenen gaan linea recta naar het crematorium; hun as wordt uitgestrooid.
Degene die het me toevertrouwt betreurt het, maar kan het zich wel voorstellen. Onder de kop Bange, religieuze man..... in de levensbeschrijving van ma's vader zullen wij kennismaken met het wantrouwen van Franciscaanse broeders jegens hun pupillen. Zij vonden het vervelend, dat zij tijdens een film­voorstelling niet konden zien wat de jongens met hun handen uitspookten. Laat nu uitgerekend broeders uit Bleijerheide ervan beschuldigd worden dat zij niet van pupillen af konden blijven! In heel Europa worden religieuzen van hoog tot laag beschuldigd van seksueel misbruik op grote schaal. In Nederland schijnen reli­gieuzen zelfs leerlingen die zich erover beklaagden te hebben laten opsluiten en castreren.
Wantoestanden zijn van alle tijden en culturen; ze zijn nooit helemaal te voorkomen. Ze worden echter vergemakkelijkt en houden lang stand in een gesloten en sterk hiërarchische cultuur. Het Tweede Vaticaans Concilie had in die cultuur enige verande­ring moeten brengen. In Nederland was de hervormingsbeweging bijzonder sterk en radicaal. Rome maakte haar kapot. Limburg kreeg in 1972 in Johannes Gijsen een bisschop die nauwelijks met andersdenkenden kon communiceren en die dacht en handelde in termen van autoriteit en rechtgelovigheid. In plaats van bruggen te bouwen, zoals de naam pontifex (Latijn voor bisschop) suggereert, sloopte hij ze. Wie het niet met hem eens was, was niet zuiver in de leer en mocht wat hem betreft uit de kerk wegblijven.
Eygelshoven en naburige dorpen kregen te maken met ortho­doxe priesters die menige gelovige te licht bevonden, die nog vóór aankomst ruzie maakten met hun nieuwe parochianen, die geen protestantse begrafenis wilden in “hun” kerk.....en die uiteindelijk het veld moesten ruimen, de een nadat hij een parochiaan zwanger had gemaakt, de ander omdat hij met zijn vriendin plezier had gemaakt met geld uit de armenkas, en weer een ander omdat hij duizenden euro's had gestolen die waren ingezameld voor het gezin van een vrachtwagenchauffeur die zijn leven had opgeofferd om dat van schoolkinderen te behouden.
Het schandaal was compleet toen conservatieve bis­schoppen het veld moesten ruimen vanwege seksueel misbruik waaraan zij zich zelf schuldig hadden gemaakt – (oud-)bisschop Gijsen werd tussen de bedrijven door beticht van onbetamelijk gegluur als surveillant op een internaat – , toen bleek hoeveel moeite de kerkelijke top en wereldlijke autoriteiten (tot gerechtelijke instanties toe) zich hadden getroost (en zich nog steeds getroosten) om zaken in de doofpot te stoppen en te houden.....en hoe onbelemmerd boos­doeners al zeden predikend vele jaren lang hun gang hadden kunnen gaan. De katholieke kerk is moreel failliet, vinden ook veel Eygelshovenaren. Dat zij momenteel gezegend zijn met een zielenherder die door parochianen terecht op handen wordt gedragen, valt hun misschien niet eens meer op.


Verdwijnende wereld

Bij Stevens (de radio- en lampen-zaak waarin ma werkte) keek ik altijd naar een grote kroonluchter”, vertelde ma in januari 1995. “Als je trouwt, krijg je die van mij, zei mijnheer Stevens. Ik heb hem niet van hem gekregen. Toen ik trouwde, werkte ik op de fabriek.” “Stevens zal niet eens geweten hebben dat wij trouw­den”, meende pa. Ma: “Nu kan Stevens ze mij niet meer geven.”
Stevens was allang dood, zoals zovelen uit pa en ma's jonge jaren. Als we zaten te eten, ging het er vaak als volgt aan toe. “Paaseieren, ja. Ik herinner mij niet dat wij vroeger met Pasen veel gevierd hebben. 's Avonds konden wij in de tuin een nestje maken. 's Morgens lagen daar enkele eieren in.” Terwijl ma dit op Paas­zondag vertelde, at zij bedachtzaam een speculaasje. (11 april 2004)
De ene gedachte riep de andere op. “Toen we na ons trouwen niet onmiddellijk in onze eigen woning konden trekken, hebben wij eerst bij oma en opa op zolder geslapen; daarna hebben wij een klein kamertje bij hen als tijdelijk onderkomen ingericht. Tiny en Wiel B zijn in de sacristie getrouwd. Tiny was immers protes­tant.” Tiny kwam net als ma uit Bleijerheide, en kwam ook aan de Kommerveldlaan te wonen. Tiny, Wiel van der S, Y van X, de familie B – van een paar mensen weten ma en pa dat zij zijn overleden. Wat is er met de anderen gebeurd: zouden zij nog leven? (januari 2001)
Precies een jaar daarna ging ma in gedachten de buurt na. “Hierachter hebben na elkaar twee politieagenten en de familie B gewoond. Naast hen – waar later de familie S woonde – woonden twee elektriciens. Tante Caroline en tante Mia woonden ook in die straat. De familie Roverts – buren van pa en ma – zijn ook allang weg. In het huis ernaast woont G in zijn eentje; wij zien hem nooit.” Ma glanst; het is allemaal nog maar pas geleden, dat het wereldje intact was. Even later realiseert zij zich dat zij al 45 jaar in dit huis woont. Wiel van der S is al een jaar of twintig dood.
Pa en ma's oude wereld brokkelde zienderogen af; het ging steeds sneller. Tante Mia ging, afgetakeld, in 1988, tante Carolien, die vaak bij ons op bezoek kwam, in 2000. Oom Piet verloren we in 1992, oom Frans in 1999 en oom Leo in 2004. Oom Ré, de man van tante Carolien, waren we al in 1969 kwijtgeraakt. De over­buren en hun buren, de naaste buren en hun buren, mensen verderop in de straat..... Ze verhuisden naar een bejaardenwoning of gingen dood. Neven en nichten idem dito. Naast pa en ma's banksaldo groeide hun verzameling bid­prentjes gestaag.
Ma en pa hadden grote bewondering voor buurtgenoten die jarenlang zorgden voor hun zieke partner. En die soms eerder overleden dan hun partner. Enorme waardering hadden zij ook voor mensen die bleven zingen terwijl zij leden. De reeds vroeg door ziektes geplaagde Paula H bijvoor­beeld. Terwijl haar man haar verpleegde, bleef zij de moed in eigen persoon. Zelf waren ma en pa op het laatst mee van de oudste bewoners van de ooit zo jonge Molenweg.


Fijn, bij pa en ma te zijn

Ik realiseerde me maar al te goed: dat ik pa en, vooral, ma gebukt zie gaan onder ouderdoms-gebreken is een luxe-probleem, waarvoor ik de hemel op mijn blote knieën mag danken! “Ik vond het fijn, vanmorgen bij pa en ma te zijn: je hebt dan even tijd voor elkaar”, noteerde ik op zondag 31 maart 1996. “Als je bedenkt hoeveel hun handen, die oud worden en verschrompelen, voor Resie en mij hebben gedaan! Ze verdienen dat wij van hen houden, en veel!”
In de tijd waarin ik dit schreef, beleefde ik avonturen die niet alleen voor pa en ma ongewoon waren. En waarover ik maar liever zweeg – en zwijg. Tijdens een bezoek aan ma en pa lichtte ik een tipje van de sluier. “In de ogen van pa en ma moet ik wel een bizar leven leiden, maar ze weten dat ze daar weinig aan kunnen veranderen”, lees ik erover in mijn dagboek.Ma waar­schuwt mij slechts voorzichtig te zijn. Rond zeven uur brengen pa en ma mij naar het station.” De trein bracht mij niet naar huis. De volgende dag deed ik ma over de telefoon verslag. Mijn gedrag verbijsterde haar. “Ik ben nu eenmaal geen type voor een klooster,” verklaarde ik. “Nee”, reageerde zij,dat zou wel héél erg zijn!”
Mijn ouders en ik waren bij alle onderlinge verschillen, loyaal aan elkaar. Het bleek telkens weer. In oktober 2002 vertelde ma dat ze in de Libelle of de Margriet, dames-tijdschriften die ik voor haar meenam, het verhaal had gelezen waarin een man zijn homoseksuele zoon afwees, althans diens homoseksualiteit niet aanvaardde. Ma vond het verschrikkelijk. Pa en zij konden zich niet voorstellen dat iemand om wat voor reden dan ook zijn kind afwees.



“Waren jullie nog maar klein”

Voor wat betreft ma was er echter nog een andere kant van de medaille. “Altijd als ik E zie, denk ik aan jou. Ik zou jou niet meer naar Rolduc (het gymnasium) laten gaan”, vertelde ma in hetzelfde gesprek. “Altijd als ik E zie, altijd als ik J zie, altijd als ik K zie, altijd als ik......” Hoe vaak ik dat niet uit de mond van ma heb vernomen. E was leraar; dat was ik met mijn mooie diploma's niet geworden. J, die niet zo goed had kunnen leren, was cursussen gaan volgen en had nu een eigen bedrijfje. K.....
Ik werd aan een stuk door gewogen en te licht bevonden. Geen enkele vergelijking viel in mijn voordeel uit. Ik werkte bij de thuiszorg, schrobde vloeren en waste oude mensen. Had ik daar­voor zo lang gestudeerd? Hadden pa en ma zich daar krom voor gelegd? Ja, ik schreef ook boeken en werkte voor tijdschriften. Mijn boeken kregen klinkende recensies, één ervan was op teevee vertoond, ik was korte tijd kind-aan-huis geweest in radio-studio's. Maar dat stelde toch allemaal niet zoveel voor. De boeken hadden me niets opgeleverd.
“Nee, Jo, jij zou niet meer naar Rolduc gaan. Als jij daar niet niet naar toe was gegaan, was jij ook niet naar Amsterdam gegaan: dan had jij nu hier in de buurt gewoond.” Het wilde er bij ma niet in, dat mij dat diep ongelukkig zou hebben gemaakt. En dat ik op mijn manier mijn draai had gevonden. Dat het voor mij een bewuste keuze was om niet het onderwijs in te gaan. Dat ik wilde schrijven. Dat ik me in Amsterdam op mijn plek voelde. En dat geld en carrière voor mij onbelangrijk waren.
Ma's eeuwige afkeuring deed ten langen leste niet meer pijn, ik ging er gewoon van kotsen. Ik heb moeten leren leven met het idee dat zelfs als ik minister-president zou zijn geworden, mijn moeder zou hebben gevraagd: “Waarom ben jij niet gewoon leraar geworden? En waarom woon jij niet in Eygelshoven?”

Ma handelde uit liefde – ik weet het en wist het. Mij is na haar overlijden ten overvloede door een vriendin van haar ver­zekerd hoe ma mij de jaren door heeft opgehemeld. “Trouw nooit met een man die niet zonder zijn moeder kan!”, voegde zij pa in hun jonge jaren toe. Zelf accepteerde ma niet dat haar jongetje man was geworden en zijn eigen weg had gezocht. Zij was hierin het volmaakte tegenbeeld van pa. “Waren jullie nog maar klein!” Het was ma's lijfspreuk. Als ik ma vertelde dat ik op reis ging, was haar reactie: “Ik ben blij als je terug bent.” Als ik terug was, informeerde ze niet naar mijn belevenissen, maar was het slechts: “Wat ben ik blij, dat je terug bent! Wat heb ik me een zorgen gemaakt! Jij gaat toch voorlopig niet meer weg!? Dat doe je je moeder toch niet aan!?” Ik mocht de wereld bij ma thuis brengen. Ze ontving iedereen even hartelijk: mijn vrienden uit Limburg, mijn vriendin uit Polen en mijn vriend uit Turkije. Maar zelf moest ik uit de wereld wegblijven.
Ik wist: het kwam voort uit moederlijke overbezorgdheid, die ook wel moederliefde wordt genoemd. Maar het maakte een normaal gesprek onmogelijk. Ik kon ma niet eens vertellen dat ik in mijn eigen omgeving een wandeling wilde gaan maken. Toch wilde zij voortdurend alles weten en zei ze: “Als je tegen me liegt, kan ik net zo goed dood zijn! Je moet je moeder alles vertellen!”
Ma had een ijzersterk geheugen. Tijdens haar leven ben ik een kleine dertig jaar wekelijks of om de twee weken tussen Amsterdam en Eygelshoven heen en weer gereisd. Ik deed het met de trein. Iedere keer weer opnieuw drong ma aan: “Jo, je moet nu gaan: jij mist anders de trein.” Op een dag zei ik: “Ma, ik heb die trein nog nooit gemist.” Dat had ik niet moeten zeggen: twintig jaar tevoren was de trein toch maar mooi voor mijn neus weg gereden. Ik was zelfs gevallen toen ik een sprint in had gezet. Was ik dat soms vergeten?




Zoveel moeite als het ma kostte om haar kinderen los te laten, zoveel moeite kostte het haar ook om los te komen van haar verleden. Ik denk ook niet dat zij daar enige moeite voor deed. Zij sprak over incidenten van vijftig, zestig, zeventig jaar geleden alsof zij de dag tevoren hadden plaatsgehad. “Toen heb ik X mijn citer (of dat boek of die grammofoonplaten) uitgeleend. Ik heb ze niet teruggekregen.” Als ik zei: “Ma, dat is al zo lang geleden en we hebben nu wat ons hartje begeert”, reageerde ze: “Ja, maar zoiets vergeet je nooit!” Ma vergat dus ook niet. Ze was een gevangene van haar verleden.
Over dat verleden vertelde ma weinig (en hoe langer hoe minder) positiefs. Toch leek zij er een romantische voorstelling van te koesteren en ernaar terug te verlangen. Ze zou bijvoorbeeld zonder blikken of blozen vertellen dat zij zich nergens gelukkiger had gevoeld dan in Bleijerheide en dat het o zo fijn was toen Resie en ik nog bij pa en haar inwoonden. Het had dan geen zin, om ma aan haar eigen verhalen te herinneren of erop te wijzen dat de jaren die wij samen hadden beleefd niet alleen rozengeur en maneschijn hadden gekend. De sleutel voor de tegenstrijdigheid schuilt mis­schien in een uitspraak van ma uit december 1998: “Het leven is niet meer zo mooi als je oud bent: je hebt geen doel meer.”


Ongeremd bergaf

Ma leek de laatste tien, twintig jaar van haar leven inderdaad nauwelijks meer een doel te hebben. Aan ziektes en kwalen had zij zich zo ver mijn herinnering reikt met overtuiging overgegeven. Tegenover iedere bezoeker die had geklaagd over welke ziekte of gebrek dan ook had zij gezucht: “Je zou míjn pijn eens moeten voelen!” Het hoorde bij ma; ik nam het niet meer serieus. Ik was ervan over­tuigd, dat ma's ziektes en kwalen invulling gaven aan haar bestaan; zij verzekerden haar op ieder gewenst moment van aandacht.
In ma's optreden zat een eindeloos en voorspelbaar patroon. Ze klaagde onophoudelijk over een kwaaltje dat haar verhin­derde om iets te ondernemen waar zij eigenlijk geen zin in had. Als ze na maanden of jaren naar de dokter ging en die constateerde iets, duurde het heel lang voordat ma zich eraan liet helpen. Na afloop weigerde ze behoor­lijk te revalideren.
Het netto resultaat was en bleef: afhankelijkheid tot op het hulpeloze af – en daarmee de mogelijkheid om haar partner tot in het absurde naar haar hand te zetten. Ik hoor pa en ma nu beiden luidkeels protesteren, maar ik ga nog even door. Door haar onver­antwoordelijke gedrag, waarop ma wellicht uiteindelijk haar greep heeft verloren, heeft zij niet alleen haar eigen sterke lichaam en geest maar ook die van pa stelselmatig gesloopt. Zij heeft pa mee het graf in gesleurd. Ik ben ervan overtuigd, dat beiden nog menig jaar hadden kunnen leven.

Voor de duidelijkheid: ma mankeerde wel degelijk iets. Reeds op de kalender van 1996 is een bibber in haar ooit zo mooie handschrift te zien: ma leed aan de ziekte van Parkinson. Haar vader had die vermoedelijk ook, maar bij hem is nimmer de diagnose gesteld. “Je hebt te veel aan de armen gegeven”, zeiden we als hij zat te bibberen. Ma's handen en gezicht beefden onop­houdelijk. Eten en drinken moet voor ma een kwelling zijn geweest. Probeer maar eens met bevende hand een mok koffie of een lepel soep aan je mond te brengen! Ma klaagde hier niet over. De ziekte moet haar stemming echter ongunstig hebben beïnvloed – zonder dat wij ons van de oorzaak bewust waren.
Ma had ook een hartkwaal. Toen pa en zij mij eind 1996 van Schiphol haalden – ik kwam uit Sri Lanka en had niet eerder zo'n lange en verre reis gemaakt – heeft ze waarschijnlijk onderweg een hartinfarct gehad maar is ze zo goed en zo kwaad als het kon door blijven lopen. In november 1997 onderging zij in het Acade­misch Ziekenhuis Maastricht een coronaire bypass-operatie. Haar ontslagbrief gewaagt van een achterwand-infarct in februari van dat jaar. In de Hoensbroekse Sint-Lucas-kliniek werkte ze vervol­gens onvoldoende mee aan haar revalidatie. Het bleef dus sukke­len.
Ma had op een gegeven moment ook suikerziekte, iets waar­mee je prettig kunt leven als je je er een beetje naar gedraagt. Ma peinsde er niet over. Hoewel ze heel veel medicijnen slikte, sloeg ze complete maaltijden over en pikte ze uit andere maaltijden slechts het ongezondste. Ze vertelde pa bijvoorbeeld hoe hij aardappelen, groenten, vlees en jus klaar moest maken, en at dan zelf alleen maar een bord jus, of aardappelen met jus, of een bakje vla of ijs. 's Avonds bakte ze soms vier tot acht kroketten of gehaktstaafjes voor zichzelf. “Doe dat nou niet”, bezwoer ik ma. “Eet alsjeblieft gezond! Je takelt anders af; je kunt zelfs dement worden.” Het leverde me de jaren door alleen maar ruzies op. “Ben jij ook tegen me?”, vroeg ma twee maanden voor haar overlijden aan pa nadat ik haar een goede raad had willen geven. Pa verzocht mij dringend om verder mijn mond te houden: ma deed toch wat zij wou.
Ma had last van staar, aan beide ogen. Dat is knap hinderlijk. Ma's wereld werd nog kleiner dan ze al was, maar er ging heel wat water door de Rijn vóór zij zich liet helpen. Ma werd eerst geopereerd aan het oog waarmee zij sinds 1953 het minste zag. Als het goed ging, zou het andere oog volgen. Het ging goed, vertelde ma de eerste week: van de operatie had zij weinig bespeurd en zij was meer gaan zien dan verwacht. De week daarop waren haar verhalen al minder positief. Als ma niet binnen een jaar de staar van haar andere oog liet verwijderen, zou zij blind worden, had de oogarts haar verteld. – Ik heb dit allemaal uit de mond van ma. – Liet zij zich aan haar andere oog helpen? Ik hoor het de hulpverlener nog vragen. “Nee”, klonk het uit ma's lachende mond.





Van gesprekken met hulpverleners heb ik aantekeningen gemaakt. “Ik kan niets meer”, zei ma op 29 november 2007. “De traplift, waarom wij hebben gevraagd, heb ik eigenlijk niet nodig: ik kan op mijn knieën de trap op kruipen en me op mijn kont naar beneden laten zakken. (…) Ik ben vanmorgen nog gevallen. (…) Bij mijn verzorging heb ik geen hulp nodig. (…)”
Ma bleek niets meer te kunnen lezen, geen teevee meer te kunnen kijken, niet eens meer op de hof te komen en, op de afwas na, geen enkele bezigheid meer te hebben. “Uw dag suddert aan”, concludeerde de hulpverlener. “Als er geen zingeving is, is dat bedreigend voor uw gemoedstoestand. U heeft prikkels nodig om zo lang mogelijk vitaal te blijven.”
Is het tot ma doorgedrongen? “Ik kan er niets aan doen, dat ik kreupel ben”, gaf zij terug. “We zijn 56 jaar getrouwd; je mag dan wel verlangen dat iemand achter je staat. Op 17 december kwam de hulpverlener opnieuw op huisbezoek. “Als dat het leven is, wil ik niet meer. Ik heb een ijzeren wil”, liet ma hem weten zonder hem aan te kijken. “Ik ben nooit voor vreemde mensen in huis geweest”, huilde zij. Ma weigerde zo goed als iedere vorm van thuiszorg, dagopvang of wat dan ook.


“Mond open en slikken!”

Eén keer heb ik radicaal ingegrepen. Dat was op 6 oktober 2007. Ma was in het ziekenhuis te Heerlen beland. Ze lag er op de acute-opname-afdeling. Zij was tot niets meer in staat, maar niemand wist haar mankeerde. Op een zaterdag, vlak voordat ik op de trein terug zou stappen – ik moest die dag in Leiden werken – ging ik nog even bij haar langs. Ma bleek volkomen verward; ze wist niet waar zij was en zag van alles wat er niet was. Ze had, als ik me goed herinner, al een poosje niet gegeten. “Ma gaat dood!”, schoot het door mijn hoofd. Huilend belde ik naar mijn werk op met de vraag of ik weg kon blijven.
Even later verscheen een verpleegster met eten aan ma's bed. Ma weigerde. “Uw moeder heeft geen trek”, besloot de verpleeg­ster. “Als ma nu niet eet, gaat zij dood”, lichtte het in mij op. “Maar ik wil helemaal niet dat zij dood gaat!” “Geef míj dat eten maar!”, zei ik tegen de verpleegster. Tegen ma zei ik: “En nou doe je je mond open! En slikken!” Ik heb een huilende en tegen­stribbelende ma jankend gedwongen om te eten, want ik wou haar niet kwijt. “Ik houd veel te veel van haar om haar zomaar te laten gaan”, realiseerde ik me enigszins verbaasd.
“We hebben de indruk dat het bij mevrouw voornamelijk tussen de oren zit”, vertelde een dokter ons een paar dagen later. “Ze heeft bovendien een medicijn-vergiftiging.” Ma mocht het zieken­huis uiteindelijk verlaten op voorwaarde dat zij naar een kliniek ging om te revalideren en daarna thuishulp zou accepteren. De belofte was gauw gedaan. Ma was nog geen drie dagen in de kliniek, of zij kon alweer traplopen; ze wou immers zo gauw mogelijk naar huis! De thuiszorg wist ze daarna nog een poosje buiten de deur te houden.
Bij thuiskomst trof ma de woning vers behangen aan. Pa, oom Paul en tante Maria hadden daar in allerijl voor gezorgd, zodat ma er geen last van had. Ziehier haar verhaal. “Pa wilde mij niet naar huis hebben, want hij wou de woning opknappen. 'Nee', zei de dokter tegen hem, 'daar zijn wij niet voor: wij houden uw vrouw niet langer dan noodzakelijk!'” Als we ma vertelden hoe ze er bij had gelegen..... Hoe verzonnen we het!? Ma's realiteitsbesef was er geen geval op vooruit gegaan.





Weinig weerbaar

Ma gaf het niet graag toe, maar het huishouden dreef de laatste jaren bijna volledig op pa. Hij was nog sterk, maar miste de weerbaarheid van weleer. Tijdens pa en ma's laatste bezoek aan mij, in juni 2005, viel mij op hoe onzeker pa zich op het station toonde; ik was dat van hem niet gewend. Het trad schril aan het licht bij de renovatie van hun woning. Mijn ouders ondergingen de ellende lijdzaam, maar ik kon het ten langen leste niet meer aanzien. Mijn brief aan het woningbedrijf van 17 maart 2008 spreekt boekdelen. Hier komt-ie, enigszins bekort.
Hierbij breng ik onder uw aandacht dat mijn ouders – beiden over de tachtig en mijn moeder zwaar ziek – door de renovatie van hun keuken al langer dan een week zonder warm water zitten en dat zij al die tijd ook niet hebben kunnen koken. En dat het einde hiervan niet in zicht is doordat uitvoerders voortdurend afspraken niet nakomen en mijn ouders in het ongewisse laten. Ik verzoek u om vandaag nog in actie te komen, zodat aan deze beschamende toestand een einde komt.
Het gaat om het echtpaar dat u een half jaar geleden een bloemetje en een cheque voor een maand gratis wonen bent gaan aanbieden omdat het al meer dan vijftig jaar in een woning van Wonen Heuvelsteden woonde. Vlak tevoren was hun een woning­renovatie aangeboden, zodat zij in hun oude, vertrouwde omge­ving konden blijven wonen. Bij die gelegenheid heeft u een foto van beide echtelieden, mijn ouders, gemaakt. U heeft die foto zelfs gepubliceerd.
Welnu, tot een renovatie van de badkamer is het inderdaad snel gekomen, waarop de gemeente Kerkrade instemde met de aanleg van een traplift en daar ook toe overging. Nadat de bad­kamer gerenoveerd was, zou er een nieuwe keuken komen en zou er centrale verwarming worden aangelegd. Het idee was afkoms­tig van uw woningbedrijf; mijn ouders hebben er na enige aarze­ling mee ingestemd.
De centrale verwarming werd eind vorig jaar aangelegd.... op de verwarmingsketel na. Die laatste zou pas kunnen worden geïnstalleerd bij de renovatie van de keuken, die was voorzien voor december 2007.
Toen ging het mis. De uitvoerder liet weten dat de keuken-renovatie hem ongelegen kwam. Mijn ouders wilden niet lastig zijn en stemden ermee in, dat de renovatie na de feestdagen zou plaatsvinden. Het werd uiteindelijk....maart.
Vorige week maandag, 10 maart, kwamen werklieden om het aanrecht, de keukenkastjes, het gasfornuis en de geiser weg te halen, de schoorsteen weg te breken en de wandtegels te ver­wijderen. De rest van de week hebben mijn bejaarde ouders vooral vergeefs zitten wachten op werklieden. Iedere dag weer opnieuw wachtten zij vanaf 's morgens acht uur op iemand die zou komen, maar meestal niet kwam of maar een paar uur kwam.
Vandaag – zo was hun toch echt beloofd, maar ditmaal echt heel echt – dat er 's morgens een tegelzetter zou komen. Morgen konden dan het keukenblok en de verwarmingsketel worden geïn­stalleerd. De tegelzetter kwam niet opdagen. Er verscheen wel een opzichter, die beloofde dat er in ieder geval 's middags iemand zou komen. Ook die persoon verscheen niet; mijn ouders werden opnieuw niet op de hoogte gesteld, zodat zij voor de zoveelste keer vergeefs zaten te wachten.
Mijn ouders moeten zich sinds ruim een week wassen met water uit een waterkoker. Er is geen duidelijkheid over hoe lang dit nog zo gaat duren. Zitten zij met de Pasen nog in die toestand, zodat zij zich dan al twee weken niet behoorlijk hebben kunnen wassen? Het gaat om trouwe huurders, die altijd hun verplich­tingen zijn nagekomen en die zich altijd bescheiden hebben opgesteld. Dit kunt u toch niet toelaten!?


Is dit werkelijk alles!?

Tijdens de woning-renovatie toonde ma zich van haar sterke kant: zij klaagde weinig, terwijl zij er toch heel veel hinder van ondervond. Ook tijdens Haşims eerste bezoek aan Nederland (maart/juni 2010) beleefden wij samen met ma menig fijn moment. Wij kwamen wekelijks in Eygelshoven en logeerden er meermaals. Van het mooie portret dat ik in mei van ma maakte, vreesde ik evenwel dat het het laatste zou zijn.
De mooie momenten waren immers schaars aan het worden. De laatste jaren zagen wij een ma die wegzonk in gesuf en gedommel. Opvallend was ook de ma die pa in het rond comman­deerde. Die hem letterlijk geen vijf minuten rust gunde. Die het normaal vond dat haar man niet eens meer in de tuin kon komen – om van de sportschool maar te zwijgen. Die hem vertelde wat hij moest koken. Die, als het eten klaar was, zei dat ze niet hoefde te eten. Die dan, als we zaten te eten, vroeg of zij niets kreeg. Ze wilde dan iets dat moest worden klaargemaakt, zodat pa's eten koud werd. Die van pa beweerde dat hij vreemd ging of dat iemand een oogje op hem had, zodat ik vrienden moest vragen om pa en ma alsjeblieft niet meer te bezoeken.





En die ons op de koop toe sarde. “Ik wil dit jaar geen kerstboom”, zei ma een maand vóór haar overlijden. Het ging haar helemaal niet om die kerstboom: ze zocht tegenspraak, misschien wel omdat zij daar aan gewend was en het haar een vertrouwd gevoel gaf. Ik heb het een keer uitgeprobeerd door niet te reageren op een provocatie van ma. “Heb je niet gehoord wat ik zei?”, informeerde ze. Ze leek teleurgesteld toen ik zei dat ik haar had gehoord, maar daar verder niet op inging. Pa bedelde ma eindeloos of zij niet toch een beetje wilde eten. Ze vond het niet fijn, als ik zei dat ze “nee” had gezegd en dat zij oud genoeg was om voor zichzelf te beslissen.
Ik kom nooit ergens”, luidde een gevleugelde uitspraak van ma. Het kostte een eeuwigheid om een rolstoel zelfs maar in huis te krijgen. Toen hij er eenmaal was, wilde ma er niet in, wantde mensen denken dadelijk nog dat ik kreupel ben” en “ik kan een oude man toch geen rolstoel laten duwen!” Als ik zei dat ík die rolstoel wilde duwen, of dat die rolstoel op een accu liep, zei ze: “Ik hoef nergens te komen, ik ben tevreden.” Het gevolg was dat ook pa de deur nauwelijks meer uit kwam, want hij wilde ma niet alleen laten.
Ma maakte onbeperkt gebruik van pa's verantwoordelijk­heidsgevoel. Op een dag kreeg pa een telefoontje van zijn broer Ad: of hij en ma op de gouden bruiloft van tante Cor en hem aanwezig zouden zijn. Pa wist van niks. “Heb jij onze uitnodiging dan niet ontvangen?”, vroeg oom Ad. Ma bleek de uitnodiging te hebben verstopt: zij ging niet, want ze was daar te ziek voor; en ze kon niet alleen blijven. Resie bood aan om bij ma te komen zitten, zodat pa naar het feest kon. Ma wilde er niet van weten. Het is er ook niet van gekomen.

Het typeert de verhoudingen, en niet alleen in ma's laatste levensfase, al was het toen nóg extremer dan voorheen. In haar laatste jaren was ma nog minder dan voorheen bereid om iets van haar leven te maken. “Dit kan toch niet alles zijn!?”, heb ik mij menigmaal vertwijfeld afgevraagd. “Er moet voor ma toch meer uit het leven te halen zijn?” Ma kon het niet, of wilde niet. Het was een bittere conclusie, waarmee ik me slechts met de grootst mogelijke moeite kon verzoenen: al wordt ma honderd, van haar leven zal zij weinig meer maken!



Onverwacht slot

Het einde heeft mij desalniettemin verrast. Ik heb het wel en niet zien aankomen. Mijn verstand zag van alles, maar ik had mensen vele jaren lang zien aftakelen, tot er zo goed als niets van hen over was. Het had mij niet verbaasd, als ma negentig was geworden. Op het laatst durfde ik echter geen hele week meer weg te blijven. Ik reisde soms zes uur of meer om twee uur bij pa en ma te kunnen zijn en bleef er bij voorkeur slapen. Ik maakte bovendien foto's van ma's aftakeling, alsof ik mijzelf met de neus op de feiten wilde drukken. Tegelijkertijd wilde ik het niet zien, wilde ik in ieder geval niet dat het ten einde liep. Ik heb mij weleens afgevraagd of ma, als zij toch niet meer wilde, niet beter in 2007 had kunnen sterven. Diep in mijn hart wilde ik haar echter niet kwijt. Ik wil het nog steeds niet.
Op 18 augustus 2010 vierde ma haar 83ste verjaardag. De dag werd slechts ontsierd doordat ik pa en ma moest vertellen dat ik de 23ste dringend naar Turkije moest. – Ik had lang gewacht met die mededeling om al te lange en heftige scènes te voor­komen en om te voorkomen dat ma in bed bleef liggen. – Daags voor mijn vertrek overleed mevrouw Roverts, die jarenlang naast ons had gewoond. In Turkije vernam ik dat ma haar bed niet meer uit kwam. Ik hoefde me echter geen zorgen te maken en deed dat ook niet, want het was eerder vertoond. Ik was er zelfs een keer vervroegd voor uit Turkije teruggekeerd
Ditmaal stond ma na mijn terugkeer (op 3 september) niet op. Dat was ongewoon. Het werd nog ongewoner toen ma ook de komende weken niet uit bed kwam. Ma's bed verhuisde naar de woonkamer. Dat van pa volgde weldra, zodat hij ma dag en nacht kon blijven verzorgen. De bezoekende therapeut, die ma op gang moest zien te krijgen, kreeg steeds vaker nul op het rekest. Een dokter kwam er niet of nauwelijks aan te pas. Hulp van de thuiszorg werd mondjesmaat toegelaten om ma te helpen verzorgen.
Ma was te zwaar om te tillen en dreigde doorlig-plekjes te krijgen. Vanwege de thuiszorg kwamen een ziekenhuisbed-met-watermatras en een tillift in de woonkamer te staan. Ma verzette zich hier tegen. De matras verdween al gauw; de doorlig-plekjes lieten niet lang op zich wachten. De tillift deugde niet. Daarom kwam er een andere, waarna er weer een andere kwam, die evenmin werd gebruikt. Pa hielp ma, die zei dat zij niet eens meer kon staan, zonder tillift uit bed. Hij verschoof haar ook in bed zonder speciaal laken, want ma was ook van dat eenvoudige hulpmiddel niet gediend.

Wat mankeerde ma eigenlijk? We hebben dit niet uit de mond van een dokter, maar ik vermoed dat het een depressie is geweest. Ik heb er ook rekening mee gehouden, dat ma mij aan het chanteren was. Zij wilde niet dat ik nog naar Turkije ging en kan mij op die manier hebben willen tegenhouden. Ik weet het echter niet en kon mij ook niet laten weerhouden.
Ma houdt mij niet langer in gijzeling, ook niet via pa, noteerde ik op 23 september toen ik tijdens een slaapdienst 's avonds niet tot rust kon komen. Als ma niet aan haar herstel mee wil werken en alle hulp van buitenaf weigert, en pa laat dit toe, is dat hún probleem. (…) Ma heeft er alles aan gedaan, om haar gezondheid te ondermijnen en normaal functioneren onmogelijk te maken. Goede raad leverde alleen maar ruzies op. (…) Resie belde me vandaag op mijn werk. Ik moest maar naar Turkije gaan zonder pa en ma iets te vertellen, zei ze. Ik moest me vooral goed amuseren, want ma is ons voor de gek aan het houden, en niet voor het eerst. Resie zou wel wekelijks bij pa en ma langsgaan.
Op 5 oktober zat ik opnieuw in het vliegtuig. Tegen pa en ma had ik gezegd dat ik een week lang buitengewoon veel op mijn werk moest zijn, zodat ik niet bij hen op bezoek kon komen. Het werd een bliksembezoek, tijdens welk Haşim en ik het eerste inburgeringsexamen en de visumaanvraag ternauwer­nood voor mekaar konden krijgen. Ma belde ik om de andere dag op. En dan hoopte ik maar dat tijdens ons gesprek geen oproep tot gebed van de moskee zou komen, of dat iemand mij in het Turks zou aanspreken.

Pa had inmiddels besloten dat ma en hij niet op de oude voet verder konden: ze zouden proberen een in Eygelshoven nieuw te bouwen bejaarden- of aanleunwoning te bemachtigen. Daar was ook meer hulp in de buurt. Als ma zich echter tegen meer hulp zou blijven verzetten, kwamen zij niet voor zo'n woning in aanmer­king. Op 18 november hadden wij daarom een moei­zaam en pijnlijk gesprek met een maatschappelijk werker. Toen ik die dag huiswaarts keerde, nam ik afscheid van een ma die des duivels was en een pa die weer perspectief zag. Vier dagen later, een maandagochtend, werd ik aan het eind van een rusteloze slaap­dienst opgebeld door een medewerkster van een zorginstelling. Was de extra hulp nu al geregeld? Nee, pa was overleden!

Er volgden vier waanzinnige dagen waarin van alles voor de overleden pa en de zieke ma moest worden geregeld. Voor ma werd voor dezelfde dag nog een verpleegkliniek gezocht, was mij verteld. Vanuit de trein had ik echter laten weten dat ik zolang pa in huis was voor ma wilde zorgen. De eerste nacht moesten we het tegen de zin van ma zonder pa stellen: zijn lichaam zou in een uitvaartcentrum netjes worden opgemaakt en gekoeld, opdat het bij vrij hoge kamertemperatuur toonbaar bleef. De overige nachten rustten wij samen: pa en ma in de voorkamer, ik in de achter­kamer.
Aan de thuiszorg hadden wij weinig. Er werd soms aangebeld als ik ma net verzorgd had of als ma lag te slapen. Om iemand bij ma te laten waken, was een nieuwe indicatie vereist. Ik lag en zat dus uren te waken. Ma's ademhaling was soms zo onregelmatig, dat ik dacht dat zij ieder moment kon sterven. Als ma terminaal was, kon zij misschien naar een hospitium of kon ik tot na haar overlijden bij haar blijven. Ma wilde alles liever dan naar de Hamboskliniek, die op haar wachtte. En ik had haar nog wel een aantal weken willen verplegen. Telkens echter als er een dokter bij werd gehaald, veerde ma overeind, zodat er niks aan de hand leek. Omdat ik op een gegeven moment aan mezelf ging twijfelen, heb ik een verpleegkundige van de Hamboskliniek opgebeld. Zij had ma gezien. Beeldde ik mij in dat ma terminaal was? “Nee”, luidde het antwoord, “ik heb het schriftelijk gerapporteerd.
Ma's verpleging was slopend. Dat heb ik in korte tijd ervaren, terwijl ik toch 29 jaar jonger ben dan pa. In één nacht ben ik in tijd van twee uur vijf keer voor ma opgestaan. De eerste keer had zij zich­zelf en haar bed bevuild. Dat vond ik niet erg. Ik heb ma uit bed getild en op een po-stoel gezet, ik heb haar gewassen en in een schone nachtjapon geholpen, haar bed verschoond en haar in bed terug getild. Een half uur later heette het weer: “Jo, ik moet plassen.” Ma bleek niet te hoeven. Zoiets kan gebeuren. Een half uur later en weer een half uur later en weer een half uur later..... Toen heb ik gezegd: “Ma, dit moet je niet doen. Als jij echt moet plassen, help ik jou graag. Maar ik wil niet dat jij mij voor niets op laat staan, want ik wil hier niet naast pa komen te liggen!” Pa zou dit nooit hebben gezegd.
Ma wilde niet meer. Zij is algauw opgehouden met eten en drinken en medicijnen innemen. Ik heb niet bij haar aangedron­gen: ik had haar geen menswaardig bestaan meer te bieden. Als ik naar haar ademhaling luisterde, dacht ik: “Nu zorg ik nog voor je. Voor mij ben jij, behalve een lastig mens, ook mijn moeder. In de verpleegkliniek ben je straks alleen nog maar een lastige cliënt.” Ik vond het geen prettige gedachte, de zorg aan vreemden te moeten overgeven. Pa had het ook nooit gewild. En ma zei: “Ik ga niet naar de Hamboskliniek – ik ga dood!”Ma”, heb ik in een van haar laatste nachten tegen haar gezegd, “Resie en ik houden heel veel van je. Pa en jij hebben altijd goed voor ons gezorgd. We hebben het samen goed gehad. Maar als jij nu naar pa wilt, begrijpen wij dat. Wij dringen jou niets meer op: geen eten, geen drinken en ook geen medicijnen.”
Op vrijdag 26 november leek het einde nabij. Ma vroeg om haar moeder alsof die nog leefde en.....noem de clichés maar op. Ik kon het niet benoemen, maar het klopte niet – en het was misschien goed zo. Een beetje tegen mijn zin, belde ik in de namiddag een dokter. Die constateerde dat ma's bloeddruk, hartslag en zuurstofopname in het bloed perfect waren. Ik voelde me belazerd. Resie zag het aan mijn gezicht. Lag ma nu nog toneel te spelen? Ze vroeg om naar de wand te worden verlegd terwijl zij zich naar voren trok. Ze vroeg om naar het hoofdeind te worden verlegd terwijl zij naar het voeteneind kroop. Ik heb tegen ma gezegd dat ik haar zo niet kon helpen. Zij had tenslotte alle hulp­middelen laten verdwijnen.
's Avonds om zeven uur was er in de kerk een avondwake voor pa. Nu ma kennelijk toch niet zoveel mankeerde, liet ik buurtgenote mevrouw Wolak, die zich sinds maanden betrokken had getoond, met haar alleen. Na anderhalf uur kwamen wij thuis: Resie met haar man en zoon Mark, en mijn goede vrienden Alfons, Sander en John. Beide laatsten wilden ma condoleren en afscheid nemen van pa; Alfons zou tot na de begrafenis bij mij blijven. “Hoe moet dat nu morgen?”, vroeg Resie. “Als ma dat wil, gaat zij pa mee begraven”, antwoordde ik. We waren immers op alles voorbereid: er zou een soort van ambulance komen, ma kon liggend de uitvaartdienst bijwonen. Voor het geval zij niet kon, zou mevrouw Wolak bij haar blijven en kon ma naderhand de foto's bekijken. (Er was zelfs een fotograaf geregeld.) “Toch wil ik dat er een dokter bij komt”, hield Resie aan.
Louter om Resie gerust te stellen, belde ik de nightcare. “U hoeft zich niet te haasten”, zei ik. Terwijl ik het uitsprak, keek ik nog eens naar ma. “U moet zich wél haasten”, verbeterde ik me, “mijn moeder gaat dood!” Ik zag ma razendsnel heengaan. Ik rende naar haar bed, greep ma's handen en riep: “Ma, het spijt me, als ik jou onrecht heb gedaan! Het spijt me, als ik onheus ben geweest, als ik jou niet heb begrepen! Ma, wij houden van je!” Ma keek mij aan, maar ik weet niet of zij mij nog verstaan heeft. Ma gleed van ons weg, naar pa – de eeuwigheid in. We waren haar kwijt, de vrouw die vaak moeizaam door het leven was gegaan en die Resie en mij ons leven had geschonken.