Posts tonen met het label worsteling. Alle posts tonen
Posts tonen met het label worsteling. Alle posts tonen

zondag 11 augustus 2013

Vader van zes kinderen en homoseksueel: "Ik kon toch niet op mijn sterfbed tegen mijn vrouw en de kinderen zeggen dat ik hen mijn leven lang had belazerd!?"

Ik ben een uitzondering in die zin, dat ik een fantastisch leven achter de rug heb, al heb ik vanaf mijn twaalfde jaar homoseksuele gevoelens gekoesterd en ben ik door kerk en maatschappij een andere richting uit gedrongen. Ik heb een vrouw vol begrip gevonden en mijn hele familie accepteert mij zoals ik ben.” Dat zegt de 69-jarige Frits Overwijck. (De naam is verzonnen!)
Het kan ook anders. Overwijck: “Toen wij laatst in een dorp voorlichting gaven over homoseksualiteit, vertelde men ons het verhaal van een 72-jarige man die onlangs voor het eerst tegen enkele mensen had durven zeggen dat hij homoseksueel was. Zijn leven lang had hij nooit iets durven laten merken, hij had nog geen kus gewisseld met een man. Kerk en samenleving hadden zijn leven dus helemaal verknald.” Hoe zoiets in zijn werk kan gaan, heeft Overwijck zelf ondervonden.

Frits Overwijck werd geboren in 1919 en groeide op in een dorp aan de zee. Bij de dood van zijn moeder was Frits vier jaar en telde het ouderlijk gezin zeven kinderen. Door het tweede huwelijk van zijn vader kwamen er acht kinderen bij. Overwijck herinnert zich die jaren als een heerlijke tijd. Een tijd van onschuld bovendien, waarin hij met zijn vriendje Pim door de duinen dolde en zij elkaar konden knuffelen zonder dat iemand daar iets slechts bij dacht.
Dit gevoel van onschuld bleef toen Frits rond zijn twaalfde jaar in Amersfoort op een kostschool terechtkwam. De jongens vonden het wel vreemd, dat zij door de directeur – nota bene een geestelijke – verwelkomd werden met een exposé over hoe zij zich tussen de benen moesten wassen. Daar was bij Frits thuis, toch een keurig katholiek huishouden, nooit over gerept. “Over wat onder de tafel zit, praten wij niet”, zei zijn vader weleens. Hier was dat kennelijk anders. Het zich-wassen vormde er een heel ritueel. Als dat moest gebeuren, trok een broeder met een stoet knaapjes naar een grote ruimte, waar in het midden een teil stond met.....zwembroekjes. Iedere jongen pakte zo'n broekje en ging ermee een van de vele washokjes binnen die het lokaal rijk was. Voor ieder hokje was een deur met daarin een kijkgat voor het spiedende oog van de broeder. Die controleerde namelijk of het allemaal volgens de regels gebeurde: het zich uitkleden, snel het zwembroekje aantrekken en dat alleen even naar beneden doen om zich snel tussen de benen te wassen. Een gebeurtenis, kortom, waarbij het Kwaad op de loer lag.
Dat Kwaad lag, zo ervoeren de jongens, ook op de loer tijdens wandelingen. Alleen al de aanblik van meisjes kon onkuise gedachten bij je oproepen; je kon dan ook beter niet naar hen kijken. Op een feest van hun overste gaven de broeders eens een filmvoorstelling. Dat was voor die tijd een hele gebeurtenis. Ineens verscheen de hand van broeder-overste voor de lens. Het licht ging aan, de film werd een eindje doorgespoeld. Even later hetzelfde tafereel. En helemaal aan het eind van de film weer, maar toen hield de broeder zijn vingers gespreid, zodat de feestgangers zicht hadden op wat hun onthouden diende te worden: een man en een vrouw die elkaar een zoen gaven. De zaal bulderde van het lachen en menige broeder had moeite om zijn lachen te verbergen.

Onderwijl ging het leven met zijn ups en downs zijn gewone gangetje, ver van huis, waar je op den duur een vreemde eend in de bijt werd. Frits en zijn maatjes leefden meestentijds in een mannenwereld, ook toen zij naar een Haags internaat van de jezuïeten verhuisden. Overwijck noemt het “een militair-drillende samenleving”. Maar ook daar blijf je mens en heb je zo nu en dan behoefte aan tederheid. Overwijck: “Je zag er dat jongens een verhouding met elkaar hadden, zij het een beetje stiekem. Je begreep het allemaal ook nog niet: het beestje had nog voor niemand een naam. Je vond het gewoon zalig als iemand zijn arm om je heen sloeg of, later vooral, bij je in bed kroop.”
De jezuïeten zorgden er voor, dat het beestje een naam kreeg: doodzonde. “Toen ik een jaar of vijftien was”, herinnert Overwijck zich, “hoorde ik van een jezuïet dat je hel en verdoemenis dreigden als je homoseksualiteit bedreef.” Bij de vrome, argeloze Frits kwam dit hard aan, te meer daar hij ging beseffen dat hij, in tegenstelling tot anderen, jongens niet als surrogaat voor meisjes beschouwde. Hij herinnert zich niet dat jongens de ideeën van de jezuïeten openlijk of onderling ter discussie hebben gesteld. “Wij hadden nergens een mening over”, verklaart hij, “en mochten die ook niet hebben. De regels kenden geen enkele uitzondering; iedereen moest in een strak stramien lopen. Ik heb mij daar bij neergelegd en ben dus door het verhaal van die jezuïet van het ene moment op het andere in een grote zondaar veranderd.”
“Je kon die genegenheid toch niet missen in die wereld”, vervolgt hij, “de aandrang bleef. Ik ging door op het slechte pad, was dus in godsnaam maar een zondaar en ging vaak niet ter communie. Ik heb me wel altijd afgevraagd waarom ik niet van een jongen mocht houden, maar kwam er niet toe te zeggen dat de jezuïeten het bij het verkeerde eind hadden. Als ik ging biechten, zwamde ik eromheen. Dat op zichzelf was al een doodzonde. Ik raakte in een angstpsychose, want wat zou er van mij terechtkomen als ik plotseling stierf?! Ik kon echter geen details biechten, want dan zou ook de ander de klos zijn geweest. Van de biechtvader van een lieve jongen die ik had geknuffeld, kreeg ik een donderpreek te horen.”
De jonge Frits ging zich verdorven voelen en een verworpen viezerik. Er was niemand met wie hij over zijn gevoelens kon praten en hij schrok ervoor terug om vrienden te maken. Dat laatste zou hem lang parten blijven spelen. “Ook van anderen heb ik die verwrongenheid gehoord”, zegt hij. “Kussen of omarmen, daar kon god-weet-wat van komen!”

Frits Overwijck had de kerkelijke waarden verinnerlijkt en had niets om die mee te vergelijken. Homoseksuelen durfden ook nog nauwelijks naar buiten te treden, zodat zij het idee moesten hebben (vrijwel) alleen te staan in hun gevoelens. “Als ik dan toch nooit een vriend voor een fijne, eerlijke homofiele relatie zal vinden, moet ik maar priester worden!”, besloot Frits. Zo belandde hij op het Bisschoppelijk College te Weert. Het bleek er de jongens verboden te zijn, hun vrije tijd alleen of met zijn tweeën door te brengen. Dit om het ontstaan van 'bijzondere vriendschappen' tegen te gaan. Of men daar volledig in slaagde? Overwijck: “Ook in Weert heb ik mensen in tedere omhelzing gezien.”
Frits nu had geen priesterroeping en kwam terug in de burger­maatschappij, waar hij zijn toekomstige vrouw ontmoette. “Ik was twintig jaar”, legt hij uit, “en wist al wel dat mijn seksuele gevoe­lens voortkwamen uit een geaardheid en dat er nog wel meer van die geaardheid waren. Ik vond het echter niet normaal: het moest, zoals veel ziekten, een afwijking zijn. En ik dacht: als ik toch niet zó mag zijn, trouw ik met een vrouw die ik erg aardig vind. Ans is inderdaad een schat van een meid gebleken; ik heb nog steeds een goede verhouding met haar. Zij had meer vriendjes gehad en voelde dat er iets aan de hand was, ook al omdat ik iedere week ging biechten. 'Troost zoeken bij mijzelf', noemde ik het in de biecht­stoel, maar geen geestelijke hielp mij.
Ans miste iets in mij: ik reageerde op bepaalde dingen niet normaal. Twee keer is het uitgegaan. Tussendoor ben ik een jaar in Indië (Indonesië) geweest, waar ik als oorlogsvrijwilliger heen was gevlucht. Ans is altijd de enige geweest bij wie ik mijn hart kwijt kon. Bij onze derde kennismaking toonde zij zich zo begripvol, dat ik voor het eerst gezegd heb dat ik dol was op jongens. In Nederland heerste echter de gedachte dat die gevoelens met trouwen overgingen. Zelf had ik ook het idee van: je komt eroverheen als je je best doet.” Ans en Frits trouwden in 1948 en kregen zes kinderen. In 1953 emigreerden zij naar Frankrijk. Frits' homoseksuele gevoelens bleven, bij zijn liefde voor Ans. “Er gebeurde niets meer”, vertelt hij, “maar je moest soms vluchten voor je gedachten. Tegen mijn eigen kinderen heb ik eens gezegd dat zij op moesten passen voor die vieze flikkers, die ze in de duinen zagen. Zo'n verwrongen figuur kun je worden!”

Langzaam maar zeker veranderden de tijden. Toen de Overwijcks in 1968 naar Nederland terugkeerden, bleek de samenleving daar iets vrijer te worden. Ook in Frits raakte het innerlijk groeiproces in een stroomversnelling. Overwijck: “Ik ging beseffen dat de aversie tegen homo's voor een belangrijk deel voortkwam uit religieuze ideeën en algemene afkeer van wat afwijkt. Ik ben de bijbel eens wat beter gaan bekijken, maar daarin staat niet dat homoseksuele gedragingen of zelfbevrediging uit den boze zijn.”
En toen gebeurde het. Rond 1972 werd Frits verliefd op een verpleger. Ans had het in de gaten en toonde er begrip voor. “Zij concludeerde dat ik mijn homoseksualiteit had gehouden, maar heeft mij niets verweten. Wij hebben regelmatig met elkaar gepraat en naar een oplossing gezocht. Ans vond dat ik mijn eigen manier van leven moest zien te vinden”, vertelt Overwijck. Opmerkelijk is overigens dat het huwelijk van Ans en Frits in hun familie als voorbeeldig gold: zij probeerden er het beste van te maken.
Het ijs was gebroken. Frits en Ans zochten en vonden hulp van geestelijken, lazen over homoseksualiteit en bezochten voor­lichtingsbijeenkomsten. Na enkele jaren lichtten zij hun kinderen in. “Toen ik mijn zoons in Frankrijk mijn verhaal vertelde, beleefde ik een van de ontroerendste momenten van mijn leven”, herinnert Overwijck zich. “Na afloop hebben wij zitten janken. Het was fantastisch bevrijdend, we konden onze emoties kwijt. Ook mijn dochters en schoonfamilie heb ik het verteld en in 1977 hebben Ans en ik onze familieleden en een aantal kennissen en vrienden een brief geschreven over hoe de zaken ervoor stonden. Er zijn wel zeventig of tachtig brieven de deur uit gegaan. Op één heel nare na hebben wij daar heel goede reacties op gehad. Voor zover wij weten, hebben wij niemand verloren, in ieder geval geen van mijn broers en zussen, en ook de verhouding met mijn kinderen is heel goed gebleven.” In 1977 zijn Ans en Frits uiteengegaan. Buurtgeno­ten spraken er schande van, dat zij elkaar, als gescheiden mensen, bleven bezoeken.

Sinds 1975 is Frits Overwijck actief voor het COC, de Neder­landse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit. Hij doet aan voorlichting en houdt zich met name ook bezig met de opvang van getrouwde mannen. Zijn geloof is hij niet kwijtgeraakt. Wel deed hij op Paaszaterdag 1979 in Roermond mee aan een grote demonstratie tegen bisschop Gijsen, die praktiserende homo's weer eens in de hoek had getrapt.
“Geloven staat voor mij nu buiten iedere kerk. De bijbel accepteer ik als een grandioos boek, dat de geschiedenis van de mens in al zijn facetten beschrijft. Ik herken mij er als mens in; hij heeft een bevrijdende boodschap”, aldus Overwijck, die nog steeds gelooft in een oppermacht en een levensdoel.

Al met al een succes-story dus, met een happy end? “Nee”, meent Overwijck, “Ans is het slachtoffer van wat zich veertig jaar geleden heeft afgespeeld. Ook zij had recht op een ander leven, maar wetenschap en religie hebben ons met een kluitje in het riet gestuurd. En wat mijzelf betreft: mijn kansen in de homowereld zijn verkeken.”
Wat Frits Overwijck hiermee bedoelt, blijkt uit een niet uitgegeven boek van zijn hand. Daarin heet het (samengevat): Nu, in 1980, kan ik zeggen dat ik de mens tracht te zijn die ik van nature ben. Of ik daar gelukkig mee ben? Nee, natuurlijk niet geheel en al, want de homowereld blijkt een wereld te zijn die in veel opzichten niet aan mijn verwachtingen voldoet. Dat is heel begrijpelijk, want ik kom er na tientallen jaren pas in, en ook déze wereld is in die jaren veranderd en gegroeid. Het is verdomd moeilijk te verwerken, als je denkt eindelijk thuis te zijn, en de huisgenoten kijken je voor het merendeel met de nek aan als een lang vergeten ouwe oom, waar ze verder geen boodschap aan hebben. (De homoscene is nog steeds klein en bestaat voornamelijk uit jonge mensen. Zij dragen als groep duidelijke normen en gedragscodes uit, zodat er moeite en moed voor nodig zijn om voor je eigen waarden op te blijven komen. Bovendien tellen vooral mee wie uiterlijk jong en knap zijn.) Ook hier laat men de minder knappe of oudere man of vrouw links liggen, terwijl men daardoor onbewust vaak de beste kansen onbenut laat en verspeelt. Als je dan niet zo aantrekkelijk bent, kun je talloze weekenden lang hunkerend en wachtend en hopend als een muurbloem aan de kant staan en je glaasje drinken, òp van de zenuwen omdat niemand in je geïnteresseerd blijkt te zijn.
En hoe staat het met mezelf? Wat doe ik hier en wat verwacht ik hier dan? Toch ben ik wel gelukkig, want voor mezelf ben ik overtuigd dat ik nu de mens ben en zodanig leef in gedachten, woorden èn werken als ik van oorsprong bedoeld ben. Daar zou ik in zoverre iets mee willen doen, dat ik nu eindelijk ook mijn behoefte aan het geven van liefde en genegenheid en van mijn dierbaarste gevoelens kenbaar mag maken en zo mogelijk mag aanbieden aan die mens van mijn eigen sekse, die man die daar open voor staat zonder al dat gesodemieter, en er dan ook antwoord op wil geven.
Is Frits Overwijck dan toch tevreden over zijn – late – stap? “Ja”, luidt het antwoord, “door voor mijn homoseksualiteit te kiezen en bij Ans weg te gaan, ben ik in een vacuüm terecht­gekomen. Maar ik kon toch niet op mijn sterfbed tegen Ans en de kinderen zeggen dat ik hen mijn leven lang had belazerd?!”






Interview: Blerick 19 januari 1988. Gebruikt voor een reportage in Kruispunt, maandblad voor mensen in ontmoeting, 24ste jrg. nr. 2 (maart 1988).

Ex-pater Jean Goossens: "Ik kan mijzelf niet meer uitschakelen!"



Het 'rijke Roomse leven' bood en biedt niet alleen beschutting maar ook beknelling. “Ik kan niet onder woorden brengen hoe vast je zat”, vertelt de oud-kloosterling en -priester Jean Goossens, die in een moeizame strijd zijn vrijheid veroverde. “Men verwisselde het behoud van het systeem met dat van de ziel.



Jean Goossens: Ik ben geboren in 1914 uit katholieke Maas­trichtenaren. Mijn vader was diep gelovig. Al had hij tot diep in de nacht heel hard moeten werken, dan was hij 's morgens nòg om vijf uur het bed uit om de eerste mis te kunnen bijwonen. Ook ik was als kind, net als mijn broers en zussen, diep gelovig. Ik heb moeten worstelen met een scrupulositeit, die ik pas door mijn theologie­studie overwonnen heb. Dit heeft in 1949 geresulteerd in mijn uittreden uit het klooster. Dat was niet gemakkelijk. Je kon niet, zoals in de jaren zestig, tegen je overste zeggen: 'Ik zit in moeilijk­heden.' Je wist dat je dan te horen kreeg: 'Jij had roeping. Als jij eruit wilt, zondig jij tegen God!'”

Voelde u al twijfels toen u studeerde? Ja. Aan de theologie­studie vooraf gingen twee jaar filosofiestudie. Die is nog steeds een stuk van mijn leven. Als ik in moeilijkheden raak, pak ik een boek uit de kast, verfris mij aan filosofie en kom er als door een sacrament gesterkt uit. Ik heb ook een boek geschreven. Dat behelst een humanistische filosofie en is mijn tweede ik geworden, waar ik iedere keer op terug kan kijken. Ik heb het niet in de eerste plaats voor de publiciteit geschreven en mis de middelen om het uit te geven. Ik vond het wel fijn, dat het meisje dat het voor mij getypt heeft en dat toch alleen mulo had gehad, veel ervan begrepen bleek te hebben. Ik ben overgeleverd geweest aan het determinisme van de katholieke kerk, maar heb mijn vrijheid veroverd. Die heb ik voor mijzelf filosofisch verantwoord.'”

Wat bracht u ertoe om met die priesteropleiding te beginnen? Ik was een brave jongen, zij het geen gewone: ik dacht na over dingen waar een gewone jongen niet aan dacht. Zo moest ik met mijn vader op een vrijdag de kruisweg bidden. Ik zei: 'Pa, als Christus dat moest ondergaan, kon Judas daar toch niks aan doen, want dan is-ie door God.....' Dat was eigenlijk de predestinatieleer, die ik toen zag. Daar ging ik over nadenken. Ik kon er niet uit komen en na enige tijd legde je het opzij, maar van tijd tot tijd had ik dat soort dingen waar ik over nadacht. Waar ik ook heel veel moeilijkheden mee gehad heb, is met de seksualiteit. Ik had nooit het klooster in mogen gaan. Niemand heeft dat echter gemerkt en mijn milieu determineerde mij tot het verbergen van die seksuele moeilijkheden.”

Werd u verliefd op meisjes terwijl u wist dat dat niet kon? Dat kon niet en dat mocht niet, niet omdat ik priester zou worden maar omdat het lelijk was. Het meisje en de vrouw werden als verleidsters beschouwd. Je hoorde voortdurend over zuiverheid. 'Bid alsjeblieft iedere avond drie weesgegroetjes op je knieën voor het mariabeeld opdat je zuiver mag blijven!' Zuiverheid was alleen dat je niet aan een meisje kwam, dat je je niet liet bekoren.
Hier in Maastricht was vroeger een grote kledingzaak, Le Drapeau Belge (De Belgische Vlag). Daar waren vrouwenkleren te koop, dus ze hadden vrouwenpoppen. Die zaak nam het niet zo nauw als Vroom en Dreesmann: daar werd, eer de kleren uitgedaan werden, de etalage met een doek behangen en werd over de poppen zolang ze geen kleren aanhadden een hoes gedaan. Ik kom als jongen het hoekje van de Helmstraat naar het Vrijthof op, en daar sta ik me voor zo'n naakte pop! Mijn mannelijkheid in de jongen ontwaakte..... Ik vond het fijn. Maar toen kwam het: ik had enkele momenten toegestemd. Dat was doodzonde. Ik heb lopen tobben. Ik moest dat biechten. En dan voelde je je zo vernederd voor die man die daar zat! Je probeerde dat dan ook zo lang mogelijk uit te stellen. Maar dat kon je niet lang uitstellen, want je kon niet ter communie gaan, want dan deed je een volgende zonde èn na enkele dagen werd op school van je gezegd: 'Waarom gaat-ie niet ter communie?' En dan ging je maar weer en deed je wéér..... Zo ging dat een tijdje. Op een gegeven ogenblik kon je het niet meer verdragen en ging je dat toch uitstorten.”

Hoe oud was u toen? Ik zat op de lagere school. Er waren drie soorten: de Aloysiusschool voor de rijken, een school voor de heel armen, en de Sint-Jozefschool voor wat daar tussenin zat. Mijn vader was kleermaker. Het was iedere keer kantje boord, maar ik ben mijn ouders nog altijd geweldig dankbaar dat ze ons goed gekleed en gevoed en, volgens hun begrippen, heel goed opgevoed hebben. Wij kwamen dus op de Sint-Jozefschool. Het eindpunt was de zevende klas. Ik deed die ook, want ik had niet de vooropleiding voor het gymnasium: die gaf de Aloysiusschool. Nou moet ik zeggen: de broeders van onze school hebben mij en drie andere jongens gratis apart les gegeven, zodat ook wij toelatingsexamen konden doen. Maar goed, voor velen betekende de zevende klas het einde van hun schooltijd. Zij werd besloten met een retraite. De broeder zei: 'Als jullie met een zwarte ziel rondlopen: dit is een ouwe pater, die zien jullie nooit terug. Zeg hem gerust wat je misdaan hebt!'”

Hoelang had u met het idee van die doodzonde rondgelopen? Je liep daar soms weken en weken mee rond. Als gymnasiast had ik eens een meisje op een pikante plaats aangeraakt. Ik had dus niet alleen meer door gedachten gezondigd en dat meisje bovendien meegesleurd. Het biechten stelde ik almaar uit, maar met Pasen wilde ik toch een schone ziel hebben. Naar mijn vaste biechtvader wou ik niet. Nou zat in een kerk aan de overkant van de Maas een pater van wie men zei dat hij doof was: hij informeerde nooit naar details. Ik denk dat hij gewoon een goed mens was, die wist hoe zwaar het viel om een priester iets te moeten vertellen. Bij zijn biechtstoel zat het hartstikke vol. Ik zag dat ik niet aan de beurt kwam, dus maar weer op mijn fiets..... Bij de jezuïeten durfde ik niet, want daar was ik te bekend. Dan maar bij de franciscanen. 'Wat doe jij?', vroeg de pater. 'Ik zit op de HBS', loog ik, maar dat was gelukkig geen doodzonde. (HBS was een graad lager dan gymnasium, dus werden HBS'ers geacht meer kwajongens te mogen zijn.) En toen viel die pater nòg over mij heen: 'Als jij op de HBS zit en jij doet zoiets, wat moet dat later geven!? Jij krijgt een leidende positie!'”

U werd geleerd dat de mens met erfzonde behept is en geneigd tot het kwaad. Dan moet het toch natuurlijk zijn geweest, dat u neigingen in u voelde die niet de kerkelijke goedkeuring weg­droegen? Natuurlijk, maar men legde niet zozeer de nadruk op die ingeboren neigingen als op jouw plicht om te zorgen dat ze niet bevredigd werden. Ze zeiden nooit: 'Jongens, het is niet zo erg', want ze dachten dat dan het hek van de dam was. Ze zeiden: 'Als jij morgen doodvalt en hebt dat niet gebiecht, ga jij naar de hel!'”

Accepteerde u dat idee van die zonde en de gedachten daarachter? Ik had daar geen verweer tegen, het katholieke geloof heette 'de volle waarheid'. Tegen het verlichte oordeel dat ik van mijzelf uit had, moest ik als 'bekoring' een schietgebed zeggen. Ik was de oudste van elf kinderen en zag dat mijn moeder een slavin was. Mijn vader werkte ook heel hard, maar was sterker van lichaam. Ik zag hoe mijn moeder na iedere bevalling moeizaam op verhaal kwam en dan toch maar hard moest werken. Er was geen professionele hulp, moeder had al geluk als een zus, die zelf geen kinderen had, een poosje wou komen helpen. Dan zei ze: 'Ik hoef gelukkig geen buurvrouw binnen te halen, want die draagt alles de straat op!'
Mijn moeder had niets aan haar leven. Nu was haar familie nogal liberaal. Er werd gesproken over voorbehoedsmiddelen en de gezinnen hadden maar twee kinderen. 'Waarom kunnen wij er niet zo weinig hebben?', vroeg mijn moeder weleens. En dan kwam mijn vader met een vermaning van een jezuïet: 'Zij hebben het nu gemakkelijk, maar later zullen zij betalen!' Dat hoorde ik en dan dacht ik: 'Toch zou ik het willen. Als ik ooit trouw, doe ik mijn vrouw dàt niet aan!' De laatste geboorten hadden voor mijn moeder fataal kunnen zijn. Het waren miskramen, anders hadden wij nog meer kinderen gehad.
Maar goed, moeders zus woonde in Rotterdam en was net als haar man protestant geworden. Als mijn vader wist dat een jezuïet naar Holland ging, stuurde hij haar die op het dak. Dan kwam zo'n jezuïet terug en zei: 'Ik kan er niets aan doen, het is een goed huwe­lijk.' Oom en tante waren dus ketters. Maar dat kon ik niet goed aanvaarden, want zij waren onze beste oom en tante en die namen mij toen ik nog op de lagere school zat in de vakanties mee naar Rotterdam. Er was dus iets in mij dat zich verzette tegen dergelijke waarheids-dominantie, maar ik moest altijd onmiddellijk denken: 'Het mag zo niet, maar ik zou het wel willen!'
Bij de geboorte van mijn jongste broer was ik vijftien jaar. Toen kwam die tante weer en zei mijn oom tegen mijn vader: 'Jij hebt nou zoveel kinderen.....' – hij zei er niet bij: wij hebben jou altijd geholpen – 'maar geen daarvan heeft nog mijn naam.' 'Nou', zei mijn vader, 'dan krijgt die jongen jouw naam.' Maar toen kwam hij bij de pastoor en die zei: 'Dat kan niet, want dat is een protestant. Een ketter kan geen peter zijn van een katholiek kind.' Mijn vader dacht bij zichzelf: 'Dat kan ik Jo niet aandoen!', en ging naar een moraaltheoloog van de jezuïeten. Die wist een oplossing. Hij zei: 'Een ongelovige kan inderdaad niet passen op het geloof van een katholiek.' – In feite was dat onzin: als ik in Rotterdam was, stuurde mijn oom mij 's zondags naar de kerk en ging mijn tante met mij mee. – 'Maar', zei die jezuïet, 'bij die doop is de koster aanwezig. Die Hollandse protestant verstaat geen Latijn en snapt niet wat er gebeurt. Als de pastoor dus zijn vragen stelt (in het Latijn), geeft de koster antwoord. En als de peter zijn hand moet opleggen aan het kind, doet de koster dat.' Mijn oom is dus bedrogen. Hij dacht dat hij peetoom was, maar in feite was de koster, die geen snars om dat kind gaf, het.
Dat soort dingen hebben diepe indruk op mij gemaakt, maar ik zag daar geen barrière in om priester te worden. In mijn onvolwas­senheid zag ik dat het niet kon, maar ik wist dat het andere evenmin kon. Ik had ook niet naar de protestanten over kunnen gaan, want die hadden mij niet genomen. Er was dus geen uitweg, dus koos ik blij gemoed.....
Ik heb ook eens met seksuele moeilijkheden – ik was zeker zestien jaar – tegen een pater gezegd: 'Pater, ik heb moeilijkheden.' 'Zo jongen, heb jij moeilijkheden? Wat is dat dan? O, ik weet het: van voren, hè? Trek je daar maar niks van aan. Als je gezondigd heb, biecht je het mij, dan komt alles in orde. Later, op de theo­logie-opleiding, zul je het uitgelegd krijgen.' Maar daar was ik niet mee geholpen. Aangezien die roeping achter mij stond, vergat ik het niet als ik aan het spelen was. Ik wou priester worden, zat met seksuele moeilijkheden en die pater scheepte mij zo af.”

U kon daar dus met niemand over praten? Nee, ook thuis niet. Daar lagen wel onderin een kleerkast twee heel dure boeken over natuur-geneeswijzen. Colporteurs waren daar mee langs de deur geweest met de boodschap dat je er het geld voor de dokter mee uitspaarde. Er stonden prachtige afbeeldingen in van de vrouwelijke geslachtsdelen. Als ik in de vakantie op mijn kamer zat en het regende, haalde ik ze tevoorschijn. Ik kreeg daar wel spijt van, want ik had een zonde begaan, maar naderhand in het klooster bleken volwassenen nooit zoiets gezien te hebben. Er zei eens iemand tegen mij: 'Ik zou toch eens een naakt meisje willen zien, want ik heb dat nog nooit gezien en zal het nooit te zien krijgen.'
Mijn tweeslachtigheid heeft mij waarschijnlijk gered. Toen ik in 1966 wilde trouwen, durfde ik niet goed omdat ik nooit iets met een vrouw had gedaan. Een progressieve priester verwees mij naar een psychiater die hij goed kende. 'Ik ben voorzichtig', zei die. 'Ik heb meegemaakt dat een uitgetreden priester die zich zijn leven lang tegen seksualiteit verzet had trouwde. En dan bleek dat hij nog maar heel gebrekkig seks kon bedrijven.' Ook ik had mij mijn hele leven tegen het seksuele verzet. Ik ben echter met een heel goede vrouw getrouwd en wij hebben geen van beiden spijt van onze keuze.”

Bij welke orde bent u eigenlijk geweest? Bij de premon­stratenzers, oftewel norbertijnen. Dat is een heel oude orde, die tegelijkertijd contemplatief en actief is. Vrienden waren daar bij. Die orde had in Nederland alleen in Heeswijk een klooster. In België had zij er vijf. Je reed op de fiets zo naar die geweldige kloosters toe. Je moet denken: je was jong, je hield van een stuk romantiek, en die witte kleding trok.
Ik ben daar geweest van 1934 tot 1949. Je had twee jaar novi­ciaat, dan drie jaar met een voorlopige gelofte met daarna de plechtige gelofte en een jaar daarna de priesterwijding. Na die jaren van voorlopige gelofte was je in principe vrij, maar dan lieten ze je niet gaan, ook niet voor een tijdje. 'Die drie jaar waren gericht op het eeuwige. Je hebt ze goed doorgebracht', werd er gezegd. Men wilde niet goed evalueren hoe je ze door had gebracht. Je zat voortdurend in diezelfde indoctrinatie vast, in diezelfde omgeving waar dat zelfde geleerd werd en kon niet buiten met vreemde mensen gaan praten, want je moest voor alles verlof hebben. Zij die dit systeem in stand hielden, zaten daar zelf aan vast en konden daar alleen gelukkig mee zijn. Ik kan hen niet veroordelen. Zij verwissel­den het behoud van het systeem met dat van de ziel. Later was ik verbaasd. Ik had gedacht dat ik de enige was die in die moeilijk­heden zat, maar toen ik buiten was, bleken het er veel meer te zijn geweest. Dat was allemaal voor je verborgen gehouden. Je kreeg ook geen kranten te lezen en mocht pas na je priesterwijding naar de radio luisteren.”

Werkte u als priester buiten het klooster? Gewoonlijk niet. Ik doceerde kerkgeschiedenis. 's Zondags verleende ik wel vaak in een parochie assistentie. Ik preekte of hoorde biecht. Ik heb dat graag gedaan.
Nu had ik reeds vóór mijn eeuwige gelofte laten weten dat ik veel te graag meisjes zag. Daar viel echter niet over te praten. Men hield het erop dat het allemaal maar bekoringen waren en dat je je roeping niet mocht verloochenen en dat ze van je hielden en voor je zouden bidden. Mijn principes verboden mij om een meisje te verleiden, dus kon ik geen ervaringen aanvoeren. Iemand die dat wèl kon, lieten ze echter ook niet zomaar gaan. Je kon het ook niet eens een poosje in de wereld proberen, want als je er eenmaal uit was, kwam je er nooit meer in en dan namen ze je nergens meer aan. Ik kan niet onder woorden brengen hoe vast je zat, en dat zal iedereen vertellen die daar uit geraakt is.
Welnu, als assistent in parochies kreeg ik de moed om me te verzetten. Ik werd onhandelbaar. Toen hebben ze gedacht om mij in godsnaam maar op een pastorie te zetten, maar ik was al verder. Ik wilde mij niet meer moeten inhouden tegenover het andere geslacht en geloofde niet meer in die ene waarheid. Ik had ook geen behoefte meer aan biechten en heb dat god-weet-hoelang niet gedaan.”

Dat lijkt mij voor het eind van de jaren veertig buitengewoon. “Ja, ik moet van mijzelf zeggen dat ik een moedig mens ben geweest. Ik heb het ontzaglijk moeilijk gehad, ook in de tijd daarna. (Aarzelend:) In het klooster hielden ze van me, maar ik kon niet meer, ik zag duidelijk..... Ik had een traktaat geschreven waarin ik Kant verheerlijkte. Dat had ik willen publiceren, maar er waren geen typemachines, dus had ik het in handschrift gedaan. Er bestond slechts één exemplaar van. Ik heb het ter goedkeuring voorgelegd, en ze hebben het nooit terug kunnen vinden. Zo ging het altijd; ik heb een boek van een dominicaan of jezuïet gelezen wiens onwelgevallige proefschrift verdonkeremaand was. Míj is verweten dat ik meer afvallig was dan dat ik het om het seksuele deed. Toen ik zei dat ik uit het klooster wou, ben ik eerst naar een psychiater gestuurd. Die kon niets anders zeggen dan dat ik een hoogmoedige was. Ik had echter de moed om te zeggen: 'Dat is niet waar. Jullie zijn hoogmoedig, want jullie zeggen dat jullie de enige waarheid hebben. Ik zeg dat ik 'n waarheid heb en dat ik niet anders dan volgens die waarheid kan leven. Jullie willen mij in jullie hoogmoed dwingen mij onvoorwaardelijk aan jullie waarheid te onderwerpen!'
Dat ging dus niet. Daarop vroegen ze: 'Zou je niet graag gelaïciseerd willen worden?' Ik zeg: 'Ja', in de hoop dat zij mij niet zomaar in de steek zouden laten. Nou kunnen ze je laïciseren, zodat je het beroep van priester niet meer mag uitoefenen, zonder dat ze je van het celibaat ontheffen. Daarom had ik als voorwaarde gesteld dat ik ook van het celibaat werd ontheven. Daar zou voor gezorgd worden.
Ik moest onmiddellijk naar het gastenverblijf en mocht geen afscheid nemen van mijn vrienden. Die durfden ook niet tevoor­schijn te komen. Op een dag heette het dat ik beter naar het gasten­verblijf van de trappisten kon. Nou, ik zat liever bij vreemden dan dat ik mensen rond zag lopen die ik kende maar waar ik geen contact mee kon hebben. En ik moet zeggen: de trappisten hebben mij heel goed geholpen. Ik was vrij, kreeg goed te eten en de broeder portier, die met mij begaan was, bracht mij iedere avond een flesje heel goed trappistenbier. Op mijn beurt hielp ik met de bediening van gasten en schrobde kamers. Van tijd tot tijd – ik had een paar centen mee gekregen, maar daar moest ik heel voorzichtig mee zijn – ging ik met de tram naar Antwerpen, eventjes door de stad lopen.
Maar toch..... Verder had ik eigenlijk niks. Mijn enige kostuum was dat van een novice. Ik bleef maar wachten tot het zou gaan gebeuren en was toch wel een beetje down. Op zeker ogenblik vraagt de abt: 'Hoort u niks? U kunt hier niet eeuwig blijven.' Toen heb ik een brief geschreven en kreeg ik als antwoord dat de prior van mijn vroegere klooster naar Turnhout zou komen. Hij kwam dus niet naar het trappistenklooster in Westmalle. Toen zijn we over straat blijven wandelen en heeft hij mij het besluit uit Rome getoond. Ik heb gezegd: 'Maar ik heb geen ontheffing van het celibaat gekregen!' 'Ja maar, dat gaat niet anders, want de ontheffing van het celibaat wordt door de congregatie van de religieuzen gegeven en de ontheffing van het priesterschap door de congregatie van de sacramenten.' Dat moest ik toegeven, maar was dat een reden om het niet gelijktijdig te doen? Nou, dat van dat celibaat kwam heel zeker, verzekerde-ie. Ik aarzelde. Uiteindelijk heb ik tegen een lantaarnpaal ondertekend. De ontheffing van het celibaat bleef echter uit. Op een dag moest ik bij de trappisten weg en ben ik naar Maastricht teruggekomen.”

Waarom was de ontheffing van het celibaat voor u van zo groot belang? Ik wilde niet helemaal uit die kerk en zat met mijn omgeving. Ik heb geprobeerd in Holland aan een betrekking te komen, maar het was zo sterk dat zij zelfs dit boycotten. Er was me een betrekking bij de KLM toegezegd, maar die ging niet door 'vanwege de katholieke clientèle'. Ik neem aan dat men daar bij de KLM onder een bepaalde druk toe gebracht is.
Om toch te eten te hebben, ben ik op het Rijksarchief gaan werken. De archivaris was welwillend. Ik ben in zwart kostuum met priesterboord blijven rondlopen en heb gezegd dat ik dat zou blijven doen tot ik het celibaat kwijt was. Het bisdom heeft mij dit niet verboden. Het dacht: 'Als hij zo rustig is, kan het ons niks schelen.' Ik heb inderdaad mijn fatsoen gehouden.”

Kon u na uw uittreden nog iets met uw opleiding doen? Nee, men nam je alleen voor je intelligentie. Kerkgeschiedenis was nergens een speciaal vak en ik had geen bevoegdheid voor algemene geschiedenis. Filosofie had ik slechts gestudeerd als propedeuse op de theologie. Daarbij waren er nog geen gewone leraren in de filosofie.”

Hield u zich ten tijde van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) nog intensief met de kerk bezig? Ja. Door dat concilie heb ik ook ontheffing van het celibaat gekregen, zodat ik met een katholieke vrouw kon trouwen. 'Het gaat de goede kant op', dacht ik, 'wij krijgen een prachtig christendom van eerlijke, openstaande mensen.' Ik verwachtte een theologie die vraagtekens durfde te plaatsen bij dogma's. En ik hoopte op een kerk die een protestant zijn waarheid gunt en het niet toelegt op eenheid van één hoofd op één plaats van één collectiviteit. Wij kunnen zonder gevaar voor de waarheid een pluriformiteit vormen. Als de kerk aan dit principe voldeed, zou het met zaken als het celibaat en het priesterschap voor de vrouw vanzelf gaan.
Ik had niet verwacht dat de reactie zo machtig zou zijn en zag dat ook anderen hoop koesterden. Ik zei: 'Als zij die in de zielzorg staan hoop houden en de mensen achter zich blijven verzamelen, zal men wel móéten.' Ik ben nog lang met mijn vrouw naar de kerk gegaan en ben bij City-kerk (een Maastrichtse vooruitstrevende basis-gemeente) geweest. Op den duur beviel dat mij echter niet. Ik was radicaler, kreeg met weifelende mensen te maken en moest mij aanpassen.
Er is een moment gekomen dat ik ging zien: het lukt niet meer! Met name het aantreden van bisschop Gijsen in 1972 heeft daartoe bijgedragen. Het fundament, Rome, moest je kunnen veranderen om vrij en ten volle te kunnen werken, maar dat lag niet in onze macht. Ik heb het verschrikkelijk gevonden voor al die goeie mensen die ik kende en die het toch eerlijk meenden. Ik dacht: 'Ik hoop dat ik mij vergis.' Maar ik heb mij niet vergist en ben blij dat ik die strijd niet meer hoef te voeren. Als ik veel moeite heb gedaan om iets te onderzoeken, slapeloze nachten heb gehad en dan tot een ontdekking ben gekomen, moet ik niet hoeven zeggen: 'Ik heb daar geen zier aan, want ik ben absolute gehoorzaamheid verplicht aan degene die boven mij staat.' Ik kan mijzelf niet meer uitschakelen!”


Interview: Maastricht 3 april 1985 (voor een artikel over ontwikkelingen binnen de katholieke kerk); publicatie in ongeveer deze vorm: Kruispunt, tijdschrift voor mensen in ontmoeting, 31ste jrg. nr. 5 (oktober 1995).