Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen

zondag 25 januari 2015

WIE WAS MARIE HODENIUS?





TOEN OMA HERMANS' MOEDER STIERF, BLEEF HAAR MAN ACHTER MET ZES KINDEREN VAN ACHTTIEN, ZESTIEN, VEERTIEN, TIEN, VIJF EN DRIE JAAR.

HET OUDSTE KIND WAS EEN MEISJE: MARIE; HET JONGSTE WAS THERESE (OMA). HET HAD VOOR DE HAND GELEGEN, DAT MARIE DE ZORG VOOR HAAR KLEINE BROERTJE EN ZUSJES OP ZICH HAD GENOMEN. IN PLAATS DAARVAN TROUWDE ZIJ ECHTER EN VERDWEEN EEN PAAR MAANDEN NA HET OVERLIJDEN VAN HAAR MOEDER NAAR HET VERRE FRANKRIJK. OMA ZAG HAAR PAS 58 JAAR LATER TERUG. ZIJ EN HAAR BROERTJE HUBERT WAREN OPGEGROEID IN EEN WEESHUIS.

WAT MOETEN WIJ HIER VAN DENKEN? HEEFT MARIE HAAR OUDERLIJK GEZIN IN DE STEEK GELATEN? 
IK HEB HET ME LANG AFGEVRAAGD. HET ANTWOORD IS ME RUIM EEN WEEK GELEDEN ONVERWACHT GEGEVEN DOOR - HOUD JE VAST! - DE ECHTGENOTE VAN EEN BET-ACHTERKLEINZOON VAN MARIE. 
ZIJ HAD GEZIEN DAT OP DEZE BLOG IETS OVER HAAR FAMILIE STOND. UIT ARTIKELEN VAN MIJN HAND HAD ZIJ OPGEMAAKT DAT IK HET FRANS MACHTIG BEN. ZIJ HAD DAAROP CONTACT GEZOCHT VIA FACEBOOK. HIER IS HAAR ANTWOORD OP EEN AANTAL VRAGEN VAN MIJ:


"(...) je peux te dire que Wernert Joseph était français. D'après ma belle-mère Janine, pour qui Wernert Joseph était l'arrière grand-père, il travaillait dans les chemins de fer et aurait rencontré Marie-Elisabeth en Hollande lors d'un voyage professionnel. Elle serait tombée enceinte et ils auraient donc "été obligés" de se marier. Par contre, je ne sais pas du tout quand ni où ils se sont mariés. Janine est née en 1950 l'année où Joseph est décédé, elle ne l'a donc pas connu. Dans son souvenir Marie-Elisabeth était une dame souriante et très gentille. Elle faisait tout le temps du crochet. Elle ne parlait pas le français et pas bien l'alsacien qui est un dérivé de l'allemand. Je ne sais pas si elle a été heureuse, mais Janine m'a dit qu'elle avait le mal du pays ; son pays et sa famille hollandaise lui manquaient.
Marie-Elisabeth et Joseph ont eu 7 enfants :
- Joseph né en 1902 et décédé en 1965
- Charles né en 1903 et décédé en 1980 (le grand-père de Janine)
- Lucien né en 1910 - Je ne connais pas sa date de décès
- Anne née en 1914 et décédée en 1915
- Albert né en 1918 et décédé en 1918
- Anne née en 1920 - Je ne connais pas sa date de décès
- Jeanne née en 1922 et décédée en 1930
D'après Janine, sa fille Anne vivait avec elle juste à côté de chez Charles le grand-père de Janine.
Voilà ce que je peux te dire de Marie-Elisabeth pour l'instant, mais je vais continuer mes recherches et t'en ferait part aussitôt. (...)"





"(...) ik kan je vertellen dat Joseph Wernert Fransman was. Volgens mijn schoonmoeder Janine, voor wie Joseph Wernert de overgrootvader was, werkte hij bij de spoorwegen en zou hij Maria Elisabeth in Nederland hebben ontmoet tijdens een dienstreis. Zij zou zwanger zijn geraakt en zij zouden daarom 'verplicht' zijn geweest om te trouwen. Ik weet daarentegen helemaal niet wanneer of waar zij zijn getrouwd. Janine is geboren in 1950, het jaar waarin Joseph is overleden; zij heeft hem dus niet gekend. Maria Elisabeth herinnert zij zich als een glimlachende en heel aardige dame. Zij haakte de hele tijd. Zij sprak geen Frans en het Alsacien, dat afgeleid is van het Duits - Marie woonde in Elzas-Lotharingen -, sprak zij niet goed. Ik weet niet of zij gelukkig is geweest, maar Janine heeft me verteld dat zij heimwee (mal du pays) had: haar land en haar Nederlandse familie miste zij.
Maria Elisabeth en Joseph hebben zeven kinderen gehad:
- Joseph, geboren in 1902 en overleden in 1965
- Charles, geboren in 1903 en overleden in 1980 (de grootvader van Janine)
- Lucien, geboren in 1910 - Ik ken zijn overlijdens-datum niet
- Anne, geboren in 1914 en overleden in 1915
- Albert, geboren in 1918 en overleden in 1918
- Anne, geboren in 1920 - Ik ken haar overlijdens-datum niet
- Jeanne, geboren in 1922 en overleden in 1930.
Volgens Janine woonde haar dochter Anne met haar [moeder Marie] naast Charles, de grootvader van Janine. 
Dit is wat ik je op het moment over Maria Elisabeth kan vertellen, maar ik zet mijn onderzoek voort en maak je er dadelijk deel van. (...)"

Als het klopt wat Nathalie Hironimus hier vertelt, hebben Marie en haar Joseph het kind waarvan Marie zwanger was toen zij trouwden niet oud zien worden, als het al levend ter wereld is gekomen.    

  

vrijdag 9 augustus 2013

Ma, het verhaal van een huisvrouw - 3 - "Waren jullie nog maar klein!"





"Ik zal nu wel gauw van oom Leo te horen krijgen of opa en oma's graf gehandhaafd blijft, vertelt ma in oktober 2000. Voor mij hoeft het niet per se. Ik bid nog dagelijks voor oma, maar zelfs van de beenderen zal na dertig jaar weinig over zijn. Ik vraag me echter af wat jíj er van vindt, Jo.”
Ma's vraag om raad is even ongewoon als het antwoord dat ik geef. Ik hecht aan het graf en ben het de jaren door blijven bezoeken. Volgens een goede vriendin laten oude mensen graven vervallen omdat zij vrezen dat die na hun overlijden zullen worden verwaarloosd.
“Dat laat ik aan jou en oom Leo over”, klinkt het uit mijn mond. “Jullie zijn de kinderen. Ik denk nog vaak aan oma, maar bezoek haar graf nog maar één keer per jaar – als ik er al kom.” Het is een correct antwoord, dat trots verzwijgt dat oom Leo's en ma's houding mij pijn doet. De grafsteen verdwijnt, maar ik blijf de plek bezoeken.

Als mijn makker Haşim en ik op dinsdag 10 januari 2012 op het kerkhof in de Ham aankomen, zijn de stoffelijke resten van opa en oma Hermans zojuist opgegraven. Vanaf een afstand zien wij hoe zij achter een haag samen in één kist worden gelegd. Oma is nog zo goed als intact, wordt ons verteld.
Het is een vreemde gewaarwording, overleden dierbaren van het kerkhof vandáán te halen. De kist staat op een open vracht­wagentje; er ligt een slordig zeil overheen. De snelste weg naar de Rimburgerweg blijkt over Duitsland te gaan. We maken een sur­realistisch uitje.
Oma hield van Eygelshoven. Het is goed, dat zij en opa er een waardige rustplaats krijgen. “Hier kunnen ma en jullie verder met elkaar ruziën”, schiet het door mij heen als we de kist in het graf laten zakken. Ik schaam mij om de gedachte en verjaag ze met een Onzevader.








Verschillend van karakter

Van pa herinner ik mij niet één minder gunstige uitlating over zijn ouders. Ik herinner mij ook niet dat hij ooit ook maar één keer ruzie met hen heeft gemaakt, terwijl hij hen toch wekelijks bezocht. Ook met ma's ouders heb ik hem nooit ruzie zien maken. Over ma's moeder herinner ik mij uit zijn mond niet één boze uitspraak. Op ma's vader viel af te dingen. Pa was zich daar goed van bewust. Maar ook voor opa Hermans' gedrag probeerde hij een verklaring te vinden. Pa was in dit alles ma's tegenpool. Hij was de grote verzoener, die, als de eerlijkheid of het mededogen hem dat gebood, ma's moeder eerder tegen haar dochter in bescherming nam dan zijn vrouw onvoorwaardelijk in haar onredelijkheid te volgen.
Met ma heb ik pa zeer geregeld ruzie zien maken, maar hij maakte haar niet zwart als zij er niet bij was. Pa en ma deden, als het eropaan kwam, in vurigheid niet voor elkaar onder. Alleen: voor pa kwam het er minder vaak op aan dan voor ma. Pa was een heel stuk rustiger, redelijker ook. Hij kon eerder denken: “Het is het niet waard, dat ik me er al te zeer over opwind.” Zijn stemming was gelijk­moediger, zijn karakter evenwichtiger. Pa had een harmonieuze persoonlijkheid, die hem overigens niet altijd behoedde voor onbillijkheid of onbegrip – maar daar zijn wij mensen voor.
In huize Schoormans-Hermans kon het er dan ook van tijd tot tijd heftig aan toe gaan, vooral in pa en ma's jonge jaren. Resie en ik hebben ons weleens afgevraagd waarom die twee bij elkaar bleven. Deden ze er niet beter aan, te scheiden? Ik weet niet of wij onze ouders die vraag gesteld hebben, maar hun antwoord zou zijn geweest: “Alleen al vanwege de kinderen kunnen ouders niet uit elkaar gaan: je kunt dat een kind niet aandoen!” Ma en pa hadden elkaar echter ook het jawoord gegeven: zij hadden elkaar eeuwige trouw beloofd. Eeuwig betekende voor hen eeuwig. Tot de dood hen zou scheiden, zouden zij lief en leed met elkaar delen.
Dit is evenwel niet het hele verhaal. Pa en ma zijn, bij al hun ruzies, de jaren door van elkaar blijven houden. Zij hebben zich nimmer kil jegens elkaar getoond. En er had niemand tussen hen kunnen komen. Naarmate ma zorgbehoevender werd en pa de rol van verzorger op zich nam, is hij zich nóg meer aan haar gaan aanpassen. Terwijl haar onbegrip toenam, nam zijn begrip toe. Ik vraag me dan ook af wat er zou zijn gebeurd als niet híj maar zíj als eerste was gegaan. In Amsterdam had ik een ruime kamer voor hem gereserveerd. – Van haar wist ik, dat ik haar nooit in huis zou kunnen nemen. – Had hij die kamer betrokken, of was hij de vrouw met wie hij zo innig vergroeid was spoedig achterna gegaan? Ik ben niet meer zeker van het antwoord.


  

Gedeelde waarden

Zo verschillend als pa en ma waren van karakter, zo ver­schillend waren zij ook van belangstelling. Pa interesseerde zich tot het laatst voor zeer veel: voor de kleine wereld om hem heen en voor de grote wereld van politiek, andere volkeren en culturen, geschiedenis en ruimtevaart. Ma's belang­stelling beperkte zich in hoofdzaak tot mensen en dingen in haar omgeving. De rest vond zij “maar stront”, tenzij het voor haar een persoonlijk gezicht had. Als ik tegen haar had gezegd: “Ik kom volgende week bij mensen in Sri Lanka die in een krot wonen”, had zij gezegd: “Hier is honderd euro. Geef hun die en doe hun de hartelijke groeten!” Ongevoelig voor leed op afstand was ma dus niet. Pa en zij liepen geen thuisloze voorbij zonder hem iets toe te stoppen en doneer­den voor projecten in de Derde Wereld, het Rode Kruis en zoveel andere organisaties.
Pa en ma's huwelijk dankte zijn hechtheid mede aan gedeelde waarden. Pa en ma waren er bijvoorbeeld van overtuigd dat ieder mens een onvervreemdbare waardigheid heeft, ongeacht zijn geslacht, seksuele geaardheid, land van herkomst, huidskleur, geloofs­overtuiging of cultuur.....mits hij een ander in zijn waarde laat. Mijn ouders hadden even veel (of weinig) begrip voor een koran-geleerde volgens wie overspeligen dienden te worden ge­stenigd als voor een paus of bisschop die homo­seksuelen de hostie weigerde.
Een volwassene was, zo dachten pa en ma, heel goed in staat om naar eer en geweten keuzes te maken zonder dat die hem door een rabbijn, molla, dominee of pastoor werden opgelegd. Pa en ma waren als vanzelfsprekend katholiek, maar waren even vanzelf­sprekend wars van dwingelandij. Over het geloof werd weinig gesproken; niemand hoefde plaats te nemen op Gods troon om van daar af over anderen te oordelen. Schriftgeleerdheid was pa en ma vreemd. Zij verachtten het zelfs, als iemand 'de Heer ontdekte' en zich dan beter achtte dan zijn medemensen. Het ging pa en ma niet om het woord maar om de daad. Als het zover was, zouden zij zich 'hierboven' voor hun doen en laten verantwoorden zonder beroep te doen op de Heilige Schrift.
“Ben ik mijn broeders hoeder?” Mijn ouders zouden deze bijbelse vraag hebben beantwoord met een: “Tot op zekere hoogte zeker wel.” Je kunt niet alle leed van de wereld op je schouders nemen, maar dat betekent niet dat het je onverschillig mag laten. Zeker niet als het zich in jouw omgeving voordoet. Ma en pa schoten een medemens-in-nood te hulp zonder daarbij aan religie te denken. Dat je je naaste bijstond, was voor hen vanzelf­sprekend. Even vanzelfsprekend was het om respect te hebben voor het leven van een dier – om een dier althans niet meer te laten lijden dan strikt noodzakelijk was. (Pa en ma hadden weinig gevoel voor vegetarisme en maakten korte metten met muizen en vliegen.) Ook bij ma kwam een huisdier niets te kort. Je was er per slot van rekening speciaal verantwoordelijk voor.
Ma en pa's gevoel van verantwoordelijkheid betrof in de eerste plaats hun kinderen en elkaar, misschien wel in die volg­orde. Beider ouders speelden er eveneens een belangrijke rol in, vooral voor pa; ma verloor de hare in 1970 en 1973, pa de zijne begin 1976. Voor hun kinderen was pa en ma niets te veel. Zij hielpen hen waar zij maar konden. Dat ging, zolang beiden sterk waren, heel ver. Soms ging het te ver. Pa en ma's verantwoorde­lijkheidsbesef werd dan als beknellend ervaren. Pa en ma hadden daar onvoldoende gevoel voor. Zij meenden het toch goed – wat kon daar mis mee zijn!? Een enkele keer kwam het tot langdurige onder­linge verwijdering. Pa en ma toonden zich één in hun ver­bittering: was dit hun loon!?


Oma en opa

Zoals het voor onze ouders en grootouders vanzelf had gesproken om kinderen te krijgen, deed het dat voor Resie en Co – zoals het dat ook voor mij zou hebben gedaan in een andere situatie. Bart werd geboren op 3 oktober 1982, Mark op 24 april 1984 en Astrid op 17 juni 1994. Het waren absolute hoogtepunten in het leven van pa en ma; zij voelden zich zielsgelukkig met een kleinkind op schoot.
Resie en haar gezin woonden zo'n zes, zeven kilometer van Eygelshoven vandaan. Ma en pa kwamen jarenlang weke­lijks op visite en brachten dan menig uur bij hen door. Pa trok heel veel met zijn kleinzoons op. Ma en hij leken met de geboorte van hun kleinkinderen een verjongingskuur te hebben ondergaan. Het was niet moeilijk, in hen de energieke ma en pa van Resie's en mijn kinderjaren te herkennen.

Ook bij mij kwamen pa en ma weleens op bezoek. Ik toonde mij minder honkvast dan mijn zus. In de jaren 1974-1981 woonde ik in Amsterdam, in 1981 een half jaar in Maastricht, vervolgens tweeënhalf jaar bij pa en ma, anderhalf jaar in Maastricht en een kleine vier jaar in Venlo; eind 1989 was ik in Amsterdam terug, ditmaal samen met Alfons, met wie ik een woning deelde.
In februari 1994 kregen Alfons en ik in de Bijlmer een pracht van een flat aangeboden. Wij hoefden pa en ma niet uit te nodigen om een kijkje te komen nemen. Ze waren er ineens, bepakt en gezakt. “Wij gaan pas weer naar huis, als jullie verhuisd zijn”, werd ons meegedeeld. Het tekende pa en ma, maar in dit geval was er meer aan de hand. Ma had een telefoontje gehad van een vrouw met wie pa en zij sinds tientallen jaren bevriend waren. Opeens was het aan de andere kant van de lijn stilgevallen. Pa had zich er naar toe gehaast, maar de vrouw had niet opengedaan. Zij bleek een hersenbloeding te hebben gehad en kon nu elk moment overlijden. Ma en pa waren hun woning dus ook ontvlucht.
Uitblazen was er echter niet bij. Er moest van de morgen tot in de avond worden gewerkt. Pa had een sterke lamp meegebracht die dat mogelijk maakte; de dagen waren immers kort, en pa en ma hadden geen rust. Op het nieuwe adres werd het behang van de wanden geweekt, werd rauhfaser geplakt en geschilderd, werden de plafonds gewit en werden vloeren geëgaliseerd, zodat er vaste vloerbedekking kon worden gelegd. Ma ging als een witte tornado door beide woningen. Na een week konden wij pa en ma uitgeleide doen vanuit een volledig opgeknapte en ingerichte nieuwe woning.




Samen bejaard

Ma en pa hebben dus geen dertig jaar lang naar de dood toe geleefd; je zou het door de ellende van de laatste jaren haast vergeten. Als echtpaar waarvan de kinderen uitgevlogen waren, hebben zij er nog vele jaren wat van kunnen maken. Pa was sinds januari 1980 vervroegd gepensioneerd; materieel ontbrak het ma en hem aan niets. Ze konden zich veroorloven wat zij wouen en sparen als nimmer tevoren.
Ma's collectie schoenen en jurken nam een ongekende omvang aan, ook al doordat zij van tijd tot tijd vond dat zij moest lijnen en dan drastisch te werk ging. Bij haar overlijden stonden in een kast wel vijftig paar schoenen van haar; veel ervan zal zij nauwelijks aan haar voeten hebben gehad, want, ook al had zij ze zelf gekocht en al waren ze nog zo duur geweest, er ontbrak in haar ogen al te vaak iets aan. Ik geloof niet dat pa hier ooit iets van gezegd heeft. Zijn Keet moest het vooral kopen, als zij iets mooi vond. Als zij zelf niet op pad kon, haalde hij in een modezaak in het dorp kleding op zicht, zodat ma thuis kon kiezen. Zelf wilde pa er ook netjes bij lopen, maar voor zichzelf schafte hij lang niet zo veel aan.
Terwijl pa zijn conditie op peil hield door tweemaal per week naar de sportschool te gaan, liet ma iemand aan huis komen voor orgel-les. Ik had de indruk dat het ma soms meer te doen was om de persoonlijke aandacht die zij van de muziekleraar kreeg dan om wat hij haar bijbracht. Later ging zij bij een koor buiten het dorp. Lid waren voornamelijk oudere dames die lekker, pretentieloos wilden zingen. Van ma begreep ik dat de dirigent het leiden van het koor beneden zijn waardigheid achtte en dat daar geregeld ruzie van kwam. Als in Kerkrade de jaarlijkse korendag werd gehouden, ging pa mee om het allemaal te filmen. Ma genoot ervan, als zij iemand thuis een optreden van haar koor kon laten meebeleven.
Lezen deed ma op haar oude dag nauwelijks meer, hand­werken – zij heeft nog een poosje kussens en kleedjes geknoopt – evenmin. Kruiswoordpuzzels oplossen deed zij des te meer. Het hield haar geest soepel. Over de televisie-programma's waarin allerlei lui verwanten en ex'en luidruchtig de afgrijselijkste ver­wijten maakten, hebben we het reeds gehad. Door het volgen van einde­loze soap-series bleek ma onbewust Engels te leren. Ik kon mijn oren niet geloven toen een Srilankaanse vriendin mij vertelde dat zij zich aan de telefoon met ma had onderhouden: ma had haar verstaan!
Terwijl ma in de voorkamer naar háár programma's keek, keek pa in de achterkamer met koptelefoon of geluidloos naar de zijne. Naar muziek-programma's keken zij samen. Ik had er heel wat voor over gehad, als ik beiden eens een keertje mee had kunnen nemen naar Sri Lanka (ik deed er onderzoek) of als wij samen Oostenrijk hadden kunnen bezoeken. De zangers en muzi­kanten waarvan zij genoten, traden immers op in een berg­landschap dat voor pa en ma een lust voor het oog was. Pa had ik er misschien nog naar toe kunnen krijgen, ma beslist niet. “Wij hebben vroeger niet gereisd – wij hadden daar het geld niet voor – en hoeven dat nu ook niet te doen.”
In Heerlen en Kerkrade-centrum kwamen ma en pa des te vaker. Zij liepen er over de jodenmarkt of langs de winkels. Pikten ze er ook weleens een terrasje? Ben je gek. “Vroeger hadden we er het geld niet voor.” “Jullie hebben het nu wel!” “Ja, maar niet om het weg te gooien. In de supermarkt krijg je een hele fles voor wat je op een terras voor één glas betaalt.” Einde discussie. Wat taxi's betreft, was het hetzelfde liedje. Als je moeite hebt met lopen, laat je je toch een keertje per taxi naar het stadspark in Kerkrade of naar de kerk van de heilige Gerardus in Wittem brengen!? Nee hoor, “wij geven ons zuur verdiende geld toch zeker niet uit voor een taxi!” Pa en ma waren het met elkaar eens.


Verschralend Eygelshoven

Als ik naar het dorp loop”, merkte pa op, “kom ik bijna niemand meer tegen die ik ken. Er toetert weleens iemand. Die zal ik dan wel kennen. Maar als iemand in zijn auto voorbij rijdt, kan ik niet zien wie het is. Pa had ook kunnen zeggen: “Er zijn in Eygelshoven weinig winkels meer.”
Van degenen die pa in hun auto voorbij zag tuffen, deed menigeen zijn boodschappen buiten het dorp, in een grote zaak met uitgebreide keus en lagere prijzen. Je wilt tenslotte geen dief zijn van je eigen portemonnee, nietwaar? Voor kinderen van winkeliers gold wat er voor kinderen van mijnwerkers gold: als het effe kan, kies je voor een minder arbeidzaam en risicovol leven dan je ouders, zeker als je in een ander beroep beter betaald wordt. Ook kinderen van kleine zelfstandigen gingen studeren. Familiebedrijfjes werden het ene na het andere opgedoekt.
Jongeren die 'in het noorden' aan een universiteit studeerden, keerden na afloop zelden naar Eygelshoven of Zuid-Limburg terug. Zeker na het sluiten van de mijnen en het mislukken van de (industriële) herstructurering viel daar – misschien met uitzonde­ring van Maastricht – moeilijk meer aan de kost te komen en nog moeilijker een passende baan te vinden. Zuid-Limburg heet in wervende reclames Balkon van Europa, de oude, Oostelijke Mijnstreek wordt Parkstad genoemd. Het is goed bedoeld, maar in een park of op een balkon kunnen maar weinigen een bestaan opbouwen.
Tot de weinigen die het kunnen, behoren drugsdealers. De wereld van de drugs is een harde. Enkelen die wij hebben zien opgroeien, belandden erdoor in de gevangenis. Eén van hen hing zich er op. We moeten oppassen dat wij van Eygelshoven geen karikatuur maken, maar vanaf een afstand werd ik er niet vrolijk van. Mensen uit de omgeving verhingen zich, een enkeling sprong van een flat of stak zich in brand. Het kwam ook in mijn Amsterdamse omgeving voor, maar van Eygelshoven viel het me tegen.....zo grote eenzaamheid, zoveel heimelijke wanhoop in een omgeving waarin mensen elkaar toch menen te kennen!
Eygelshovenaren hebben elkaar nooit goed gekend, vermoed ik. Ze konden het zich niet permitteren, hun buren diep in hun hart te laten kijken. Met de wereldwijde individualisering, de ongeken­de mobiliteit en de verspreiding van computers met hun social networking zullen de buren-contacten niet intensiever zijn gewor­den. Veel geboren-en-getogen Eygelshovenaren hebben het dorp verlaten; er zijn mensen van elders voor in de plaats gekomen. Het verenigingsleven heeft een flinke klap gekregen. Eygelshoven had in 1966 6600 inwoners. Hoeveel het er nu zijn, is moeilijk te zeggen: Eygelshoven hoort sinds 1982 bij Kerkrade, er wordt anders geteld. Eygelshoven-Kom, de Hopel en het Waubacherveld hadden in 2009 5500 inwoners. Dat wijst op een forse aderlating. In 2007 werden er veertig mensen geboren en overleden er vijfenvijftig.



Moreel faillissement

De begraafplaats aan de Rimburgerweg beleeft gouden tijden”, hoor ik u denken. Je verwacht het, maar het schijnt niet zo te zijn. “Veel Eygelshovenaren willen niets meer met de kerk te maken hebben”, verklaart iemand die het kan weten. “Zij willen niet eens meer kerkelijk begraven worden.” Overledenen gaan linea recta naar het crematorium; hun as wordt uitgestrooid.
Degene die het me toevertrouwt betreurt het, maar kan het zich wel voorstellen. Onder de kop Bange, religieuze man..... in de levensbeschrijving van ma's vader zullen wij kennismaken met het wantrouwen van Franciscaanse broeders jegens hun pupillen. Zij vonden het vervelend, dat zij tijdens een film­voorstelling niet konden zien wat de jongens met hun handen uitspookten. Laat nu uitgerekend broeders uit Bleijerheide ervan beschuldigd worden dat zij niet van pupillen af konden blijven! In heel Europa worden religieuzen van hoog tot laag beschuldigd van seksueel misbruik op grote schaal. In Nederland schijnen reli­gieuzen zelfs leerlingen die zich erover beklaagden te hebben laten opsluiten en castreren.
Wantoestanden zijn van alle tijden en culturen; ze zijn nooit helemaal te voorkomen. Ze worden echter vergemakkelijkt en houden lang stand in een gesloten en sterk hiërarchische cultuur. Het Tweede Vaticaans Concilie had in die cultuur enige verande­ring moeten brengen. In Nederland was de hervormingsbeweging bijzonder sterk en radicaal. Rome maakte haar kapot. Limburg kreeg in 1972 in Johannes Gijsen een bisschop die nauwelijks met andersdenkenden kon communiceren en die dacht en handelde in termen van autoriteit en rechtgelovigheid. In plaats van bruggen te bouwen, zoals de naam pontifex (Latijn voor bisschop) suggereert, sloopte hij ze. Wie het niet met hem eens was, was niet zuiver in de leer en mocht wat hem betreft uit de kerk wegblijven.
Eygelshoven en naburige dorpen kregen te maken met ortho­doxe priesters die menige gelovige te licht bevonden, die nog vóór aankomst ruzie maakten met hun nieuwe parochianen, die geen protestantse begrafenis wilden in “hun” kerk.....en die uiteindelijk het veld moesten ruimen, de een nadat hij een parochiaan zwanger had gemaakt, de ander omdat hij met zijn vriendin plezier had gemaakt met geld uit de armenkas, en weer een ander omdat hij duizenden euro's had gestolen die waren ingezameld voor het gezin van een vrachtwagenchauffeur die zijn leven had opgeofferd om dat van schoolkinderen te behouden.
Het schandaal was compleet toen conservatieve bis­schoppen het veld moesten ruimen vanwege seksueel misbruik waaraan zij zich zelf schuldig hadden gemaakt – (oud-)bisschop Gijsen werd tussen de bedrijven door beticht van onbetamelijk gegluur als surveillant op een internaat – , toen bleek hoeveel moeite de kerkelijke top en wereldlijke autoriteiten (tot gerechtelijke instanties toe) zich hadden getroost (en zich nog steeds getroosten) om zaken in de doofpot te stoppen en te houden.....en hoe onbelemmerd boos­doeners al zeden predikend vele jaren lang hun gang hadden kunnen gaan. De katholieke kerk is moreel failliet, vinden ook veel Eygelshovenaren. Dat zij momenteel gezegend zijn met een zielenherder die door parochianen terecht op handen wordt gedragen, valt hun misschien niet eens meer op.


Verdwijnende wereld

Bij Stevens (de radio- en lampen-zaak waarin ma werkte) keek ik altijd naar een grote kroonluchter”, vertelde ma in januari 1995. “Als je trouwt, krijg je die van mij, zei mijnheer Stevens. Ik heb hem niet van hem gekregen. Toen ik trouwde, werkte ik op de fabriek.” “Stevens zal niet eens geweten hebben dat wij trouw­den”, meende pa. Ma: “Nu kan Stevens ze mij niet meer geven.”
Stevens was allang dood, zoals zovelen uit pa en ma's jonge jaren. Als we zaten te eten, ging het er vaak als volgt aan toe. “Paaseieren, ja. Ik herinner mij niet dat wij vroeger met Pasen veel gevierd hebben. 's Avonds konden wij in de tuin een nestje maken. 's Morgens lagen daar enkele eieren in.” Terwijl ma dit op Paas­zondag vertelde, at zij bedachtzaam een speculaasje. (11 april 2004)
De ene gedachte riep de andere op. “Toen we na ons trouwen niet onmiddellijk in onze eigen woning konden trekken, hebben wij eerst bij oma en opa op zolder geslapen; daarna hebben wij een klein kamertje bij hen als tijdelijk onderkomen ingericht. Tiny en Wiel B zijn in de sacristie getrouwd. Tiny was immers protes­tant.” Tiny kwam net als ma uit Bleijerheide, en kwam ook aan de Kommerveldlaan te wonen. Tiny, Wiel van der S, Y van X, de familie B – van een paar mensen weten ma en pa dat zij zijn overleden. Wat is er met de anderen gebeurd: zouden zij nog leven? (januari 2001)
Precies een jaar daarna ging ma in gedachten de buurt na. “Hierachter hebben na elkaar twee politieagenten en de familie B gewoond. Naast hen – waar later de familie S woonde – woonden twee elektriciens. Tante Caroline en tante Mia woonden ook in die straat. De familie Roverts – buren van pa en ma – zijn ook allang weg. In het huis ernaast woont G in zijn eentje; wij zien hem nooit.” Ma glanst; het is allemaal nog maar pas geleden, dat het wereldje intact was. Even later realiseert zij zich dat zij al 45 jaar in dit huis woont. Wiel van der S is al een jaar of twintig dood.
Pa en ma's oude wereld brokkelde zienderogen af; het ging steeds sneller. Tante Mia ging, afgetakeld, in 1988, tante Carolien, die vaak bij ons op bezoek kwam, in 2000. Oom Piet verloren we in 1992, oom Frans in 1999 en oom Leo in 2004. Oom Ré, de man van tante Carolien, waren we al in 1969 kwijtgeraakt. De over­buren en hun buren, de naaste buren en hun buren, mensen verderop in de straat..... Ze verhuisden naar een bejaardenwoning of gingen dood. Neven en nichten idem dito. Naast pa en ma's banksaldo groeide hun verzameling bid­prentjes gestaag.
Ma en pa hadden grote bewondering voor buurtgenoten die jarenlang zorgden voor hun zieke partner. En die soms eerder overleden dan hun partner. Enorme waardering hadden zij ook voor mensen die bleven zingen terwijl zij leden. De reeds vroeg door ziektes geplaagde Paula H bijvoor­beeld. Terwijl haar man haar verpleegde, bleef zij de moed in eigen persoon. Zelf waren ma en pa op het laatst mee van de oudste bewoners van de ooit zo jonge Molenweg.


Fijn, bij pa en ma te zijn

Ik realiseerde me maar al te goed: dat ik pa en, vooral, ma gebukt zie gaan onder ouderdoms-gebreken is een luxe-probleem, waarvoor ik de hemel op mijn blote knieën mag danken! “Ik vond het fijn, vanmorgen bij pa en ma te zijn: je hebt dan even tijd voor elkaar”, noteerde ik op zondag 31 maart 1996. “Als je bedenkt hoeveel hun handen, die oud worden en verschrompelen, voor Resie en mij hebben gedaan! Ze verdienen dat wij van hen houden, en veel!”
In de tijd waarin ik dit schreef, beleefde ik avonturen die niet alleen voor pa en ma ongewoon waren. En waarover ik maar liever zweeg – en zwijg. Tijdens een bezoek aan ma en pa lichtte ik een tipje van de sluier. “In de ogen van pa en ma moet ik wel een bizar leven leiden, maar ze weten dat ze daar weinig aan kunnen veranderen”, lees ik erover in mijn dagboek.Ma waar­schuwt mij slechts voorzichtig te zijn. Rond zeven uur brengen pa en ma mij naar het station.” De trein bracht mij niet naar huis. De volgende dag deed ik ma over de telefoon verslag. Mijn gedrag verbijsterde haar. “Ik ben nu eenmaal geen type voor een klooster,” verklaarde ik. “Nee”, reageerde zij,dat zou wel héél erg zijn!”
Mijn ouders en ik waren bij alle onderlinge verschillen, loyaal aan elkaar. Het bleek telkens weer. In oktober 2002 vertelde ma dat ze in de Libelle of de Margriet, dames-tijdschriften die ik voor haar meenam, het verhaal had gelezen waarin een man zijn homoseksuele zoon afwees, althans diens homoseksualiteit niet aanvaardde. Ma vond het verschrikkelijk. Pa en zij konden zich niet voorstellen dat iemand om wat voor reden dan ook zijn kind afwees.



“Waren jullie nog maar klein”

Voor wat betreft ma was er echter nog een andere kant van de medaille. “Altijd als ik E zie, denk ik aan jou. Ik zou jou niet meer naar Rolduc (het gymnasium) laten gaan”, vertelde ma in hetzelfde gesprek. “Altijd als ik E zie, altijd als ik J zie, altijd als ik K zie, altijd als ik......” Hoe vaak ik dat niet uit de mond van ma heb vernomen. E was leraar; dat was ik met mijn mooie diploma's niet geworden. J, die niet zo goed had kunnen leren, was cursussen gaan volgen en had nu een eigen bedrijfje. K.....
Ik werd aan een stuk door gewogen en te licht bevonden. Geen enkele vergelijking viel in mijn voordeel uit. Ik werkte bij de thuiszorg, schrobde vloeren en waste oude mensen. Had ik daar­voor zo lang gestudeerd? Hadden pa en ma zich daar krom voor gelegd? Ja, ik schreef ook boeken en werkte voor tijdschriften. Mijn boeken kregen klinkende recensies, één ervan was op teevee vertoond, ik was korte tijd kind-aan-huis geweest in radio-studio's. Maar dat stelde toch allemaal niet zoveel voor. De boeken hadden me niets opgeleverd.
“Nee, Jo, jij zou niet meer naar Rolduc gaan. Als jij daar niet niet naar toe was gegaan, was jij ook niet naar Amsterdam gegaan: dan had jij nu hier in de buurt gewoond.” Het wilde er bij ma niet in, dat mij dat diep ongelukkig zou hebben gemaakt. En dat ik op mijn manier mijn draai had gevonden. Dat het voor mij een bewuste keuze was om niet het onderwijs in te gaan. Dat ik wilde schrijven. Dat ik me in Amsterdam op mijn plek voelde. En dat geld en carrière voor mij onbelangrijk waren.
Ma's eeuwige afkeuring deed ten langen leste niet meer pijn, ik ging er gewoon van kotsen. Ik heb moeten leren leven met het idee dat zelfs als ik minister-president zou zijn geworden, mijn moeder zou hebben gevraagd: “Waarom ben jij niet gewoon leraar geworden? En waarom woon jij niet in Eygelshoven?”

Ma handelde uit liefde – ik weet het en wist het. Mij is na haar overlijden ten overvloede door een vriendin van haar ver­zekerd hoe ma mij de jaren door heeft opgehemeld. “Trouw nooit met een man die niet zonder zijn moeder kan!”, voegde zij pa in hun jonge jaren toe. Zelf accepteerde ma niet dat haar jongetje man was geworden en zijn eigen weg had gezocht. Zij was hierin het volmaakte tegenbeeld van pa. “Waren jullie nog maar klein!” Het was ma's lijfspreuk. Als ik ma vertelde dat ik op reis ging, was haar reactie: “Ik ben blij als je terug bent.” Als ik terug was, informeerde ze niet naar mijn belevenissen, maar was het slechts: “Wat ben ik blij, dat je terug bent! Wat heb ik me een zorgen gemaakt! Jij gaat toch voorlopig niet meer weg!? Dat doe je je moeder toch niet aan!?” Ik mocht de wereld bij ma thuis brengen. Ze ontving iedereen even hartelijk: mijn vrienden uit Limburg, mijn vriendin uit Polen en mijn vriend uit Turkije. Maar zelf moest ik uit de wereld wegblijven.
Ik wist: het kwam voort uit moederlijke overbezorgdheid, die ook wel moederliefde wordt genoemd. Maar het maakte een normaal gesprek onmogelijk. Ik kon ma niet eens vertellen dat ik in mijn eigen omgeving een wandeling wilde gaan maken. Toch wilde zij voortdurend alles weten en zei ze: “Als je tegen me liegt, kan ik net zo goed dood zijn! Je moet je moeder alles vertellen!”
Ma had een ijzersterk geheugen. Tijdens haar leven ben ik een kleine dertig jaar wekelijks of om de twee weken tussen Amsterdam en Eygelshoven heen en weer gereisd. Ik deed het met de trein. Iedere keer weer opnieuw drong ma aan: “Jo, je moet nu gaan: jij mist anders de trein.” Op een dag zei ik: “Ma, ik heb die trein nog nooit gemist.” Dat had ik niet moeten zeggen: twintig jaar tevoren was de trein toch maar mooi voor mijn neus weg gereden. Ik was zelfs gevallen toen ik een sprint in had gezet. Was ik dat soms vergeten?




Zoveel moeite als het ma kostte om haar kinderen los te laten, zoveel moeite kostte het haar ook om los te komen van haar verleden. Ik denk ook niet dat zij daar enige moeite voor deed. Zij sprak over incidenten van vijftig, zestig, zeventig jaar geleden alsof zij de dag tevoren hadden plaatsgehad. “Toen heb ik X mijn citer (of dat boek of die grammofoonplaten) uitgeleend. Ik heb ze niet teruggekregen.” Als ik zei: “Ma, dat is al zo lang geleden en we hebben nu wat ons hartje begeert”, reageerde ze: “Ja, maar zoiets vergeet je nooit!” Ma vergat dus ook niet. Ze was een gevangene van haar verleden.
Over dat verleden vertelde ma weinig (en hoe langer hoe minder) positiefs. Toch leek zij er een romantische voorstelling van te koesteren en ernaar terug te verlangen. Ze zou bijvoorbeeld zonder blikken of blozen vertellen dat zij zich nergens gelukkiger had gevoeld dan in Bleijerheide en dat het o zo fijn was toen Resie en ik nog bij pa en haar inwoonden. Het had dan geen zin, om ma aan haar eigen verhalen te herinneren of erop te wijzen dat de jaren die wij samen hadden beleefd niet alleen rozengeur en maneschijn hadden gekend. De sleutel voor de tegenstrijdigheid schuilt mis­schien in een uitspraak van ma uit december 1998: “Het leven is niet meer zo mooi als je oud bent: je hebt geen doel meer.”


Ongeremd bergaf

Ma leek de laatste tien, twintig jaar van haar leven inderdaad nauwelijks meer een doel te hebben. Aan ziektes en kwalen had zij zich zo ver mijn herinnering reikt met overtuiging overgegeven. Tegenover iedere bezoeker die had geklaagd over welke ziekte of gebrek dan ook had zij gezucht: “Je zou míjn pijn eens moeten voelen!” Het hoorde bij ma; ik nam het niet meer serieus. Ik was ervan over­tuigd, dat ma's ziektes en kwalen invulling gaven aan haar bestaan; zij verzekerden haar op ieder gewenst moment van aandacht.
In ma's optreden zat een eindeloos en voorspelbaar patroon. Ze klaagde onophoudelijk over een kwaaltje dat haar verhin­derde om iets te ondernemen waar zij eigenlijk geen zin in had. Als ze na maanden of jaren naar de dokter ging en die constateerde iets, duurde het heel lang voordat ma zich eraan liet helpen. Na afloop weigerde ze behoor­lijk te revalideren.
Het netto resultaat was en bleef: afhankelijkheid tot op het hulpeloze af – en daarmee de mogelijkheid om haar partner tot in het absurde naar haar hand te zetten. Ik hoor pa en ma nu beiden luidkeels protesteren, maar ik ga nog even door. Door haar onver­antwoordelijke gedrag, waarop ma wellicht uiteindelijk haar greep heeft verloren, heeft zij niet alleen haar eigen sterke lichaam en geest maar ook die van pa stelselmatig gesloopt. Zij heeft pa mee het graf in gesleurd. Ik ben ervan overtuigd, dat beiden nog menig jaar hadden kunnen leven.

Voor de duidelijkheid: ma mankeerde wel degelijk iets. Reeds op de kalender van 1996 is een bibber in haar ooit zo mooie handschrift te zien: ma leed aan de ziekte van Parkinson. Haar vader had die vermoedelijk ook, maar bij hem is nimmer de diagnose gesteld. “Je hebt te veel aan de armen gegeven”, zeiden we als hij zat te bibberen. Ma's handen en gezicht beefden onop­houdelijk. Eten en drinken moet voor ma een kwelling zijn geweest. Probeer maar eens met bevende hand een mok koffie of een lepel soep aan je mond te brengen! Ma klaagde hier niet over. De ziekte moet haar stemming echter ongunstig hebben beïnvloed – zonder dat wij ons van de oorzaak bewust waren.
Ma had ook een hartkwaal. Toen pa en zij mij eind 1996 van Schiphol haalden – ik kwam uit Sri Lanka en had niet eerder zo'n lange en verre reis gemaakt – heeft ze waarschijnlijk onderweg een hartinfarct gehad maar is ze zo goed en zo kwaad als het kon door blijven lopen. In november 1997 onderging zij in het Acade­misch Ziekenhuis Maastricht een coronaire bypass-operatie. Haar ontslagbrief gewaagt van een achterwand-infarct in februari van dat jaar. In de Hoensbroekse Sint-Lucas-kliniek werkte ze vervol­gens onvoldoende mee aan haar revalidatie. Het bleef dus sukke­len.
Ma had op een gegeven moment ook suikerziekte, iets waar­mee je prettig kunt leven als je je er een beetje naar gedraagt. Ma peinsde er niet over. Hoewel ze heel veel medicijnen slikte, sloeg ze complete maaltijden over en pikte ze uit andere maaltijden slechts het ongezondste. Ze vertelde pa bijvoorbeeld hoe hij aardappelen, groenten, vlees en jus klaar moest maken, en at dan zelf alleen maar een bord jus, of aardappelen met jus, of een bakje vla of ijs. 's Avonds bakte ze soms vier tot acht kroketten of gehaktstaafjes voor zichzelf. “Doe dat nou niet”, bezwoer ik ma. “Eet alsjeblieft gezond! Je takelt anders af; je kunt zelfs dement worden.” Het leverde me de jaren door alleen maar ruzies op. “Ben jij ook tegen me?”, vroeg ma twee maanden voor haar overlijden aan pa nadat ik haar een goede raad had willen geven. Pa verzocht mij dringend om verder mijn mond te houden: ma deed toch wat zij wou.
Ma had last van staar, aan beide ogen. Dat is knap hinderlijk. Ma's wereld werd nog kleiner dan ze al was, maar er ging heel wat water door de Rijn vóór zij zich liet helpen. Ma werd eerst geopereerd aan het oog waarmee zij sinds 1953 het minste zag. Als het goed ging, zou het andere oog volgen. Het ging goed, vertelde ma de eerste week: van de operatie had zij weinig bespeurd en zij was meer gaan zien dan verwacht. De week daarop waren haar verhalen al minder positief. Als ma niet binnen een jaar de staar van haar andere oog liet verwijderen, zou zij blind worden, had de oogarts haar verteld. – Ik heb dit allemaal uit de mond van ma. – Liet zij zich aan haar andere oog helpen? Ik hoor het de hulpverlener nog vragen. “Nee”, klonk het uit ma's lachende mond.





Van gesprekken met hulpverleners heb ik aantekeningen gemaakt. “Ik kan niets meer”, zei ma op 29 november 2007. “De traplift, waarom wij hebben gevraagd, heb ik eigenlijk niet nodig: ik kan op mijn knieën de trap op kruipen en me op mijn kont naar beneden laten zakken. (…) Ik ben vanmorgen nog gevallen. (…) Bij mijn verzorging heb ik geen hulp nodig. (…)”
Ma bleek niets meer te kunnen lezen, geen teevee meer te kunnen kijken, niet eens meer op de hof te komen en, op de afwas na, geen enkele bezigheid meer te hebben. “Uw dag suddert aan”, concludeerde de hulpverlener. “Als er geen zingeving is, is dat bedreigend voor uw gemoedstoestand. U heeft prikkels nodig om zo lang mogelijk vitaal te blijven.”
Is het tot ma doorgedrongen? “Ik kan er niets aan doen, dat ik kreupel ben”, gaf zij terug. “We zijn 56 jaar getrouwd; je mag dan wel verlangen dat iemand achter je staat. Op 17 december kwam de hulpverlener opnieuw op huisbezoek. “Als dat het leven is, wil ik niet meer. Ik heb een ijzeren wil”, liet ma hem weten zonder hem aan te kijken. “Ik ben nooit voor vreemde mensen in huis geweest”, huilde zij. Ma weigerde zo goed als iedere vorm van thuiszorg, dagopvang of wat dan ook.


“Mond open en slikken!”

Eén keer heb ik radicaal ingegrepen. Dat was op 6 oktober 2007. Ma was in het ziekenhuis te Heerlen beland. Ze lag er op de acute-opname-afdeling. Zij was tot niets meer in staat, maar niemand wist haar mankeerde. Op een zaterdag, vlak voordat ik op de trein terug zou stappen – ik moest die dag in Leiden werken – ging ik nog even bij haar langs. Ma bleek volkomen verward; ze wist niet waar zij was en zag van alles wat er niet was. Ze had, als ik me goed herinner, al een poosje niet gegeten. “Ma gaat dood!”, schoot het door mijn hoofd. Huilend belde ik naar mijn werk op met de vraag of ik weg kon blijven.
Even later verscheen een verpleegster met eten aan ma's bed. Ma weigerde. “Uw moeder heeft geen trek”, besloot de verpleeg­ster. “Als ma nu niet eet, gaat zij dood”, lichtte het in mij op. “Maar ik wil helemaal niet dat zij dood gaat!” “Geef míj dat eten maar!”, zei ik tegen de verpleegster. Tegen ma zei ik: “En nou doe je je mond open! En slikken!” Ik heb een huilende en tegen­stribbelende ma jankend gedwongen om te eten, want ik wou haar niet kwijt. “Ik houd veel te veel van haar om haar zomaar te laten gaan”, realiseerde ik me enigszins verbaasd.
“We hebben de indruk dat het bij mevrouw voornamelijk tussen de oren zit”, vertelde een dokter ons een paar dagen later. “Ze heeft bovendien een medicijn-vergiftiging.” Ma mocht het zieken­huis uiteindelijk verlaten op voorwaarde dat zij naar een kliniek ging om te revalideren en daarna thuishulp zou accepteren. De belofte was gauw gedaan. Ma was nog geen drie dagen in de kliniek, of zij kon alweer traplopen; ze wou immers zo gauw mogelijk naar huis! De thuiszorg wist ze daarna nog een poosje buiten de deur te houden.
Bij thuiskomst trof ma de woning vers behangen aan. Pa, oom Paul en tante Maria hadden daar in allerijl voor gezorgd, zodat ma er geen last van had. Ziehier haar verhaal. “Pa wilde mij niet naar huis hebben, want hij wou de woning opknappen. 'Nee', zei de dokter tegen hem, 'daar zijn wij niet voor: wij houden uw vrouw niet langer dan noodzakelijk!'” Als we ma vertelden hoe ze er bij had gelegen..... Hoe verzonnen we het!? Ma's realiteitsbesef was er geen geval op vooruit gegaan.





Weinig weerbaar

Ma gaf het niet graag toe, maar het huishouden dreef de laatste jaren bijna volledig op pa. Hij was nog sterk, maar miste de weerbaarheid van weleer. Tijdens pa en ma's laatste bezoek aan mij, in juni 2005, viel mij op hoe onzeker pa zich op het station toonde; ik was dat van hem niet gewend. Het trad schril aan het licht bij de renovatie van hun woning. Mijn ouders ondergingen de ellende lijdzaam, maar ik kon het ten langen leste niet meer aanzien. Mijn brief aan het woningbedrijf van 17 maart 2008 spreekt boekdelen. Hier komt-ie, enigszins bekort.
Hierbij breng ik onder uw aandacht dat mijn ouders – beiden over de tachtig en mijn moeder zwaar ziek – door de renovatie van hun keuken al langer dan een week zonder warm water zitten en dat zij al die tijd ook niet hebben kunnen koken. En dat het einde hiervan niet in zicht is doordat uitvoerders voortdurend afspraken niet nakomen en mijn ouders in het ongewisse laten. Ik verzoek u om vandaag nog in actie te komen, zodat aan deze beschamende toestand een einde komt.
Het gaat om het echtpaar dat u een half jaar geleden een bloemetje en een cheque voor een maand gratis wonen bent gaan aanbieden omdat het al meer dan vijftig jaar in een woning van Wonen Heuvelsteden woonde. Vlak tevoren was hun een woning­renovatie aangeboden, zodat zij in hun oude, vertrouwde omge­ving konden blijven wonen. Bij die gelegenheid heeft u een foto van beide echtelieden, mijn ouders, gemaakt. U heeft die foto zelfs gepubliceerd.
Welnu, tot een renovatie van de badkamer is het inderdaad snel gekomen, waarop de gemeente Kerkrade instemde met de aanleg van een traplift en daar ook toe overging. Nadat de bad­kamer gerenoveerd was, zou er een nieuwe keuken komen en zou er centrale verwarming worden aangelegd. Het idee was afkoms­tig van uw woningbedrijf; mijn ouders hebben er na enige aarze­ling mee ingestemd.
De centrale verwarming werd eind vorig jaar aangelegd.... op de verwarmingsketel na. Die laatste zou pas kunnen worden geïnstalleerd bij de renovatie van de keuken, die was voorzien voor december 2007.
Toen ging het mis. De uitvoerder liet weten dat de keuken-renovatie hem ongelegen kwam. Mijn ouders wilden niet lastig zijn en stemden ermee in, dat de renovatie na de feestdagen zou plaatsvinden. Het werd uiteindelijk....maart.
Vorige week maandag, 10 maart, kwamen werklieden om het aanrecht, de keukenkastjes, het gasfornuis en de geiser weg te halen, de schoorsteen weg te breken en de wandtegels te ver­wijderen. De rest van de week hebben mijn bejaarde ouders vooral vergeefs zitten wachten op werklieden. Iedere dag weer opnieuw wachtten zij vanaf 's morgens acht uur op iemand die zou komen, maar meestal niet kwam of maar een paar uur kwam.
Vandaag – zo was hun toch echt beloofd, maar ditmaal echt heel echt – dat er 's morgens een tegelzetter zou komen. Morgen konden dan het keukenblok en de verwarmingsketel worden geïn­stalleerd. De tegelzetter kwam niet opdagen. Er verscheen wel een opzichter, die beloofde dat er in ieder geval 's middags iemand zou komen. Ook die persoon verscheen niet; mijn ouders werden opnieuw niet op de hoogte gesteld, zodat zij voor de zoveelste keer vergeefs zaten te wachten.
Mijn ouders moeten zich sinds ruim een week wassen met water uit een waterkoker. Er is geen duidelijkheid over hoe lang dit nog zo gaat duren. Zitten zij met de Pasen nog in die toestand, zodat zij zich dan al twee weken niet behoorlijk hebben kunnen wassen? Het gaat om trouwe huurders, die altijd hun verplich­tingen zijn nagekomen en die zich altijd bescheiden hebben opgesteld. Dit kunt u toch niet toelaten!?


Is dit werkelijk alles!?

Tijdens de woning-renovatie toonde ma zich van haar sterke kant: zij klaagde weinig, terwijl zij er toch heel veel hinder van ondervond. Ook tijdens Haşims eerste bezoek aan Nederland (maart/juni 2010) beleefden wij samen met ma menig fijn moment. Wij kwamen wekelijks in Eygelshoven en logeerden er meermaals. Van het mooie portret dat ik in mei van ma maakte, vreesde ik evenwel dat het het laatste zou zijn.
De mooie momenten waren immers schaars aan het worden. De laatste jaren zagen wij een ma die wegzonk in gesuf en gedommel. Opvallend was ook de ma die pa in het rond comman­deerde. Die hem letterlijk geen vijf minuten rust gunde. Die het normaal vond dat haar man niet eens meer in de tuin kon komen – om van de sportschool maar te zwijgen. Die hem vertelde wat hij moest koken. Die, als het eten klaar was, zei dat ze niet hoefde te eten. Die dan, als we zaten te eten, vroeg of zij niets kreeg. Ze wilde dan iets dat moest worden klaargemaakt, zodat pa's eten koud werd. Die van pa beweerde dat hij vreemd ging of dat iemand een oogje op hem had, zodat ik vrienden moest vragen om pa en ma alsjeblieft niet meer te bezoeken.





En die ons op de koop toe sarde. “Ik wil dit jaar geen kerstboom”, zei ma een maand vóór haar overlijden. Het ging haar helemaal niet om die kerstboom: ze zocht tegenspraak, misschien wel omdat zij daar aan gewend was en het haar een vertrouwd gevoel gaf. Ik heb het een keer uitgeprobeerd door niet te reageren op een provocatie van ma. “Heb je niet gehoord wat ik zei?”, informeerde ze. Ze leek teleurgesteld toen ik zei dat ik haar had gehoord, maar daar verder niet op inging. Pa bedelde ma eindeloos of zij niet toch een beetje wilde eten. Ze vond het niet fijn, als ik zei dat ze “nee” had gezegd en dat zij oud genoeg was om voor zichzelf te beslissen.
Ik kom nooit ergens”, luidde een gevleugelde uitspraak van ma. Het kostte een eeuwigheid om een rolstoel zelfs maar in huis te krijgen. Toen hij er eenmaal was, wilde ma er niet in, wantde mensen denken dadelijk nog dat ik kreupel ben” en “ik kan een oude man toch geen rolstoel laten duwen!” Als ik zei dat ík die rolstoel wilde duwen, of dat die rolstoel op een accu liep, zei ze: “Ik hoef nergens te komen, ik ben tevreden.” Het gevolg was dat ook pa de deur nauwelijks meer uit kwam, want hij wilde ma niet alleen laten.
Ma maakte onbeperkt gebruik van pa's verantwoordelijk­heidsgevoel. Op een dag kreeg pa een telefoontje van zijn broer Ad: of hij en ma op de gouden bruiloft van tante Cor en hem aanwezig zouden zijn. Pa wist van niks. “Heb jij onze uitnodiging dan niet ontvangen?”, vroeg oom Ad. Ma bleek de uitnodiging te hebben verstopt: zij ging niet, want ze was daar te ziek voor; en ze kon niet alleen blijven. Resie bood aan om bij ma te komen zitten, zodat pa naar het feest kon. Ma wilde er niet van weten. Het is er ook niet van gekomen.

Het typeert de verhoudingen, en niet alleen in ma's laatste levensfase, al was het toen nóg extremer dan voorheen. In haar laatste jaren was ma nog minder dan voorheen bereid om iets van haar leven te maken. “Dit kan toch niet alles zijn!?”, heb ik mij menigmaal vertwijfeld afgevraagd. “Er moet voor ma toch meer uit het leven te halen zijn?” Ma kon het niet, of wilde niet. Het was een bittere conclusie, waarmee ik me slechts met de grootst mogelijke moeite kon verzoenen: al wordt ma honderd, van haar leven zal zij weinig meer maken!



Onverwacht slot

Het einde heeft mij desalniettemin verrast. Ik heb het wel en niet zien aankomen. Mijn verstand zag van alles, maar ik had mensen vele jaren lang zien aftakelen, tot er zo goed als niets van hen over was. Het had mij niet verbaasd, als ma negentig was geworden. Op het laatst durfde ik echter geen hele week meer weg te blijven. Ik reisde soms zes uur of meer om twee uur bij pa en ma te kunnen zijn en bleef er bij voorkeur slapen. Ik maakte bovendien foto's van ma's aftakeling, alsof ik mijzelf met de neus op de feiten wilde drukken. Tegelijkertijd wilde ik het niet zien, wilde ik in ieder geval niet dat het ten einde liep. Ik heb mij weleens afgevraagd of ma, als zij toch niet meer wilde, niet beter in 2007 had kunnen sterven. Diep in mijn hart wilde ik haar echter niet kwijt. Ik wil het nog steeds niet.
Op 18 augustus 2010 vierde ma haar 83ste verjaardag. De dag werd slechts ontsierd doordat ik pa en ma moest vertellen dat ik de 23ste dringend naar Turkije moest. – Ik had lang gewacht met die mededeling om al te lange en heftige scènes te voor­komen en om te voorkomen dat ma in bed bleef liggen. – Daags voor mijn vertrek overleed mevrouw Roverts, die jarenlang naast ons had gewoond. In Turkije vernam ik dat ma haar bed niet meer uit kwam. Ik hoefde me echter geen zorgen te maken en deed dat ook niet, want het was eerder vertoond. Ik was er zelfs een keer vervroegd voor uit Turkije teruggekeerd
Ditmaal stond ma na mijn terugkeer (op 3 september) niet op. Dat was ongewoon. Het werd nog ongewoner toen ma ook de komende weken niet uit bed kwam. Ma's bed verhuisde naar de woonkamer. Dat van pa volgde weldra, zodat hij ma dag en nacht kon blijven verzorgen. De bezoekende therapeut, die ma op gang moest zien te krijgen, kreeg steeds vaker nul op het rekest. Een dokter kwam er niet of nauwelijks aan te pas. Hulp van de thuiszorg werd mondjesmaat toegelaten om ma te helpen verzorgen.
Ma was te zwaar om te tillen en dreigde doorlig-plekjes te krijgen. Vanwege de thuiszorg kwamen een ziekenhuisbed-met-watermatras en een tillift in de woonkamer te staan. Ma verzette zich hier tegen. De matras verdween al gauw; de doorlig-plekjes lieten niet lang op zich wachten. De tillift deugde niet. Daarom kwam er een andere, waarna er weer een andere kwam, die evenmin werd gebruikt. Pa hielp ma, die zei dat zij niet eens meer kon staan, zonder tillift uit bed. Hij verschoof haar ook in bed zonder speciaal laken, want ma was ook van dat eenvoudige hulpmiddel niet gediend.

Wat mankeerde ma eigenlijk? We hebben dit niet uit de mond van een dokter, maar ik vermoed dat het een depressie is geweest. Ik heb er ook rekening mee gehouden, dat ma mij aan het chanteren was. Zij wilde niet dat ik nog naar Turkije ging en kan mij op die manier hebben willen tegenhouden. Ik weet het echter niet en kon mij ook niet laten weerhouden.
Ma houdt mij niet langer in gijzeling, ook niet via pa, noteerde ik op 23 september toen ik tijdens een slaapdienst 's avonds niet tot rust kon komen. Als ma niet aan haar herstel mee wil werken en alle hulp van buitenaf weigert, en pa laat dit toe, is dat hún probleem. (…) Ma heeft er alles aan gedaan, om haar gezondheid te ondermijnen en normaal functioneren onmogelijk te maken. Goede raad leverde alleen maar ruzies op. (…) Resie belde me vandaag op mijn werk. Ik moest maar naar Turkije gaan zonder pa en ma iets te vertellen, zei ze. Ik moest me vooral goed amuseren, want ma is ons voor de gek aan het houden, en niet voor het eerst. Resie zou wel wekelijks bij pa en ma langsgaan.
Op 5 oktober zat ik opnieuw in het vliegtuig. Tegen pa en ma had ik gezegd dat ik een week lang buitengewoon veel op mijn werk moest zijn, zodat ik niet bij hen op bezoek kon komen. Het werd een bliksembezoek, tijdens welk Haşim en ik het eerste inburgeringsexamen en de visumaanvraag ternauwer­nood voor mekaar konden krijgen. Ma belde ik om de andere dag op. En dan hoopte ik maar dat tijdens ons gesprek geen oproep tot gebed van de moskee zou komen, of dat iemand mij in het Turks zou aanspreken.

Pa had inmiddels besloten dat ma en hij niet op de oude voet verder konden: ze zouden proberen een in Eygelshoven nieuw te bouwen bejaarden- of aanleunwoning te bemachtigen. Daar was ook meer hulp in de buurt. Als ma zich echter tegen meer hulp zou blijven verzetten, kwamen zij niet voor zo'n woning in aanmer­king. Op 18 november hadden wij daarom een moei­zaam en pijnlijk gesprek met een maatschappelijk werker. Toen ik die dag huiswaarts keerde, nam ik afscheid van een ma die des duivels was en een pa die weer perspectief zag. Vier dagen later, een maandagochtend, werd ik aan het eind van een rusteloze slaap­dienst opgebeld door een medewerkster van een zorginstelling. Was de extra hulp nu al geregeld? Nee, pa was overleden!

Er volgden vier waanzinnige dagen waarin van alles voor de overleden pa en de zieke ma moest worden geregeld. Voor ma werd voor dezelfde dag nog een verpleegkliniek gezocht, was mij verteld. Vanuit de trein had ik echter laten weten dat ik zolang pa in huis was voor ma wilde zorgen. De eerste nacht moesten we het tegen de zin van ma zonder pa stellen: zijn lichaam zou in een uitvaartcentrum netjes worden opgemaakt en gekoeld, opdat het bij vrij hoge kamertemperatuur toonbaar bleef. De overige nachten rustten wij samen: pa en ma in de voorkamer, ik in de achter­kamer.
Aan de thuiszorg hadden wij weinig. Er werd soms aangebeld als ik ma net verzorgd had of als ma lag te slapen. Om iemand bij ma te laten waken, was een nieuwe indicatie vereist. Ik lag en zat dus uren te waken. Ma's ademhaling was soms zo onregelmatig, dat ik dacht dat zij ieder moment kon sterven. Als ma terminaal was, kon zij misschien naar een hospitium of kon ik tot na haar overlijden bij haar blijven. Ma wilde alles liever dan naar de Hamboskliniek, die op haar wachtte. En ik had haar nog wel een aantal weken willen verplegen. Telkens echter als er een dokter bij werd gehaald, veerde ma overeind, zodat er niks aan de hand leek. Omdat ik op een gegeven moment aan mezelf ging twijfelen, heb ik een verpleegkundige van de Hamboskliniek opgebeld. Zij had ma gezien. Beeldde ik mij in dat ma terminaal was? “Nee”, luidde het antwoord, “ik heb het schriftelijk gerapporteerd.
Ma's verpleging was slopend. Dat heb ik in korte tijd ervaren, terwijl ik toch 29 jaar jonger ben dan pa. In één nacht ben ik in tijd van twee uur vijf keer voor ma opgestaan. De eerste keer had zij zich­zelf en haar bed bevuild. Dat vond ik niet erg. Ik heb ma uit bed getild en op een po-stoel gezet, ik heb haar gewassen en in een schone nachtjapon geholpen, haar bed verschoond en haar in bed terug getild. Een half uur later heette het weer: “Jo, ik moet plassen.” Ma bleek niet te hoeven. Zoiets kan gebeuren. Een half uur later en weer een half uur later en weer een half uur later..... Toen heb ik gezegd: “Ma, dit moet je niet doen. Als jij echt moet plassen, help ik jou graag. Maar ik wil niet dat jij mij voor niets op laat staan, want ik wil hier niet naast pa komen te liggen!” Pa zou dit nooit hebben gezegd.
Ma wilde niet meer. Zij is algauw opgehouden met eten en drinken en medicijnen innemen. Ik heb niet bij haar aangedron­gen: ik had haar geen menswaardig bestaan meer te bieden. Als ik naar haar ademhaling luisterde, dacht ik: “Nu zorg ik nog voor je. Voor mij ben jij, behalve een lastig mens, ook mijn moeder. In de verpleegkliniek ben je straks alleen nog maar een lastige cliënt.” Ik vond het geen prettige gedachte, de zorg aan vreemden te moeten overgeven. Pa had het ook nooit gewild. En ma zei: “Ik ga niet naar de Hamboskliniek – ik ga dood!”Ma”, heb ik in een van haar laatste nachten tegen haar gezegd, “Resie en ik houden heel veel van je. Pa en jij hebben altijd goed voor ons gezorgd. We hebben het samen goed gehad. Maar als jij nu naar pa wilt, begrijpen wij dat. Wij dringen jou niets meer op: geen eten, geen drinken en ook geen medicijnen.”
Op vrijdag 26 november leek het einde nabij. Ma vroeg om haar moeder alsof die nog leefde en.....noem de clichés maar op. Ik kon het niet benoemen, maar het klopte niet – en het was misschien goed zo. Een beetje tegen mijn zin, belde ik in de namiddag een dokter. Die constateerde dat ma's bloeddruk, hartslag en zuurstofopname in het bloed perfect waren. Ik voelde me belazerd. Resie zag het aan mijn gezicht. Lag ma nu nog toneel te spelen? Ze vroeg om naar de wand te worden verlegd terwijl zij zich naar voren trok. Ze vroeg om naar het hoofdeind te worden verlegd terwijl zij naar het voeteneind kroop. Ik heb tegen ma gezegd dat ik haar zo niet kon helpen. Zij had tenslotte alle hulp­middelen laten verdwijnen.
's Avonds om zeven uur was er in de kerk een avondwake voor pa. Nu ma kennelijk toch niet zoveel mankeerde, liet ik buurtgenote mevrouw Wolak, die zich sinds maanden betrokken had getoond, met haar alleen. Na anderhalf uur kwamen wij thuis: Resie met haar man en zoon Mark, en mijn goede vrienden Alfons, Sander en John. Beide laatsten wilden ma condoleren en afscheid nemen van pa; Alfons zou tot na de begrafenis bij mij blijven. “Hoe moet dat nu morgen?”, vroeg Resie. “Als ma dat wil, gaat zij pa mee begraven”, antwoordde ik. We waren immers op alles voorbereid: er zou een soort van ambulance komen, ma kon liggend de uitvaartdienst bijwonen. Voor het geval zij niet kon, zou mevrouw Wolak bij haar blijven en kon ma naderhand de foto's bekijken. (Er was zelfs een fotograaf geregeld.) “Toch wil ik dat er een dokter bij komt”, hield Resie aan.
Louter om Resie gerust te stellen, belde ik de nightcare. “U hoeft zich niet te haasten”, zei ik. Terwijl ik het uitsprak, keek ik nog eens naar ma. “U moet zich wél haasten”, verbeterde ik me, “mijn moeder gaat dood!” Ik zag ma razendsnel heengaan. Ik rende naar haar bed, greep ma's handen en riep: “Ma, het spijt me, als ik jou onrecht heb gedaan! Het spijt me, als ik onheus ben geweest, als ik jou niet heb begrepen! Ma, wij houden van je!” Ma keek mij aan, maar ik weet niet of zij mij nog verstaan heeft. Ma gleed van ons weg, naar pa – de eeuwigheid in. We waren haar kwijt, de vrouw die vaak moeizaam door het leven was gegaan en die Resie en mij ons leven had geschonken.