"Ik
zal nu wel gauw van oom Leo te horen krijgen of opa en oma's graf
gehandhaafd blijft, vertelt ma in oktober 2000. Voor mij hoeft het
niet per se. Ik bid nog dagelijks voor oma, maar zelfs van de
beenderen zal na dertig jaar weinig over zijn. Ik vraag me echter af
wat jíj er van vindt, Jo.”
Ma's
vraag om raad is even ongewoon als het antwoord dat ik geef. Ik hecht
aan het graf en ben het de jaren door blijven bezoeken. Volgens een
goede vriendin laten oude mensen graven vervallen omdat zij vrezen
dat die na hun overlijden zullen worden verwaarloosd.
“Dat
laat ik aan jou en oom Leo over”,
klinkt het
uit mijn mond. “Jullie zijn de kinderen. Ik denk nog vaak aan oma,
maar bezoek haar graf nog maar één keer per jaar – als ik er al
kom.” Het is een correct antwoord, dat trots verzwijgt dat oom
Leo's en ma's houding mij pijn doet. De grafsteen verdwijnt, maar ik
blijf de plek bezoeken.
Als
mijn makker Haşim
en ik op dinsdag 10 januari 2012 op het kerkhof in de Ham aankomen,
zijn de stoffelijke resten van opa en oma Hermans zojuist opgegraven.
Vanaf een afstand zien wij hoe zij achter een haag samen in één
kist worden gelegd. Oma is nog zo goed als intact, wordt ons verteld.
Het
is een vreemde gewaarwording, overleden dierbaren van het kerkhof
vandáán te halen. De kist staat op een open vrachtwagentje; er
ligt een slordig zeil overheen. De snelste weg naar de Rimburgerweg
blijkt over Duitsland te gaan. We maken een surrealistisch
uitje.
Oma
hield van Eygelshoven. Het is goed, dat zij en opa er een waardige
rustplaats krijgen. “Hier kunnen ma en jullie verder met elkaar
ruziën”, schiet het door mij heen als we de kist in het graf laten
zakken. Ik schaam mij om de gedachte en verjaag ze met een Onzevader.
Verschillend van karakter
Van pa
herinner ik mij niet één minder gunstige uitlating over zijn
ouders. Ik herinner mij ook niet dat hij ooit ook maar één keer
ruzie met hen heeft gemaakt, terwijl hij hen toch wekelijks bezocht.
Ook met ma's ouders heb ik hem nooit ruzie zien maken. Over ma's
moeder herinner ik mij uit zijn mond niet één boze uitspraak. Op
ma's vader viel af te dingen. Pa was zich daar goed van bewust. Maar
ook voor opa Hermans' gedrag probeerde hij een verklaring te vinden.
Pa was in dit alles ma's tegenpool. Hij was de grote verzoener, die,
als de eerlijkheid of het mededogen hem dat gebood, ma's moeder
eerder tegen haar dochter in bescherming nam dan zijn vrouw
onvoorwaardelijk in haar onredelijkheid te volgen.
Met ma heb
ik pa zeer geregeld ruzie zien maken, maar hij maakte haar niet zwart
als zij er niet bij was. Pa en ma deden, als het eropaan kwam, in
vurigheid niet voor elkaar onder. Alleen: voor pa kwam het er minder
vaak op aan dan voor ma. Pa was een heel stuk rustiger, redelijker
ook. Hij kon eerder denken: “Het is het niet waard, dat ik me er al
te zeer over opwind.” Zijn stemming was gelijkmoediger, zijn
karakter evenwichtiger. Pa had een harmonieuze persoonlijkheid, die
hem overigens niet altijd behoedde voor onbillijkheid of onbegrip –
maar daar zijn wij mensen voor.
In huize
Schoormans-Hermans kon het er dan ook van tijd tot tijd heftig aan
toe gaan, vooral in pa en ma's jonge jaren. Resie en ik hebben ons
weleens afgevraagd waarom die twee bij elkaar bleven. Deden ze er
niet beter aan, te scheiden? Ik weet niet of wij onze ouders die
vraag gesteld hebben, maar hun antwoord zou zijn geweest: “Alleen
al vanwege de kinderen kunnen ouders niet uit elkaar gaan: je kunt
dat een kind niet aandoen!” Ma en pa hadden elkaar echter ook het
jawoord gegeven: zij hadden elkaar eeuwige trouw beloofd. Eeuwig
betekende
voor hen eeuwig.
Tot de dood hen zou scheiden, zouden zij lief en leed met elkaar
delen.
Dit
is evenwel niet het hele verhaal. Pa en ma zijn, bij al hun ruzies,
de jaren door van elkaar blijven houden. Zij hebben zich nimmer kil
jegens elkaar getoond. En er had niemand tussen hen kunnen komen.
Naarmate ma zorgbehoevender werd en pa de rol van verzorger op zich
nam, is hij zich nóg meer aan haar gaan aanpassen. Terwijl haar
onbegrip toenam, nam zijn begrip toe. Ik vraag me dan ook af wat er
zou zijn gebeurd als niet híj maar zíj als eerste was gegaan. In
Amsterdam had ik een ruime kamer voor hem gereserveerd. – Van haar
wist ik, dat ik haar nooit in huis zou kunnen nemen. – Had hij die
kamer betrokken, of was hij de vrouw met wie hij zo innig vergroeid
was spoedig achterna gegaan? Ik ben niet meer zeker van het antwoord.
Zo
verschillend als pa en ma waren van karakter, zo verschillend
waren zij ook van belangstelling. Pa interesseerde zich tot het
laatst voor zeer veel: voor de kleine wereld om hem heen en voor de
grote wereld van politiek, andere volkeren en culturen, geschiedenis
en ruimtevaart. Ma's belangstelling beperkte zich in hoofdzaak
tot mensen en dingen in haar omgeving. De rest vond zij “maar
stront”, tenzij het voor haar een persoonlijk gezicht had. Als ik
tegen haar had gezegd: “Ik kom volgende week bij mensen in Sri
Lanka die in een krot wonen”, had zij gezegd: “Hier is honderd
euro. Geef hun die en doe hun de hartelijke groeten!” Ongevoelig
voor leed op afstand was ma dus niet. Pa en zij liepen geen thuisloze
voorbij zonder hem iets toe te stoppen en doneerden voor
projecten in de Derde Wereld, het Rode Kruis en zoveel andere
organisaties.
Pa en ma's
huwelijk dankte zijn hechtheid mede aan gedeelde waarden. Pa en ma
waren er bijvoorbeeld van overtuigd dat ieder mens een
onvervreemdbare waardigheid heeft, ongeacht zijn geslacht, seksuele
geaardheid, land van herkomst, huidskleur, geloofsovertuiging of
cultuur.....mits hij een ander in zijn waarde laat. Mijn ouders
hadden even veel (of weinig) begrip voor een koran-geleerde volgens
wie overspeligen dienden te worden gestenigd als voor een paus
of bisschop die homoseksuelen de hostie weigerde.
Een
volwassene was, zo dachten pa en ma, heel goed in staat om naar eer
en geweten keuzes te maken zonder dat die hem door een rabbijn,
molla, dominee of pastoor werden opgelegd. Pa en ma waren als
vanzelfsprekend katholiek, maar waren even vanzelfsprekend wars
van dwingelandij. Over het geloof werd weinig gesproken; niemand
hoefde plaats te nemen op Gods troon om van daar af over anderen te
oordelen. Schriftgeleerdheid was pa en ma vreemd. Zij verachtten het
zelfs, als iemand 'de Heer ontdekte' en zich dan beter achtte dan
zijn medemensen. Het ging pa en ma niet om het woord maar om de daad.
Als het zover was, zouden zij zich 'hierboven' voor hun doen en laten
verantwoorden zonder beroep te doen op de Heilige Schrift.
“Ben ik
mijn broeders hoeder?” Mijn ouders zouden deze bijbelse vraag
hebben beantwoord met een: “Tot op zekere hoogte zeker wel.” Je
kunt niet alle leed van de wereld op je schouders nemen, maar dat
betekent niet dat het je onverschillig mag laten. Zeker niet als het
zich in jouw omgeving voordoet. Ma en pa schoten een medemens-in-nood
te hulp zonder daarbij aan religie te denken. Dat je je naaste
bijstond, was voor hen vanzelfsprekend. Even vanzelfsprekend was
het om respect te hebben voor het leven van een dier – om een dier
althans niet meer te laten lijden dan strikt noodzakelijk was. (Pa en
ma hadden weinig gevoel voor vegetarisme en maakten korte metten met
muizen en vliegen.) Ook bij ma kwam een huisdier niets te kort. Je
was er per slot van rekening speciaal verantwoordelijk voor.
Ma en pa's
gevoel van verantwoordelijkheid
betrof in de eerste plaats hun kinderen en elkaar, misschien wel in
die volgorde. Beider ouders speelden er eveneens een belangrijke
rol in, vooral voor pa; ma verloor de hare in 1970 en 1973, pa de
zijne begin 1976. Voor hun kinderen was pa en ma niets te veel. Zij
hielpen hen waar zij maar konden. Dat ging, zolang beiden sterk
waren, heel ver. Soms ging het te ver. Pa en ma's
verantwoordelijkheidsbesef werd dan als beknellend ervaren. Pa
en ma hadden daar onvoldoende gevoel voor. Zij meenden het toch goed
– wat kon daar mis mee zijn!? Een enkele keer kwam het tot
langdurige onderlinge verwijdering. Pa en ma toonden zich één
in hun verbittering: was dit hun loon!?
Oma en opa
Zoals het
voor onze ouders en grootouders vanzelf had gesproken om kinderen te
krijgen, deed het dat voor Resie en Co – zoals het dat ook voor mij
zou hebben gedaan in een andere situatie. Bart werd geboren op 3
oktober 1982, Mark op 24 april 1984 en Astrid op 17 juni 1994. Het
waren absolute hoogtepunten in het leven van pa en ma; zij voelden
zich zielsgelukkig met een kleinkind op schoot.
Resie en
haar gezin woonden zo'n zes, zeven kilometer van Eygelshoven vandaan.
Ma en pa kwamen jarenlang wekelijks op visite en brachten dan
menig uur bij hen door. Pa trok heel veel met zijn kleinzoons op. Ma
en hij leken met de geboorte van hun kleinkinderen een
verjongingskuur te hebben ondergaan. Het was niet moeilijk, in hen de
energieke ma en pa van Resie's en mijn kinderjaren te herkennen.
Ook bij mij
kwamen pa en ma weleens op bezoek. Ik toonde mij minder honkvast dan
mijn zus. In de jaren 1974-1981 woonde ik in Amsterdam, in 1981 een
half jaar in Maastricht, vervolgens tweeënhalf jaar bij pa en ma,
anderhalf jaar in Maastricht en een kleine vier jaar in Venlo; eind
1989 was ik in Amsterdam terug, ditmaal samen met Alfons, met wie ik
een woning deelde.
In februari
1994 kregen Alfons en ik in de Bijlmer een pracht van een flat
aangeboden. Wij hoefden pa en ma niet uit te nodigen om een kijkje te
komen nemen. Ze waren er ineens, bepakt en gezakt. “Wij
gaan pas weer naar huis, als jullie verhuisd zijn”, werd ons
meegedeeld. Het tekende pa en ma, maar in dit geval was er meer aan
de hand. Ma had een telefoontje gehad van een vrouw met wie pa en zij
sinds tientallen jaren bevriend waren. Opeens was het aan de andere
kant van de lijn stilgevallen. Pa had zich er naar toe gehaast, maar
de vrouw had niet opengedaan. Zij bleek een hersenbloeding te hebben
gehad en kon nu elk moment overlijden. Ma en pa waren hun woning dus
ook ontvlucht.
Uitblazen
was er echter niet bij. Er moest van de morgen tot in de avond
worden gewerkt. Pa had een sterke lamp meegebracht die dat mogelijk
maakte; de dagen waren immers kort, en pa en ma hadden geen rust. Op
het nieuwe adres werd het behang van de wanden geweekt, werd
rauhfaser geplakt en geschilderd, werden de plafonds gewit en werden
vloeren geëgaliseerd, zodat er vaste vloerbedekking kon worden
gelegd. Ma ging als een witte tornado door beide woningen. Na een
week konden wij pa en ma uitgeleide doen vanuit een volledig
opgeknapte en ingerichte nieuwe woning.
Samen bejaard
Ma en pa
hebben dus geen dertig jaar lang naar de dood toe geleefd; je zou het
door de ellende van de laatste jaren haast vergeten. Als
echtpaar waarvan de kinderen uitgevlogen waren, hebben zij er nog
vele jaren wat van kunnen maken. Pa was sinds januari 1980 vervroegd
gepensioneerd; materieel ontbrak het ma en hem aan niets. Ze konden
zich veroorloven wat zij wouen en sparen als nimmer tevoren.
Ma's
collectie schoenen en jurken nam een ongekende omvang aan, ook al
doordat zij van tijd tot tijd vond dat zij moest lijnen en dan
drastisch te werk ging. Bij haar overlijden stonden in een kast wel
vijftig paar schoenen van haar; veel ervan zal zij nauwelijks aan
haar voeten hebben gehad, want, ook al had zij ze zelf gekocht en al
waren ze nog zo duur geweest, er ontbrak in haar ogen al te vaak iets
aan. Ik geloof niet dat pa hier ooit iets van gezegd heeft. Zijn Keet
moest het
vooral kopen, als zij iets mooi vond. Als zij zelf niet op pad kon,
haalde hij in een modezaak in het dorp kleding op zicht, zodat ma
thuis kon kiezen. Zelf wilde pa er ook netjes bij lopen, maar voor
zichzelf schafte hij lang niet zo veel aan.
Terwijl
pa zijn conditie op peil hield door tweemaal per week naar de
sportschool te gaan, liet ma iemand aan huis komen voor orgel-les. Ik
had de indruk dat het ma soms meer te doen was om de persoonlijke
aandacht die zij van de muziekleraar kreeg dan om wat hij haar
bijbracht. Later ging zij bij een koor buiten het dorp. Lid waren
voornamelijk oudere dames die lekker, pretentieloos wilden zingen.
Van ma begreep ik dat de dirigent het leiden van het koor beneden
zijn waardigheid achtte en dat daar geregeld ruzie van kwam. Als in
Kerkrade de jaarlijkse korendag werd gehouden, ging pa mee om het
allemaal te filmen. Ma genoot ervan, als zij iemand thuis een
optreden van haar koor kon laten meebeleven.
Lezen
deed ma op haar oude dag nauwelijks meer, handwerken – zij
heeft nog een poosje kussens en kleedjes geknoopt – evenmin.
Kruiswoordpuzzels oplossen deed zij des te meer. Het hield haar geest
soepel. Over de televisie-programma's waarin allerlei lui verwanten
en ex'en luidruchtig de afgrijselijkste verwijten maakten,
hebben we het reeds gehad. Door het volgen van eindeloze
soap-series bleek ma onbewust Engels te leren. Ik kon mijn oren niet
geloven toen een Srilankaanse vriendin mij vertelde dat zij zich aan
de telefoon met ma had onderhouden: ma had haar verstaan!
Terwijl
ma in de voorkamer naar háár programma's keek, keek pa in de
achterkamer met koptelefoon of geluidloos naar de zijne. Naar
muziek-programma's keken zij samen. Ik had er heel wat voor over
gehad, als ik beiden eens een keertje mee had kunnen nemen naar Sri
Lanka (ik deed er onderzoek) of als wij samen Oostenrijk hadden
kunnen bezoeken. De zangers en muzikanten waarvan zij genoten,
traden immers op in een berglandschap dat voor pa en ma een lust
voor het oog was. Pa had ik er misschien nog naar toe kunnen krijgen,
ma beslist niet. “Wij hebben vroeger niet gereisd – wij hadden
daar het geld niet voor – en hoeven dat nu ook niet te doen.”
In
Heerlen en Kerkrade-centrum kwamen ma en pa des te vaker. Zij liepen
er over de jodenmarkt
of langs de winkels. Pikten ze er ook weleens een terrasje? Ben je
gek. “Vroeger hadden we er het geld niet voor.” “Jullie hebben
het nu wel!” “Ja, maar niet om het weg te gooien. In de
supermarkt krijg je een hele fles voor wat je op een terras voor één
glas betaalt.” Einde
discussie. Wat taxi's betreft, was het hetzelfde liedje. Als je
moeite hebt met lopen, laat je je toch een keertje per taxi naar het
stadspark in Kerkrade of naar de kerk van de heilige Gerardus in
Wittem brengen!? Nee hoor, “wij geven ons zuur verdiende geld toch
zeker niet uit voor een taxi!” Pa en ma waren het met elkaar eens.
Verschralend Eygelshoven
“Als
ik naar het dorp loop”, merkte
pa op, “kom ik bijna niemand meer tegen die ik ken. Er toetert
weleens iemand. Die zal ik dan wel kennen. Maar als iemand in zijn
auto voorbij rijdt, kan ik niet zien wie het is.”
Pa had ook
kunnen zeggen: “Er zijn in Eygelshoven weinig winkels meer.”
Van
degenen die pa in hun auto voorbij zag tuffen, deed menigeen zijn
boodschappen buiten het dorp, in een grote zaak met uitgebreide keus
en lagere prijzen. Je wilt tenslotte geen dief zijn van je eigen
portemonnee, nietwaar? Voor kinderen van winkeliers gold wat er voor
kinderen van mijnwerkers gold: als het effe kan, kies je voor een
minder arbeidzaam en risicovol leven dan je ouders, zeker als je in
een ander beroep beter betaald wordt. Ook kinderen van kleine
zelfstandigen gingen studeren. Familiebedrijfjes werden het ene na
het andere opgedoekt.
Jongeren
die 'in het noorden' aan een universiteit studeerden, keerden na
afloop zelden naar Eygelshoven of Zuid-Limburg terug. Zeker na het
sluiten van de mijnen en het mislukken van de (industriële)
herstructurering viel daar – misschien met uitzondering van
Maastricht – moeilijk meer aan de kost te komen en nog moeilijker
een passende baan te vinden. Zuid-Limburg heet in wervende reclames
Balkon van Europa,
de oude, Oostelijke Mijnstreek wordt Parkstad
genoemd. Het is goed bedoeld, maar in een park of op een balkon
kunnen maar weinigen een bestaan opbouwen.
Tot
de weinigen die het kunnen, behoren drugsdealers. De wereld van de
drugs is een harde. Enkelen die wij hebben zien opgroeien, belandden
erdoor in de gevangenis. Eén van hen hing zich er op. We moeten
oppassen dat wij van Eygelshoven geen karikatuur maken, maar vanaf
een afstand werd ik er niet vrolijk van. Mensen uit de omgeving
verhingen zich, een enkeling sprong van een flat of stak zich in
brand. Het kwam ook in mijn Amsterdamse omgeving voor, maar van
Eygelshoven viel het me tegen.....zo grote eenzaamheid, zoveel
heimelijke wanhoop in een omgeving waarin mensen elkaar toch menen te
kennen!
Eygelshovenaren
hebben elkaar nooit goed gekend, vermoed ik. Ze konden het zich niet
permitteren, hun buren diep in hun hart te laten kijken. Met de
wereldwijde individualisering, de ongekende mobiliteit en de
verspreiding van computers met hun social
networking zullen
de buren-contacten niet intensiever zijn geworden. Veel
geboren-en-getogen Eygelshovenaren hebben het dorp verlaten; er zijn
mensen van elders voor in de plaats gekomen. Het verenigingsleven
heeft een flinke klap gekregen. Eygelshoven had in 1966 6600
inwoners. Hoeveel het er nu zijn, is moeilijk te zeggen: Eygelshoven
hoort sinds 1982 bij Kerkrade, er wordt anders geteld.
Eygelshoven-Kom, de
Hopel
en het
Waubacherveld hadden
in 2009 5500 inwoners. Dat wijst op een forse aderlating. In 2007
werden er veertig mensen geboren en overleden er vijfenvijftig.
Moreel faillissement
“De
begraafplaats aan de Rimburgerweg beleeft gouden tijden”, hoor ik u
denken. Je verwacht het, maar het schijnt niet zo te zijn. “Veel
Eygelshovenaren willen niets meer met de kerk te maken hebben”,
verklaart iemand die het kan weten. “Zij willen niet eens meer
kerkelijk begraven worden.”
Overledenen
gaan linea recta naar het crematorium; hun as wordt uitgestrooid.
Degene
die het me toevertrouwt betreurt het, maar kan het zich wel
voorstellen. Onder de kop Bange,
religieuze man..... in
de levensbeschrijving van ma's vader zullen wij kennismaken met het
wantrouwen van Franciscaanse broeders jegens hun pupillen. Zij vonden
het vervelend, dat zij tijdens een filmvoorstelling niet konden
zien wat de jongens met hun handen uitspookten. Laat nu uitgerekend
broeders uit Bleijerheide ervan beschuldigd worden dat zij niet van
pupillen af konden blijven! In heel Europa worden religieuzen van
hoog tot laag beschuldigd van seksueel misbruik op grote schaal. In
Nederland schijnen religieuzen zelfs leerlingen die zich erover
beklaagden te hebben laten opsluiten en castreren.
Wantoestanden
zijn van alle tijden en culturen; ze zijn nooit helemaal te
voorkomen. Ze worden echter vergemakkelijkt en houden lang stand in
een gesloten en sterk hiërarchische cultuur. Het Tweede Vaticaans
Concilie had in die cultuur enige verandering moeten brengen. In
Nederland was de hervormingsbeweging bijzonder sterk en radicaal.
Rome maakte haar kapot. Limburg kreeg in 1972 in Johannes Gijsen een
bisschop die nauwelijks met andersdenkenden kon communiceren en die
dacht en handelde in termen van autoriteit en rechtgelovigheid. In
plaats van bruggen te bouwen, zoals de naam pontifex
(Latijn voor
bisschop)
suggereert, sloopte hij ze. Wie het niet met hem eens was, was niet
zuiver in de leer en mocht wat hem betreft uit de kerk wegblijven.
Eygelshoven
en naburige dorpen kregen te maken met orthodoxe priesters die
menige gelovige te licht bevonden, die nog vóór aankomst ruzie
maakten met hun nieuwe parochianen, die geen protestantse begrafenis
wilden in “hun” kerk.....en die uiteindelijk het veld moesten
ruimen, de een nadat hij een parochiaan zwanger had gemaakt, de ander
omdat hij met zijn vriendin plezier had gemaakt met geld uit de
armenkas, en weer een ander omdat hij duizenden euro's had gestolen
die waren ingezameld voor het gezin van een vrachtwagenchauffeur die
zijn leven had opgeofferd om dat van schoolkinderen te behouden.
Het
schandaal was compleet toen conservatieve bisschoppen het veld
moesten ruimen vanwege seksueel misbruik waaraan zij zich zelf
schuldig hadden gemaakt – (oud-)bisschop Gijsen werd tussen de
bedrijven door beticht van onbetamelijk gegluur als surveillant op
een internaat – , toen bleek hoeveel moeite de kerkelijke top en
wereldlijke autoriteiten (tot gerechtelijke instanties toe) zich
hadden getroost (en zich nog steeds getroosten) om zaken in de
doofpot te stoppen en te houden.....en hoe onbelemmerd boosdoeners
al zeden predikend vele jaren lang hun gang hadden kunnen gaan. De
katholieke kerk is moreel failliet, vinden ook veel Eygelshovenaren.
Dat zij momenteel gezegend zijn met een zielenherder die door
parochianen terecht op handen wordt gedragen, valt hun misschien niet
eens meer op.
Verdwijnende wereld
“Bij
Stevens (de radio- en lampen-zaak waarin ma werkte) keek ik altijd
naar een grote kroonluchter”, vertelde ma in januari 1995. “Als
je trouwt, krijg je die van mij, zei mijnheer Stevens. Ik heb hem
niet van hem gekregen. Toen ik trouwde, werkte ik op de fabriek.”
“Stevens zal niet eens geweten hebben dat wij trouwden”,
meende pa. Ma: “Nu kan Stevens ze mij niet meer geven.”
Stevens
was allang dood, zoals zovelen uit pa en ma's jonge jaren. Als we
zaten te eten, ging het er vaak als volgt aan toe. “Paaseieren, ja.
Ik herinner mij niet dat wij vroeger met Pasen veel gevierd hebben.
's Avonds konden wij in de tuin een nestje maken. 's Morgens lagen
daar enkele eieren in.” Terwijl
ma dit op Paaszondag vertelde, at zij bedachtzaam een
speculaasje. (11 april 2004)
De
ene gedachte riep de andere op. “Toen we na ons trouwen niet
onmiddellijk in onze eigen woning konden trekken, hebben wij eerst
bij oma en opa op zolder geslapen; daarna hebben wij een klein
kamertje bij hen als tijdelijk onderkomen ingericht. Tiny en Wiel B
zijn in de sacristie getrouwd. Tiny was immers protestant.”
Tiny kwam
net als ma uit Bleijerheide, en kwam ook aan de Kommerveldlaan te
wonen. Tiny, Wiel van der S, Y van X, de familie B – van een paar
mensen weten ma en pa dat zij zijn overleden. Wat is er met de
anderen gebeurd: zouden zij nog leven? (januari 2001)
Precies
een jaar daarna ging ma in gedachten de buurt na. “Hierachter
hebben na elkaar twee politieagenten en de familie B gewoond. Naast
hen – waar later de familie S woonde – woonden twee elektriciens.
Tante Caroline en tante Mia woonden ook in die straat. De familie
Roverts – buren van pa en ma – zijn ook allang weg. In het huis
ernaast woont G in zijn eentje; wij zien hem nooit.”
Ma glanst;
het is allemaal nog maar pas geleden, dat het wereldje intact was.
Even later realiseert zij zich dat zij al 45 jaar in dit huis woont.
Wiel van der S is al een jaar of twintig dood.
Pa
en ma's oude wereld brokkelde zienderogen af; het ging steeds
sneller. Tante Mia ging, afgetakeld, in 1988, tante Carolien, die
vaak bij ons op bezoek kwam, in 2000. Oom Piet verloren we in 1992,
oom Frans in 1999 en oom Leo in 2004. Oom Ré, de man van tante
Carolien, waren we al in 1969 kwijtgeraakt. De overburen en hun
buren, de naaste buren en hun buren, mensen verderop in de
straat..... Ze verhuisden naar een bejaardenwoning of gingen dood.
Neven en nichten idem dito. Naast pa en ma's banksaldo groeide hun
verzameling bidprentjes gestaag.
Ma
en pa hadden grote bewondering voor buurtgenoten die jarenlang
zorgden voor hun zieke partner. En die soms eerder overleden dan hun
partner. Enorme waardering hadden zij ook voor mensen die bleven
zingen terwijl zij leden. De reeds vroeg door ziektes geplaagde Paula
H bijvoorbeeld. Terwijl haar man haar verpleegde, bleef zij de
moed in eigen persoon. Zelf waren ma en pa op het laatst mee van de
oudste bewoners van de ooit zo jonge Molenweg.
Fijn, bij
pa en ma te zijn
Ik
realiseerde me maar al te goed: dat ik pa en, vooral, ma gebukt zie
gaan onder ouderdoms-gebreken is een luxe-probleem, waarvoor ik de
hemel op mijn blote knieën mag danken! “Ik vond het fijn,
vanmorgen bij pa en ma te zijn: je hebt dan even tijd voor elkaar”,
noteerde ik op zondag 31 maart 1996. “Als je bedenkt hoeveel hun
handen, die oud worden en verschrompelen, voor Resie en mij hebben
gedaan! Ze verdienen dat wij van hen houden, en veel!”
In
de tijd waarin ik dit schreef, beleefde ik avonturen die niet alleen
voor pa en ma ongewoon waren. En waarover ik maar liever zweeg – en
zwijg. Tijdens een bezoek aan ma en pa lichtte ik een tipje van de
sluier. “In de ogen van pa en ma moet ik wel een bizar leven
leiden, maar ze weten dat ze daar weinig aan kunnen veranderen”,
lees ik
erover in mijn dagboek. “Ma
waarschuwt mij slechts voorzichtig te zijn. Rond zeven uur
brengen pa en ma mij naar het station.” De trein bracht mij niet
naar huis. De volgende dag deed ik ma over de telefoon verslag. Mijn
gedrag verbijsterde haar. “Ik ben nu eenmaal geen type voor een
klooster,” verklaarde ik. “Nee”,
reageerde
zij, “dat
zou wel héél erg zijn!”
Mijn
ouders en ik waren bij alle onderlinge verschillen, loyaal aan
elkaar. Het bleek telkens weer. In oktober 2002 vertelde ma dat ze in
de Libelle of
de Margriet,
dames-tijdschriften die ik voor haar meenam, het verhaal had gelezen
waarin een man zijn homoseksuele zoon afwees, althans diens
homoseksualiteit niet aanvaardde. Ma vond het verschrikkelijk. Pa en
zij konden zich niet voorstellen dat iemand om wat voor reden dan ook
zijn kind afwees.
“Waren jullie nog maar klein”
Voor wat
betreft ma was er echter nog een andere kant van de medaille. “Altijd
als ik E zie, denk ik aan jou. Ik zou jou niet meer naar Rolduc (het
gymnasium) laten gaan”, vertelde ma in hetzelfde gesprek. “Altijd
als ik E zie, altijd als ik J zie, altijd als ik K zie, altijd als
ik......” Hoe
vaak ik dat niet uit de mond van ma heb vernomen. E was leraar; dat
was ik met mijn mooie diploma's niet geworden. J, die niet zo goed
had kunnen leren, was cursussen gaan volgen en had nu een eigen
bedrijfje. K.....
Ik
werd aan een stuk door gewogen en te licht bevonden. Geen enkele
vergelijking viel in mijn voordeel uit. Ik werkte bij de thuiszorg,
schrobde vloeren en waste oude mensen. Had ik daarvoor zo lang
gestudeerd? Hadden pa en ma zich daar krom voor gelegd? Ja, ik
schreef ook boeken en werkte voor tijdschriften. Mijn boeken kregen
klinkende recensies, één ervan was op teevee vertoond, ik was korte
tijd kind-aan-huis geweest in radio-studio's. Maar dat stelde toch
allemaal niet zoveel voor. De boeken hadden me niets opgeleverd.
“Nee,
Jo, jij zou niet meer naar Rolduc gaan. Als jij daar niet niet naar
toe was gegaan, was jij ook niet naar Amsterdam gegaan: dan had jij
nu hier in de buurt gewoond.” Het wilde er bij ma niet in, dat mij
dat diep ongelukkig zou hebben gemaakt. En dat ik op mijn manier mijn
draai had gevonden. Dat het voor mij een bewuste keuze was om niet
het onderwijs in te gaan. Dat ik wilde schrijven. Dat ik me in
Amsterdam op mijn plek voelde. En dat geld en carrière voor mij
onbelangrijk waren.
Ma's
eeuwige afkeuring deed ten langen leste niet meer pijn, ik ging er
gewoon van kotsen. Ik heb moeten leren leven met het idee dat zelfs
als ik minister-president zou zijn geworden, mijn moeder zou hebben
gevraagd: “Waarom ben jij niet gewoon leraar geworden? En waarom
woon jij niet in Eygelshoven?”
Ma
handelde uit liefde – ik weet het en wist het. Mij is na haar
overlijden ten overvloede door een vriendin van haar verzekerd
hoe ma mij de jaren door heeft opgehemeld. “Trouw nooit met een man
die niet zonder zijn moeder kan!”, voegde zij pa in hun jonge jaren
toe. Zelf accepteerde ma niet dat haar jongetje man was geworden en
zijn eigen weg had gezocht. Zij was hierin het volmaakte tegenbeeld
van pa. “Waren jullie nog maar klein!”
Het was ma's
lijfspreuk. Als ik ma vertelde dat ik op reis ging, was haar reactie:
“Ik ben blij als je terug bent.”
Als ik terug
was, informeerde ze niet naar mijn belevenissen, maar was het
slechts: “Wat ben ik blij, dat je terug bent! Wat heb ik me een
zorgen gemaakt! Jij gaat toch voorlopig niet meer weg!? Dat doe je je
moeder toch niet aan!?” Ik
mocht de wereld bij ma thuis brengen. Ze ontving iedereen even
hartelijk: mijn vrienden uit Limburg, mijn vriendin uit Polen en mijn
vriend uit Turkije. Maar zelf moest ik uit de wereld wegblijven.
Ik
wist: het kwam voort uit moederlijke overbezorgdheid, die ook wel
moederliefde
wordt genoemd. Maar het maakte een normaal gesprek onmogelijk. Ik
kon ma niet eens vertellen dat ik in mijn eigen omgeving een
wandeling wilde gaan maken. Toch wilde zij voortdurend alles weten en
zei ze: “Als je tegen me liegt, kan ik net zo goed dood zijn! Je
moet je moeder alles vertellen!”
Ma
had een ijzersterk geheugen. Tijdens haar leven ben ik een kleine
dertig jaar wekelijks of om de twee weken tussen Amsterdam en
Eygelshoven heen en weer gereisd. Ik deed het met de trein. Iedere
keer weer opnieuw drong ma aan: “Jo, je moet nu gaan: jij mist
anders de trein.” Op een dag zei ik: “Ma, ik heb die trein nog
nooit gemist.” Dat
had ik niet moeten zeggen: twintig jaar tevoren was de trein toch
maar mooi voor mijn neus weg gereden. Ik was zelfs gevallen toen ik
een sprint in had gezet. Was ik dat soms vergeten?
Zoveel
moeite als het ma kostte om haar kinderen los te laten, zoveel moeite
kostte het haar ook om los te komen van haar verleden. Ik denk ook
niet dat zij daar enige moeite voor deed. Zij sprak over incidenten
van vijftig, zestig, zeventig jaar geleden alsof zij de dag tevoren
hadden plaatsgehad. “Toen heb ik X mijn citer (of dat boek of die
grammofoonplaten) uitgeleend. Ik heb ze niet teruggekregen.”
Als ik zei:
“Ma, dat is al zo lang geleden en we hebben nu wat ons hartje
begeert”, reageerde ze: “Ja, maar zoiets vergeet je nooit!”
Ma vergat
dus ook niet. Ze was een gevangene van haar verleden.
Over
dat verleden vertelde ma weinig (en hoe langer hoe minder) positiefs.
Toch leek zij er een romantische voorstelling van te koesteren en
ernaar terug te verlangen. Ze zou bijvoorbeeld zonder blikken of
blozen vertellen dat zij zich nergens gelukkiger had gevoeld dan in
Bleijerheide en dat het o zo fijn was toen Resie en ik nog bij pa en
haar inwoonden. Het had dan geen zin, om ma aan haar eigen verhalen
te herinneren of erop te wijzen dat de jaren die wij samen hadden
beleefd niet alleen rozengeur en maneschijn hadden gekend. De sleutel
voor de tegenstrijdigheid schuilt misschien in een uitspraak van
ma uit december 1998: “Het leven is niet meer zo mooi als je oud
bent: je hebt geen doel meer.”
Ongeremd bergaf
Ma
leek de laatste tien, twintig jaar van haar leven inderdaad
nauwelijks meer een doel te hebben. Aan ziektes en kwalen had zij
zich zo ver mijn herinnering reikt met overtuiging overgegeven.
Tegenover iedere bezoeker die had geklaagd over welke ziekte of
gebrek dan ook had zij gezucht: “Je zou míjn pijn eens moeten
voelen!” Het
hoorde bij ma; ik nam het niet meer serieus. Ik was ervan overtuigd,
dat ma's ziektes en kwalen invulling gaven aan haar bestaan; zij
verzekerden haar op ieder gewenst moment van aandacht.
In
ma's optreden zat een eindeloos en voorspelbaar patroon. Ze klaagde
onophoudelijk over een kwaaltje dat haar verhinderde om iets te
ondernemen waar zij eigenlijk geen zin in had. Als ze na maanden of
jaren naar de dokter ging en die constateerde iets, duurde het heel
lang voordat ma zich eraan liet helpen. Na afloop weigerde ze
behoorlijk te revalideren.
Het
netto resultaat was en bleef: afhankelijkheid tot op het hulpeloze af
– en daarmee de mogelijkheid om haar partner tot in het absurde
naar haar hand te zetten. Ik hoor pa en ma nu beiden luidkeels
protesteren, maar ik ga nog even door. Door haar onverantwoordelijke
gedrag, waarop ma wellicht uiteindelijk haar greep heeft verloren,
heeft zij niet alleen haar eigen sterke lichaam en geest maar ook die
van pa stelselmatig gesloopt. Zij heeft pa mee het graf in gesleurd.
Ik ben ervan overtuigd, dat beiden nog menig jaar hadden kunnen
leven.
Voor
de duidelijkheid: ma mankeerde wel degelijk iets. Reeds op de
kalender van 1996 is een bibber in haar ooit zo mooie handschrift te
zien: ma leed aan de ziekte van Parkinson. Haar vader had die
vermoedelijk ook, maar bij hem is nimmer de diagnose gesteld. “Je
hebt te veel aan de armen gegeven”, zeiden we als hij zat te
bibberen. Ma's handen en gezicht beefden onophoudelijk. Eten en
drinken moet voor ma een kwelling zijn geweest. Probeer maar eens met
bevende hand een mok koffie of een lepel soep aan je mond te brengen!
Ma klaagde hier niet over. De ziekte moet haar stemming echter
ongunstig hebben beïnvloed – zonder dat wij ons van de oorzaak
bewust waren.
Ma
had ook een hartkwaal. Toen pa en zij mij eind 1996 van Schiphol
haalden – ik kwam uit Sri Lanka en had niet eerder zo'n lange en
verre reis gemaakt – heeft ze waarschijnlijk onderweg een
hartinfarct gehad maar is ze zo goed en zo kwaad als het kon door
blijven lopen. In november 1997 onderging zij in het Academisch
Ziekenhuis Maastricht een coronaire bypass-operatie. Haar
ontslagbrief gewaagt van een achterwand-infarct in februari van dat
jaar. In de Hoensbroekse Sint-Lucas-kliniek werkte ze vervolgens
onvoldoende mee aan haar revalidatie. Het bleef dus sukkelen.
Ma
had op een gegeven moment ook suikerziekte, iets waarmee je
prettig kunt leven als je je er een beetje naar gedraagt. Ma peinsde
er niet over. Hoewel ze heel veel medicijnen slikte, sloeg ze
complete maaltijden over en pikte ze uit andere maaltijden slechts
het ongezondste. Ze vertelde pa bijvoorbeeld hoe hij aardappelen,
groenten, vlees en jus klaar moest maken, en at dan zelf alleen maar
een bord jus, of aardappelen met jus, of een bakje vla of ijs. 's
Avonds bakte ze soms vier tot acht kroketten of gehaktstaafjes voor
zichzelf. “Doe dat nou niet”,
bezwoer ik
ma. “Eet alsjeblieft gezond! Je takelt anders af; je kunt zelfs
dement worden.” Het
leverde me de jaren door alleen maar ruzies op. “Ben jij ook tegen
me?”, vroeg ma twee maanden voor haar overlijden aan pa nadat ik
haar een goede raad had willen geven. Pa verzocht mij dringend om
verder mijn mond te houden: ma deed toch wat zij wou.
Ma
had last van staar, aan beide ogen. Dat is knap hinderlijk. Ma's
wereld werd nog kleiner dan ze al was, maar er ging heel wat water
door de Rijn vóór zij zich liet helpen. Ma werd eerst geopereerd
aan het oog waarmee zij sinds 1953 het minste zag. Als het goed ging,
zou het andere oog volgen. Het ging goed, vertelde ma de eerste week:
van de operatie had zij weinig bespeurd en zij was meer gaan zien dan
verwacht. De week daarop waren haar verhalen al minder positief. Als
ma niet binnen een jaar de staar van haar andere oog liet
verwijderen, zou zij blind worden, had de oogarts haar verteld. –
Ik heb dit allemaal uit de mond van ma. – Liet zij zich aan haar
andere oog helpen? Ik hoor het de hulpverlener nog vragen. “Nee”,
klonk het uit ma's lachende mond.
Van
gesprekken met hulpverleners heb ik aantekeningen gemaakt. “Ik kan
niets meer”, zei ma op 29 november 2007. “De traplift, waarom wij
hebben gevraagd, heb ik eigenlijk niet nodig: ik kan op mijn knieën
de trap op kruipen en me op mijn kont naar beneden laten zakken. (…)
Ik ben vanmorgen nog gevallen. (…) Bij mijn verzorging heb ik geen
hulp nodig. (…)”
Ma
bleek niets meer te kunnen lezen, geen teevee meer te kunnen kijken,
niet eens meer op de hof te komen en, op de afwas na, geen enkele
bezigheid meer te hebben. “Uw dag suddert aan”, concludeerde de
hulpverlener. “Als er geen zingeving is, is dat bedreigend voor uw
gemoedstoestand. U heeft prikkels nodig om zo lang mogelijk vitaal te
blijven.”
Is
het tot ma doorgedrongen? “Ik kan er niets aan doen, dat ik kreupel
ben”, gaf zij terug. “We zijn 56 jaar getrouwd; je mag dan wel
verlangen dat iemand achter je staat.”
Op 17
december kwam de hulpverlener opnieuw op huisbezoek. “Als dat het
leven is, wil ik niet meer. Ik heb een ijzeren wil”, liet ma hem
weten zonder hem aan te kijken. “Ik ben nooit voor vreemde mensen
in huis geweest”, huilde zij. Ma
weigerde zo goed als iedere vorm van thuiszorg, dagopvang of wat dan
ook.
“Mond open en slikken!”
Eén keer
heb ik radicaal ingegrepen. Dat was op 6 oktober 2007. Ma was in het
ziekenhuis te Heerlen beland. Ze lag er op de acute-opname-afdeling.
Zij was tot niets meer in staat, maar niemand wist haar mankeerde. Op
een zaterdag, vlak voordat ik op de trein terug zou stappen – ik
moest die dag in Leiden werken – ging ik nog even bij haar langs.
Ma bleek volkomen verward; ze wist niet waar zij was en zag van alles
wat er niet was. Ze had, als ik me goed herinner, al een poosje niet
gegeten. “Ma
gaat dood!”, schoot het door mijn hoofd. Huilend belde ik naar mijn
werk op met de vraag of ik weg kon blijven.
Even
later verscheen een verpleegster met eten aan ma's bed. Ma weigerde.
“Uw moeder heeft geen trek”, besloot de verpleegster. “Als
ma nu niet eet, gaat zij dood”, lichtte het in mij op. “Maar ik
wil helemaal niet dat zij dood gaat!” “Geef míj dat eten maar!”,
zei ik tegen de verpleegster. Tegen ma zei ik: “En nou doe je je
mond open! En slikken!” Ik
heb een huilende en tegenstribbelende ma jankend gedwongen om te
eten, want ik wou haar niet kwijt. “Ik houd veel te veel van haar
om haar zomaar te laten gaan”, realiseerde ik me enigszins
verbaasd.
“We
hebben de indruk dat het bij mevrouw voornamelijk tussen de oren
zit”, vertelde een dokter ons een paar dagen later. “Ze heeft
bovendien een medicijn-vergiftiging.”
Ma mocht het
ziekenhuis uiteindelijk verlaten op voorwaarde dat zij naar een
kliniek ging om te revalideren en daarna thuishulp zou accepteren. De
belofte was gauw gedaan. Ma was nog geen drie dagen in de kliniek, of
zij kon alweer traplopen; ze wou immers zo gauw mogelijk naar huis!
De thuiszorg wist ze daarna nog een poosje buiten de deur te houden.
Bij
thuiskomst trof ma de woning vers behangen aan. Pa, oom Paul en tante
Maria hadden daar in allerijl voor gezorgd, zodat ma er geen last van
had. Ziehier haar verhaal. “Pa
wilde mij niet naar huis hebben, want hij wou de woning opknappen.
'Nee', zei de dokter tegen hem, 'daar zijn wij niet voor: wij houden
uw vrouw niet langer dan noodzakelijk!'”
Als we ma
vertelden hoe ze er bij had gelegen..... Hoe verzonnen we het!? Ma's
realiteitsbesef was er geen geval op vooruit gegaan.
Weinig weerbaar
Ma
gaf het niet graag toe, maar het huishouden dreef de laatste jaren
bijna volledig op pa. Hij was nog sterk, maar miste de weerbaarheid
van weleer. Tijdens pa en ma's laatste bezoek aan mij, in juni 2005,
viel mij op hoe onzeker pa zich op het station toonde; ik was dat van
hem niet gewend. Het trad schril aan het licht bij de renovatie van
hun woning. Mijn ouders ondergingen de ellende lijdzaam, maar ik kon
het ten langen leste niet meer aanzien. Mijn brief aan het
woningbedrijf van 17 maart 2008 spreekt boekdelen. Hier komt-ie,
enigszins bekort.
Hierbij
breng ik onder uw aandacht dat mijn ouders – beiden over de tachtig
en mijn moeder zwaar ziek – door de renovatie van hun keuken al
langer dan een week zonder warm water zitten en dat zij al die tijd
ook niet hebben kunnen koken. En dat het einde hiervan niet in zicht
is doordat uitvoerders voortdurend afspraken niet nakomen en mijn
ouders in het ongewisse laten. Ik verzoek u om vandaag nog in actie
te komen, zodat aan deze beschamende toestand een einde komt.
Het gaat
om het echtpaar dat u een half jaar geleden een bloemetje en een
cheque voor een maand gratis wonen bent gaan aanbieden omdat het al
meer dan vijftig jaar in een woning van Wonen Heuvelsteden woonde.
Vlak tevoren was hun een woningrenovatie aangeboden, zodat zij
in hun oude, vertrouwde omgeving konden blijven wonen. Bij die
gelegenheid heeft u een foto van beide echtelieden, mijn ouders,
gemaakt. U heeft die foto zelfs gepubliceerd.
Welnu,
tot een renovatie van de badkamer is het inderdaad snel gekomen,
waarop de gemeente Kerkrade instemde met de aanleg van een traplift
en daar ook toe overging. Nadat de badkamer gerenoveerd was, zou
er een nieuwe keuken komen en zou er centrale verwarming worden
aangelegd. Het idee was afkomstig van uw woningbedrijf; mijn
ouders hebben er na enige aarzeling mee ingestemd.
De
centrale verwarming werd eind vorig jaar aangelegd.... op de
verwarmingsketel na. Die laatste zou pas kunnen worden geïnstalleerd
bij de renovatie van de keuken, die was voorzien voor december 2007.
Toen
ging het mis. De uitvoerder liet weten dat de keuken-renovatie hem
ongelegen kwam. Mijn ouders wilden niet lastig zijn en stemden ermee
in, dat de renovatie na de feestdagen zou plaatsvinden. Het werd
uiteindelijk....maart.
Vorige
week maandag, 10 maart, kwamen werklieden om het aanrecht, de
keukenkastjes, het gasfornuis en de geiser weg te halen, de
schoorsteen weg te breken en de wandtegels te verwijderen. De
rest van de week hebben mijn bejaarde ouders vooral vergeefs zitten
wachten op werklieden. Iedere dag weer opnieuw wachtten zij vanaf 's
morgens acht uur op iemand die zou komen, maar meestal niet kwam of
maar een paar uur kwam.
Vandaag
– zo was hun toch echt beloofd, maar ditmaal echt heel echt –
dat er 's morgens een tegelzetter zou komen. Morgen konden dan het
keukenblok en de verwarmingsketel worden geïnstalleerd. De
tegelzetter kwam niet opdagen. Er verscheen wel een opzichter, die
beloofde dat er in ieder geval 's middags iemand zou komen. Ook die
persoon verscheen niet; mijn ouders werden opnieuw niet op de hoogte
gesteld, zodat zij voor de zoveelste keer vergeefs zaten te wachten.
Mijn
ouders moeten zich sinds ruim een week wassen met water uit een
waterkoker. Er is geen duidelijkheid over hoe lang dit nog zo gaat
duren. Zitten zij met de Pasen nog in die toestand, zodat zij zich
dan al twee weken niet behoorlijk hebben kunnen wassen? Het gaat om
trouwe huurders, die altijd hun verplichtingen zijn nagekomen en
die zich altijd bescheiden hebben opgesteld. Dit kunt u toch niet
toelaten!?
Tijdens de
woning-renovatie toonde ma zich van haar sterke kant: zij klaagde
weinig, terwijl zij er toch heel veel hinder van ondervond. Ook
tijdens Haşims
eerste bezoek aan Nederland (maart/juni 2010) beleefden wij samen met
ma menig fijn moment. Wij kwamen wekelijks in Eygelshoven en
logeerden er meermaals. Van het mooie portret dat ik in mei van ma
maakte, vreesde ik evenwel dat het het laatste zou zijn.
De mooie
momenten waren immers schaars aan het worden. De laatste jaren zagen
wij een ma die wegzonk in gesuf en gedommel. Opvallend was ook de ma
die pa in het rond commandeerde. Die hem letterlijk geen vijf
minuten rust gunde. Die het normaal vond dat haar man niet eens meer
in de tuin kon komen – om van de sportschool maar te zwijgen. Die
hem vertelde wat hij moest koken. Die, als het eten klaar was, zei
dat ze niet hoefde te eten. Die dan, als we zaten te eten, vroeg of
zij niets kreeg. Ze wilde dan iets dat moest worden klaargemaakt,
zodat pa's eten koud werd. Die van pa beweerde dat hij vreemd ging of
dat iemand een oogje op hem had, zodat ik vrienden moest vragen om pa
en ma alsjeblieft niet meer te bezoeken.
En die ons
op de koop toe sarde. “Ik
wil dit jaar geen kerstboom”, zei ma een maand vóór haar
overlijden. Het ging haar helemaal niet om die kerstboom: ze zocht
tegenspraak, misschien wel omdat zij daar aan gewend was en het haar
een vertrouwd gevoel gaf. Ik heb het een keer uitgeprobeerd door niet
te reageren op een provocatie van ma. “Heb je niet gehoord wat ik
zei?”, informeerde
ze. Ze leek teleurgesteld toen ik zei dat ik haar had gehoord, maar
daar verder niet op inging. Pa bedelde ma eindeloos of zij niet toch
een beetje wilde eten. Ze vond het niet fijn, als ik zei dat ze “nee”
had gezegd
en dat zij oud genoeg was om voor zichzelf
te beslissen.
“Ik
kom nooit ergens”, luidde een gevleugelde uitspraak van ma. Het
kostte een eeuwigheid om een rolstoel zelfs maar in huis te krijgen.
Toen hij er eenmaal was, wilde ma er niet in, want
“de mensen
denken dadelijk nog dat ik kreupel ben”
en “ik kan
een oude man toch geen rolstoel laten duwen!”
Als ik zei
dat ík die rolstoel wilde duwen, of dat die rolstoel op een accu
liep, zei ze: “Ik hoef nergens te komen, ik ben tevreden.”
Het gevolg
was dat ook pa de deur nauwelijks meer uit kwam, want hij wilde ma
niet alleen laten.
Ma
maakte onbeperkt gebruik van pa's verantwoordelijkheidsgevoel.
Op een dag kreeg pa een telefoontje van zijn broer Ad: of hij en ma
op de gouden bruiloft van tante Cor en hem aanwezig zouden zijn. Pa
wist van niks. “Heb jij onze uitnodiging dan niet ontvangen?”,
vroeg oom Ad. Ma bleek de uitnodiging te hebben verstopt: zij ging
niet, want ze was daar te ziek voor; en ze kon niet alleen blijven.
Resie bood aan om bij ma te komen zitten, zodat pa naar het feest
kon. Ma wilde er niet van weten. Het is er ook niet van gekomen.
Het
typeert de verhoudingen, en niet alleen in ma's laatste levensfase,
al was het toen nóg extremer dan voorheen. In haar laatste jaren was
ma nog minder dan voorheen bereid om iets van haar leven te maken.
“Dit kan toch niet alles zijn!?”, heb ik mij menigmaal
vertwijfeld afgevraagd. “Er moet voor ma toch meer uit het leven te
halen zijn?” Ma
kon het niet, of wilde niet. Het was een bittere conclusie, waarmee
ik me slechts met de grootst mogelijke moeite kon verzoenen: al wordt
ma honderd, van haar leven zal zij weinig meer maken!
Onverwacht slot
Het
einde heeft mij desalniettemin verrast. Ik heb het wel en niet zien
aankomen. Mijn verstand zag van alles, maar ik had mensen vele jaren
lang zien aftakelen, tot er zo goed als niets van hen over was. Het
had mij niet verbaasd, als ma negentig was geworden. Op het laatst
durfde ik echter geen hele week meer weg te blijven. Ik reisde soms
zes uur of meer om twee uur bij pa en ma te kunnen zijn en bleef er
bij voorkeur slapen. Ik maakte bovendien foto's van ma's aftakeling,
alsof ik mijzelf met de neus op de feiten wilde drukken.
Tegelijkertijd wilde ik het niet zien, wilde ik in ieder geval niet
dat het ten einde liep. Ik heb mij weleens afgevraagd of ma, als zij
toch niet meer wilde, niet beter in 2007 had kunnen sterven. Diep in
mijn hart wilde ik haar echter niet kwijt. Ik wil het nog steeds
niet.
Op
18 augustus 2010 vierde ma haar 83ste verjaardag. De dag werd slechts
ontsierd doordat ik pa en ma moest vertellen dat ik de 23ste dringend
naar Turkije moest. – Ik had lang gewacht met die mededeling om al
te lange en heftige scènes te voorkomen en om te voorkomen dat
ma in bed bleef liggen. – Daags voor mijn vertrek overleed mevrouw
Roverts, die jarenlang naast ons had gewoond. In Turkije vernam ik
dat ma haar bed niet meer uit kwam. Ik hoefde me echter geen zorgen
te maken en deed dat ook niet, want het was eerder vertoond. Ik was
er zelfs een keer vervroegd voor uit Turkije teruggekeerd
Ditmaal
stond ma na mijn terugkeer (op 3 september) niet op. Dat was
ongewoon. Het werd nog ongewoner toen ma ook de komende weken niet
uit bed kwam. Ma's bed verhuisde naar de woonkamer. Dat van pa volgde
weldra, zodat hij ma dag en nacht kon blijven verzorgen. De
bezoekende therapeut, die ma op gang moest zien te krijgen, kreeg
steeds vaker nul op het rekest. Een dokter kwam er niet of nauwelijks
aan te pas. Hulp van de thuiszorg werd mondjesmaat toegelaten om ma
te helpen verzorgen.
Ma
was te zwaar om te tillen en dreigde doorlig-plekjes te krijgen.
Vanwege de thuiszorg kwamen een ziekenhuisbed-met-watermatras en een
tillift in de woonkamer te staan. Ma verzette zich hier tegen. De
matras verdween al gauw; de doorlig-plekjes lieten niet lang op zich
wachten. De tillift deugde niet. Daarom kwam er een andere, waarna er
weer een andere kwam, die evenmin werd gebruikt. Pa hielp ma, die zei
dat zij niet eens meer kon staan, zonder tillift uit bed. Hij
verschoof haar ook in bed zonder speciaal laken, want ma was ook van
dat eenvoudige hulpmiddel niet gediend.
Wat
mankeerde ma eigenlijk? We hebben dit niet uit de mond van een
dokter, maar ik vermoed dat het een depressie is geweest. Ik heb er
ook rekening mee gehouden, dat ma mij aan het chanteren was. Zij
wilde niet dat ik nog naar Turkije ging en kan mij op die manier
hebben willen tegenhouden. Ik weet het echter niet en kon mij ook
niet laten weerhouden.
Ma
houdt mij niet langer in gijzeling, ook niet via pa,
noteerde ik op 23 september toen ik tijdens een slaapdienst 's avonds
niet tot rust kon komen. Als ma niet
aan haar herstel mee wil werken en alle hulp van buitenaf weigert, en
pa laat dit toe, is dat hún probleem. (…) Ma heeft er alles aan
gedaan, om haar gezondheid te ondermijnen en normaal functioneren
onmogelijk te maken. Goede raad leverde alleen maar ruzies op. (…)
Resie belde me vandaag op mijn werk. Ik moest maar naar Turkije gaan
zonder pa en ma iets te vertellen, zei ze. Ik moest me vooral goed
amuseren, want ma is ons voor de gek aan het houden, en niet voor het
eerst. Resie zou wel wekelijks bij pa en ma langsgaan.
Op
5 oktober zat ik opnieuw in het vliegtuig. Tegen pa en ma had ik
gezegd dat ik een week lang buitengewoon veel op mijn werk moest
zijn, zodat ik niet bij hen op bezoek kon komen. Het werd een
bliksembezoek, tijdens welk Haşim
en ik het eerste inburgeringsexamen en de visumaanvraag
ternauwernood voor mekaar konden krijgen. Ma belde ik om de
andere dag op. En dan hoopte ik maar dat tijdens ons gesprek geen
oproep tot gebed van de moskee zou komen, of dat iemand mij in het
Turks zou aanspreken.
Pa
had inmiddels besloten dat ma en hij niet op de oude voet verder
konden: ze zouden proberen een in Eygelshoven nieuw te bouwen
bejaarden- of aanleunwoning te bemachtigen. Daar was ook meer hulp in
de buurt. Als ma zich echter tegen meer hulp zou blijven verzetten,
kwamen zij niet voor zo'n woning in aanmerking. Op 18 november
hadden wij daarom een moeizaam en pijnlijk gesprek met een
maatschappelijk werker. Toen ik die dag huiswaarts keerde, nam ik
afscheid van een ma die des duivels was en een pa die weer
perspectief zag. Vier dagen later, een maandagochtend, werd ik aan
het eind van een rusteloze slaapdienst opgebeld door een
medewerkster van een zorginstelling. Was de extra hulp nu al
geregeld? Nee, pa was overleden!
Er
volgden vier waanzinnige dagen waarin van alles voor de overleden pa
en de zieke ma moest worden geregeld. Voor ma werd voor dezelfde dag
nog een verpleegkliniek gezocht, was mij verteld. Vanuit de trein had
ik echter laten weten dat ik zolang pa in huis was voor ma wilde
zorgen. De eerste nacht moesten we het tegen de zin van ma zonder pa
stellen: zijn lichaam zou in een uitvaartcentrum netjes worden
opgemaakt en gekoeld, opdat het bij vrij hoge kamertemperatuur
toonbaar bleef. De overige nachten rustten wij samen: pa en ma in de
voorkamer, ik in de achterkamer.
Aan
de thuiszorg hadden wij weinig. Er werd soms aangebeld als ik ma net
verzorgd had of als ma lag te slapen. Om iemand bij ma te laten
waken, was een nieuwe indicatie vereist. Ik lag en zat dus uren te
waken. Ma's ademhaling was soms zo onregelmatig, dat ik dacht dat zij
ieder moment kon sterven. Als ma terminaal was, kon zij misschien
naar een hospitium of kon ik tot na haar overlijden bij haar blijven.
Ma wilde alles liever dan naar de Hamboskliniek, die op haar wachtte.
En ik had haar nog wel een aantal weken willen verplegen. Telkens
echter als er een dokter bij werd gehaald, veerde ma overeind, zodat
er niks aan de hand leek. Omdat ik op een gegeven moment aan mezelf
ging twijfelen, heb ik een verpleegkundige van de Hamboskliniek
opgebeld. Zij had ma gezien. Beeldde ik mij in dat ma terminaal was?
“Nee”, luidde het antwoord, “ik heb het schriftelijk
gerapporteerd.”
Ma's
verpleging was slopend. Dat heb ik in korte tijd ervaren, terwijl ik
toch 29 jaar jonger ben dan pa. In één nacht ben ik in tijd van
twee uur vijf keer voor ma opgestaan. De eerste keer had zij
zichzelf en haar bed bevuild. Dat vond ik niet erg. Ik heb ma
uit bed getild en op een po-stoel gezet, ik heb haar gewassen en in
een schone nachtjapon geholpen, haar bed verschoond en haar in bed
terug getild. Een half uur later heette het weer: “Jo, ik moet
plassen.” Ma
bleek niet te hoeven. Zoiets kan gebeuren. Een half uur later en weer
een half uur later en weer een half uur later..... Toen heb ik
gezegd: “Ma, dit moet je niet doen. Als jij echt moet plassen, help
ik jou graag. Maar ik wil niet dat jij mij voor niets op laat staan,
want ik wil hier niet naast pa komen te liggen!”
Pa zou dit
nooit hebben gezegd.
Ma
wilde niet meer. Zij is algauw opgehouden met eten en drinken en
medicijnen innemen. Ik heb niet bij haar aangedrongen: ik had
haar geen menswaardig bestaan meer te bieden. Als ik naar haar
ademhaling luisterde, dacht ik: “Nu zorg ik nog voor je. Voor mij
ben jij, behalve een lastig mens, ook mijn moeder. In de
verpleegkliniek ben je straks alleen nog maar een lastige cliënt.”
Ik vond het
geen prettige gedachte, de zorg aan vreemden te moeten overgeven. Pa
had het ook nooit gewild. En ma zei: “Ik ga niet naar de
Hamboskliniek – ik ga dood!” “Ma”,
heb ik in
een van haar laatste nachten tegen haar gezegd, “Resie en ik houden
heel veel van je. Pa en jij hebben altijd goed voor ons gezorgd. We
hebben het samen goed gehad. Maar als jij nu naar pa wilt, begrijpen
wij dat. Wij dringen jou niets meer op: geen eten, geen drinken en
ook geen medicijnen.”
Op
vrijdag 26 november leek het einde nabij. Ma vroeg om haar moeder
alsof die nog leefde en.....noem de clichés maar op. Ik kon het niet
benoemen, maar het klopte niet – en het was misschien goed zo. Een
beetje tegen mijn zin, belde ik in de namiddag een dokter. Die
constateerde dat ma's bloeddruk, hartslag en zuurstofopname in het
bloed perfect waren. Ik voelde me belazerd. Resie zag het aan mijn
gezicht. Lag ma nu nog toneel te spelen? Ze vroeg om naar de wand te
worden verlegd terwijl zij zich naar voren trok. Ze vroeg om naar het
hoofdeind te worden verlegd terwijl zij naar het voeteneind kroop. Ik
heb tegen ma gezegd dat ik haar zo niet kon helpen. Zij had tenslotte
alle hulpmiddelen laten verdwijnen.
's
Avonds om zeven uur was er in de kerk een avondwake voor pa. Nu ma
kennelijk toch niet zoveel mankeerde, liet ik buurtgenote mevrouw
Wolak, die zich sinds maanden betrokken had getoond, met haar alleen.
Na anderhalf uur kwamen wij thuis: Resie met haar man en zoon Mark,
en mijn goede vrienden Alfons, Sander en John. Beide laatsten wilden
ma condoleren en afscheid nemen van pa; Alfons zou tot na de
begrafenis bij mij blijven. “Hoe moet dat nu morgen?”, vroeg
Resie. “Als ma dat wil, gaat zij pa mee begraven”, antwoordde ik.
We waren immers op alles voorbereid: er zou een soort van ambulance
komen, ma kon liggend de uitvaartdienst bijwonen. Voor het geval zij
niet kon, zou mevrouw Wolak bij haar blijven en kon ma naderhand de
foto's bekijken. (Er was zelfs een fotograaf geregeld.) “Toch wil
ik dat er een dokter bij komt”, hield Resie aan.
Louter
om Resie gerust te stellen, belde ik de nightcare.
“U hoeft zich niet te haasten”, zei ik. Terwijl ik het uitsprak,
keek ik nog eens naar ma. “U moet zich wél haasten”, verbeterde
ik me, “mijn moeder gaat dood!”
Ik
zag ma razendsnel heengaan. Ik rende naar haar bed, greep ma's handen
en riep: “Ma, het spijt me, als ik jou onrecht heb gedaan! Het
spijt me, als ik onheus ben geweest, als ik jou niet heb begrepen!
Ma, wij houden van je!”
Ma
keek mij aan, maar ik weet niet of zij mij nog verstaan heeft. Ma
gleed van ons weg, naar pa – de eeuwigheid in. We waren haar kwijt,
de vrouw die vaak moeizaam door het leven was gegaan en die Resie en
mij ons leven had geschonken.