Posts tonen met het label huisvrouw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label huisvrouw. Alle posts tonen

woensdag 21 augustus 2013

Duitse in de Hopel - Gertrud Herten (1899-1976), bestierster van een groot gezin




Traudchen (Maria Gertrud) Herten werd op 22 maart 1899 te Oidtweiler (D.) geboren als dochter van Mathias Herten (*Dortmund (D.) 23 april 1865, Oidtweiler (D.) 18 maart 1939) en Karolina Kahlen (*Oidtweiler 16 mei 1869, 30 maart 1948). Traudchen was het vierde kind in een gezin van elf, waarvan er drie niet volwassen zijn geworden en er twee in de Tweede Wereldoorlog zijn gevallen. Haar broers en zussen zijn: Marie (Maria Katharina) (*25 februari 1893, 30 november 1979), Franz (*16 april 1894, 27 september 1944), (Josef) August (*15 juli 1896, augustus 1977), Michel (Michael) (*4 februari 1901, 3 april 1957), Katrin (Maria Katharina) (*19 december 1902, 20 juni 1971), Therese (*19 juli 1905, 18 maart 1924), Fritz (Friedrich) (*5 december 1907, †bij Radom (Polen) 14 januari 1945), (Johann) Werner 22 juli 1909, 10 oktober 1980), (Peter) Joseph (*3 augustus 1910, †3 april 1930) en Karoline (*12 augustus 1913, 18 september 1913). Traudchens vader was mijnwerker, net als vijf van haar broers, haar man en al haar zonen en schoonzoons. Traudchen trouwde op 17 oktober 1924 met Govert Schoormans (*Leverkusen (D.) 7 juli 1896) en werd daarmee Nederlandse; het huwelijk werd de volgende dag kerkelijk ingezegend. Traudchen en Govert kregen acht kinderen: Mia (*Nieuwenhagen 5 december 1925, Heerlen 4 februari 1988), May (*Nieuwenhagen 14 februari 1927, Eygelshoven 22 november 2010), Carolien (*Eygelshoven 3 januari 1929, Kerkrade 13 mei 2000), Addi (*Eygelshoven 10 februari 1930), Frans (*Heerlen 28 juli 1931, 14 mei 1999), Piet (*Kerkrade 21 december 1933, 30 september 1992), Jo (*Kerkrade 16 september 1937) en Paul (*Kerkrade 6 augustus 1941), die hen allen overleefden. Traudchen overleed op 22 maart 1976 te Kerkrade, 29 dagen na haar man, die geveld was toen zij in het ziekenhuis was beland. Traudchen, die niets ernstigs mankeerde, was vlak daarna eveneens voorgoed gevloerd. Govert en zij delen een graf op het kerkhof aan de Rimburgerweg te Eygelshoven.




Sterke, gelovige vrouw

Oma was een sterke vrouw, die niet liet merken als haar iets mankeerde. “Ik begin nu een nieuw leven”, zei ze na het overlijden van opa, wiens lichamelijke en geestelijke aftakeling veel van haar had gevergd. Even later kreeg ook zij een hersenbloeding en belandde zij op haar sterfbed. “God, neem hem maar!”, had zij vlak daarvoor aan dat van haar 'Josef' gezegd.
Het tekende oma. Opa, op wie zij toch geregeld had gemopperd, moet haar zeer dierbaar zijn geweest. Maar oma had een rotsvast geloof. Boven de sofa in de woon­kamer hing het beeldverhaal van de heilige Agnes. Die had in de Romeinse tijd wonder­lijke martelingen doorstaan na­dat zij de hand van aanzien­lijke jongemannen had gewei­gerd. Zij was verloofd met Christus, had zij verklaard.
Ook oma lijkt een soort van familie-relatie met bewo­ners van de hemel te hebben gekoesterd. In een tijd waarin geen stoet hulpverleners voor de gewone burger klaar stond, waarin men minder rechten had en men minder tegen ramp­spoed verzekerd was, lag het voor de hand om je voor hulp of bescherming tot een heilige te wenden. Heiligen hadden ieder hun specialisme. De heilige Apollonia bijvoorbeeld kon worden ingeroepen bij hoofdpijn of kiespijn. Blasius behoedde voor keelpijn. Zelf was de heilige onthoofd. In zijn kerker opgesloten, had hij een jongetje gered dat in een visgraat dreigde te stikken. Voor wie zijn sleutels kwijt was, stond Sint Antonius paraat. Maria, die Jezus had zien lijden, wist wat een moeder kon hebben te door­staan. Ook de eenvoudige ster­veling mocht haar 'moeder' noemen. Als oma naar Duits­land ging, bezocht zij ofwel fa­milie ofwel Maria-bedevaarts­oord Kevelaer. Vanuit dat laatste bracht zij voor wie haar lief waren prentjes, medailles, rozenkransen en kaarsen mee.
Geloven was voor oma een vanzelfsprekendheid waar­uit zij kracht putte. Theoretisch zal haar geloof nauwelijks onderbouwd zijn geweest; zij zal zich wel nooit in de bijbel hebben verdiept. Katholieken deden dat ook niet. Oma ging wel iedere week naar de kerk. Het verdroot haar dat haar man alleen op hoogtijdagen ging. En zij had er al helemaal geen be­grip voor, dat iemand die van huis uit katholiek was het zocht bij een ander geloof.
Star lijkt oma echter niet te zijn geweest. Toen in het midden van de jaren zestig een aantal heiligen werd afgeschaft, gaf zij haar kleinkinderen gip­sen heiligenbeelden om ze tot krijt stuk te slaan, terwijl die beelden jarenlang een ereplaats in haar woning hadden gehad. Met dat krijt tekenden zij hinkelbalken op het wegdek waarop oma figuren van bloemblaadjes maakte als de processie uittrok. Als de pas­toor na afloop opmerkte dat sommige straten héél mooi versierd waren, straalde oma van tevredenheid.
Het is moeilijk om oma 35 jaar na haar overlijden nog te door­gronden. Ik had een zeer be­hoorlijke band met haar, maar was nog geen twintig toen zij overleed. Lang vóór haar over­lijden was ik bij haar in de Hopel op bezoek toen ik haar herhaaldelijk hoorde zeggen: “De welt jeet tse ende!” (De wereld loopt ten einde.)
(Oma sprak en schreef een mengelmoes van voornamelijk Hoogduits en dialect en, in mindere mate, Nederlands. Zij schreef uitsluitend in het Sütterlin, waarbij een woord als 'voor' via het dialect 'vuur' en het Duitse 'für' geschreven werd als 'vür'. Slechts één van haar kinderen kon het lezen.)
De welt jeet tse ende!” Wat was er aan de hand, vroeg ik me af. Had oma soms een Jehova-getuige gehoord? In die kring werd geregeld verkon­digd dat het nu toch echt gauw gedaan was met de zondige wereld. Het antwoord was met moeite uit oma te krijgen. Oma bleek van de televisie te hebben begrepen dat er vrouwen waren die voor geld..... Oma durfde het nauwelijks te benoemen.
Oma's wereld was niet heel groot. De grootste afstand die zij gereisd heeft, is honderd of tweehonderd kilometer ge­weest. Haar leven speelde zich op enkele uitstapjes na af bin­nen een straal van pakweg tien kilometer. Teevee kwam er pas in 1964 in huis; die bood 's avonds en in het weekend een drietal zenders aan. Maar was oma echt zo naïef? Mijn moe­der, die ik onmiddellijk van het voorval vertelde, kon het zich niet voorstellen. Oma en opa hebben jarenlang kaarten ont­vangen van een aange­trouwd familielid dat naar Amerika was geëmigreerd en het daar had gemaakt. Hij ging door het leven met een zwarte man, iets wat niet heel gewoon kan zijn geweest. Ik heb oma nooit anders dan positief over beiden gehoord, hun kaarten werden trots getoond. Heeft oma zich echt niets bij beider vriend­schap gedacht? Heeft zij zich daar niets bij willen den­ken? Of heeft zij gedacht: het zijn vriendelijke kerels – laat God zelf maar oordelen!



Dienstmeisje bij Herrschaften

Oma was geen domme vrouw. Ze had een schat aan levens­ervaring en beschikte behalve over opmerkelijke huishoude­lijke en boeren- vaardigheden over de nodige creativiteit. Veel meer dan basisonderwijs zal zij niet hebben genoten en zij zal rond haar veertiende buitens­huis zijn gaan werken. In die tijd was dat nu eenmaal zo, zeker voor een arbeidersmeisje. Voor zo'n meisje werd een dienstbetrekking gezocht, waarbij het bij vreemde men­sen introk en voor een appel en een ei dag en nacht voor hen beschikbaar was. Haar moeder en grootmoeders waren haar daarin voorgegaan, haar doch­ters zouden naar verwachting volgen. Het ouderlijk gezin had zo een mond minder te voeden. Het meisje leerde wat haar als echtgenote en moeder van pas kon komen. Want dat zij – met een beetje geluk – zou trouwen en zich dan uitsluitend aan haar (arbeiders-)gezin zou wijden, lag in de lijn der ver­wachting. Er viel in die tijd niet veel te kiezen, ook niet voor arbeiders­zonen. Oma heeft op ver­schillende plaatsen gewerkt, onder anderen bij boeren. Ge­tuige kaarten die oma van haar broer August ontving, woonde zij op zijn minst van oktober 1915 tot juni 1918 in Setterich (Kreis Jülich).
Een woord dat oma nog op hoge leeftijd geregeld uit­sprak, was 'Herrschaften', al dan niet voorafgegaan door het bepaald lidwoord 'de'. 'Herrschaft' betekent zowel 'heerschappij' of 'macht', als 'heer of vrouw des huizes'. Uit de mond van oma klonk het inderdaad als een hogere macht die net zo'n natuur-gegeven was als de wisseling der sei­zoenen of een onweer, en waartegen je je even goed of slecht kon bewapenen. Oma sprak over de 'Herrschaften' met een mengsel van ontzag en kinderlijke liefde. Protest tegen onrechtvaardige structuren proefde ik er niet uit. Er waren natuurlijk 'Herrschaften' bij wie het kwaad toeven was – die je bijvoorbeeld al te erg uitbuitten of vernederden – maar dan pro­beerde je gewoon van 'Herr­schaft' te veranderen. Een fat­soenlijk meisje werkte nu eenmaal in een dienstbetrek­king, niet op de fabriek.
Op een gegeven moment is oma de grens overgestoken om in Nederland aan de slag te gaan, waarschijnlijk bij een gezin van winkeliers. Fysiek was het geen grote stap: oma was geboren en getogen in de grensstreek. En landsgrenzen vormden geen onoverkomelijke barrières. Psychisch zal de overgang eveneens mee zijn gevallen. Limburg was in overgrote meerderheid katho­liek – net als het aanpalende Duitsland – en in Kerkrade/ Eygelshoven werd een dialect gesproken dat nauw aan het Duits verwant is. Men kan zich nog steeds in een stad als Keulen of Aken behelpen met het Kerkraads dialect. De zich ontwikkelende Mijnstreek trok bovendien arbeiders uit tal van landen aan. Er woonden veel Duitsers en Oostenrijkers, er woonden ook veel Polen, Slo­venen en Tsjechen, al dan niet met hun gezin. Oma was dus geen vreemde eend in de bijt.
Oma's keuze was geen verkeerde. In 1923 werd Duits­land, dat voor zijn nederlaag in de Eerste Wereldoorlog zwaar was gestraft, getroffen door geldontwaarding van onvoor­stelbare omvang. Voedsel­prijzen, jazelfs postzegels, wer­den berekend in miljoenen en miljarden Duitse marken. Wie spaargeld had, raakte alles kwijt. Pensioenen en dergelijke stelden niets meer voor. Het verhaal gaat dat mensen hun kamer behingen met.....geld. Oma vertelde hoe haar moeder een van haar zonen de verras­sing van zijn leven had be­zorgd. Zij was met zijn spaar­geld – waarschijnlijk waarde­vol, want van edelmetaal, Duits muntgeld – naar de bank ge­gaan en had daar een berg Duits papiergeld voor terug­gekregen. De kassier had het geld niet eens geteld: hij had een hele la geld in haar schort uitgestort. Oma's Duitse 'Herr­schaften' werden zwaar getrau­matiseerd. Ene Adolf Hitler maakte zich al op om hen naar een nieuwe toekomst te leiden. Oma's toekomst lag in Neder­land. Als dienstbode verdiende zij er weliswaar niet veel, maar het was wel in harde Neder­landse guldens.



Govert wordt Josef

Op een dag kwam oma iemand tegen die zich meer dan gemid­deld in haar geïnteresseerd toonde. 'Govert Schoormans', heette hij. Voor een Duitser zijn dat ongewone en moeilijk uit te spreken namen, maar van 'Govert' valt 'Josef' te maken – dan is gelijk in een veel ge­vierde naamdag voorzien: 19 maart. 'Josef' was eveneens in Duitsland geboren, maar als kind van Nederlandse trek­arbeiders dat weinig met zijn geboorteland ophad. Hij ging door voor Brabander en was na omzwervingen voor werk in de Limburgse Mijnstreek terechtgekomen. Als Govert serieus was, mocht hij Traudchens Josef worden. Govert méénde het. Op een kaart met de foto van een verliefd paar, waarop hij behalve oma's naam en adres alleen “afzender Jozefes Schoormans” schreef, felici­teerde hij haar met, waarschijn­lijk, haar verjaardag. (Oma's verjaardag en naamfeest scheelden drie dagen.) In oktober 1924 gaven hij en Traudchen elkaar in Eygels­hoven het jawoord.
Oma was een mooie vrouw. Een sterk bijgekleurd portret toont haar in de tijd dat zij aan haar leven met opa begon. Ook die mocht er blijkens jongemans-portretten wezen. Govert kon, als hij wou, een statige man zijn. Zelf heb ik hem niet vaak goed gekleed meegemaakt; hij gaf daar niet om. Oma maakte zich wél mooi. Zij had heel lang haar, dat zij zorgvuldig kamde en ingenieus tot knotje vlocht. Het was een genot, haar daarbij gade te slaan. Oma's haar werd op een gegeven moment te dun, net als dat van haar man. Vol­gens mijn moeder kwam dat doordat zij het verfden met roet uit de kachel.



Bestierster van een groot gezin

Opa en oma hadden het niet breed. Opa verdiende als bovengronds mijnarbeider een karig loon en een getrouwde vrouw legde zich toe op haar eigen huishouden. Het jonge gezin woonde aanvankelijk boven een café in Nieuwen­hagen. Na de geboorte van het tweede kind betrok het kamers of een huisje aan de Rim­burgerweg in Eygelshoven. De melk bevroor er in de keuken. Er werden een meisje en een jongen geboren. Daarop ging het naar de na­burige Hopel. Het gezin trok er in een woning in de witte mijnwerkerskolonie onder de rook van de Laura, een mijn­bouw-onderneming waarin alle mannen en aangetrouwde man­nen van het gezin kwamen te werken. In dit 'grootouderlijk huis' werden nog eens drie zonen geboren. (Een vierde zag waarschijnlijk in het ziekenhuis het levens­licht.) Opa en oma bleven er wonen tot zij in januari 1975 naar een verzor­gingshuis gingen.
Het bestieren van een groot gezin was geen geringe klus. Mijn kinderogen zien oma nog de was doen. Zij had in een schuurtje een soort van grote kuip, waarin emmers water werden gegoten en waar­in, als je de stekker in het stopcontact stak en een knop omdraaide, iets dat draaide en tegen het wasgoed aan sloeg rechts-links-rechts-links kleine bewegingen maakte. Het spoe­len gebeurde onder een koud kraantje, het waswater was op een groot kolenfornuis gewarmd. Na het handmatig uit­spoelen verhuisde het wasgoed terug naar de was­machine, waarop een wringer gemon­teerd was. Het wasgoed moest daar stuk voor stuk met de hand doorheen worden ge­draaid. Daarna kon het te dro­gen worden gehangen, bij voorkeur in de tuin. Dit alles zomer en winter, weer of geen weer.
Bovenstaande is slechts een voorbeeld ter illustratie. Het hele jaar door moest er een kolenkachel brandend worden gehouden om water voor koffie of thee aan de kook te brengen, om de vlekken uit wasgoed te koken of om een maaltijd klaar te maken. Alleen al het stoken van zo'n kachel vergde een en ander; opa's moeder had er het leven door verloren. Zo'n kachel diende uiteraard ook om een woon­ruimte te verwarmen. Deson­danks werd er vaak kou gele­den, waarbij kwam dat een woning vochtig kon zijn. Menigeen leed dan ook aan reumatiek. En daar was in die tijd nauwelijks iets tegen te doen.
Oma had zes zonen die ondergronds werkten. Zij had­den wisseldiensten die niet gelijk op liepen. Dat betekende dat oma vaker dan één keer per dag eten kookte, en wel: echt kookte – kant-en-klaar-maal­tijden of iets wat daar op leek, waren er niet. Vloeren moesten op de knieën worden ge­schrobd, karpetten werden naar buiten gedragen en met een mattenklopper onder handen genomen. Enzovoorts enzovoorts enzovoorts. Het huis had een grote voor-, zij- en achtertuin. Die stonden vol groenten en bloemen. Groenten werden ingemaakt voor de winter. In dit alles was oma op zijn minst een drijvende kracht. Af en toe moest er worden behangen – bij voorkeur een karwei voor oma. En zeer geregeld moest er kleding worden versteld. Oma's nachten waren vaak kort, over­dag zat zij geregeld te slapen.
Oma toonde weinig zelfmedelijden. Ik althans heb haar weinig over zichzelf horen jammeren. Zij vond het van­zelf­sprekend, dat haar leven grotendeels ten dienste stond van wie haar lief waren. Opa was – om misverstanden te voorkomen – evenmin een luie vlerk. Ook hij verzette bergen werk en achtte huishoudelijk werk niet man-onwaardig. Oma gunde zichzelf gelukkig ook pleziertjes. Tot de meer-alledaagse pleziertjes hoorden het brengen van een bezoek aan een van haar kinderen – die woonden na hun trouwen in een straal van vijf kilometer – en het lezen van boeken. Die boeken waren, als ik het wel heb, van romantische aard. Een rijdende bibliotheek bezorgde ze aan huis.



Brieven van over de grens

Met haar ouders en broers en zussen zo'n tien, vijftien kilometer verderop, heeft oma hoofdzakelijk middels brieven contact onderhouden. Zij zag hen niet vaak, en in en vlak na de oorlog nauwelijks of niet. Helaas hield oma's echtgenoot van opruimen. Eén keer kon ze hem bij thuiskomst nog net de laatste brieven van haar moeder uit de handen grissen: opa was alle 'ouwe rommel' aan het ver­branden. De overgebleven brieven zijn uit de jaren 1937-1947. Er schemert iets in door van oma's leven. Hier volgen enkele passages. Ze zijn zoveel mogelijk letterlijk, dus met behoud van schrijf- en taalfouten:
(16 maart1937) Wir wünschen euch liebes Traudchen und Josef viel Glück und Segen zum Namenstage. Immer denke ich an dich armes Traudchen wie du dich zurecht findest bei der großen Kinder­zahl. Ja 6 Kinder die haben was nötig. Ich weiß es ja von früher als ihr noch alle klein waret. Man muß aber sich vom Schicksal, so nennen es die Ungläubigen, nicht unter­kriegen lassen. Wir Katholiken nennen es Gottes Prüfungen. Darum nur nicht verzweifeln. Gott hat noch immer geholfen. Ich bete immer für euch. Rufe nur fleißig den h[ei]l[i]g[en] Josef an. Er hilft uns immer. (…) Freitag feiern wir das Fest des hlg. Josefs. Bete an diesem Tag doch den Rosenkranz Abens mit den Kindern für deinen Mann. Du weißt ja wofür. Der hlg. Josef wirkt auch heute noch Wunder. (…) Könntest du doch noch einmal kommen mit Maria. (…)




(19 januari 1941) (...) Sehr viel Leid habe ich von dir, armes Traudchen, daß du so viel mit Krankheiten heim­gesucht wirst. Du bist ja wahrhaftig in die Fußstapfen deiner armen Mutter ein­getreten. Ich will hoffen daß du aber auch wie ich nicht den Mut verlierst und tapfer bleibst wie alle Deutschen sein müßten. Der l[iebe] Gott und unser Führer wird uns nicht verlassen. Wenn du hier wohntest bekämst du auch die Kinderbeihilfe. Leute die arbeitsam und fleißig sind und ehrlich geht es ja bekanntlich immer nicht gut. Danke Gott daß du so ein fleißiger Mann hast. Ich habe es hier erzählt wie ihr euch trotz eurer großen Kinderzahl noch immer so redlich durchgeschlagen habt. Ich freue mich so auf ein Wiedersehen mit euch. Hoffentlich sind deine Kinder nicht so verwildert wie hier die Kinder sind und auch fleißiger. Der arme Matjö muß auch schon früh mitarbeiten. Ich habe aber auch erfahren daß die feinen Dämchen die bloß eins wollen mehr mit das eine auszustehen haben als andere die ein Haus voll Kinder haben. Ich habe die Enkel von mir einmal diese Woche zusammen gezählt. Gegen­wärtig beträgt die Zahl 27. Nach einigen Monaten aber wird sich die Zahl wieder um 3 erhöht haben. Unser Fritz, du und Trina haben wieder Familienzuwachs zu erwirken: Fritz im März und Trina im Sept. das 9. Das kleinste von Trina ist jetzt 11 Monate [und] läuft noch nicht allein. Haupt­sach: unser Herrgott hat uns noch nicht verlassen. Du bist immer so gut mit uns gewesen. Könnte deine arme Mutter dich doch auch einmal beistehen. (…)
(24 september 1941) Wünsche dir l. Traudchen viel Glück und Segen mit deinem Söhnchen. Dieses Jahr kommen fast alles Jungen. Unser Trina hat am 23. August auch ein Junge bekommen. Unser Fritz und Michel seine Frau waren Taufpathen. Sie nennen ihn Adolf. (…) Ich hörte von Michel du hättest Bescheid geschickt wir sollten mal an die Grenze kommen. Wie gerne ich euch noch einmal sähe, ich bin nicht dazu im Stande. Soll unser Maria oder anders jemand mal kommen. Den Tag und die Stunde kannst du bestimmen und auch wo. (…) Was mach Mija und Matjö noch, ist Karlinchen schon aus der Schule entlassen. Wäre der Krieg doch zu Ende, daß wir uns wiedersehen könnten. (…)
(8 oktober 1942) (…) Man hat hier erzählt die Engländer hätten ganz Eigels­hoven dem Erdboden gleich­gemacht. Was das für mich war könnt ihr denken. 4 Bergwerke wären am brennen. Es wird ja immer viel gelogen. Als ich so schwach krank war hatte ich mich im Kopf gesetzt weil so viele Leute krank waren die Engländer hätten das Gedien­te vergiftet. Allerhand Mär­chen werden erzählt. Wir wollen hoffen, daß der l. Gott uns noch den Sieg erleben läßt und wir ein frohes Wiedersehen feiern können und zwar in unserer Heimat. (…)




(1 april 1946) Endlich einmal nach so langer Zeit wieder ein Lebenszeichen von Oma. Will euch zuerst einmal fragen wie ihr durch den Krieg gekommen seid. Ich glaube nicht, daß ihr so viel aus­gestanden habt als wir arme Deutsche. Der Gott der Deutschen ist uns wie ihr alle wißt uns zum schweren Verhängniß geworden, der hat uns ins tiefste Elend gestürzt. Jetzt wo er tot ist können wir es wenigstens noch einmal aus­sprechen. (…) Am 16. Mai werde ich 77 Jahre. Könnten wir uns doch noch einmal sehen. Maria war vor zwei Jahren einmal an der Grenze gewesen, hat dich aber nicht getroffen. (…)
(5 januari 1947) (…) In der Zeitung steht wir könnten Briefe ins Ausland schicken, 100 Gramm. Auch das Ausland darf die Briefe hierhin senden. Das Papier und Briefumschläge ist hier nirgens zu haben. Es würde mich sehr freuen wenn du mich einige Kouverts und einige Bogen Papier, einige Umschläge schicken könntest. (…)
(22 december 1947 – Deze brief is van de hand van een zus van oma.) (…) Die Grenze ist offen, kommt nach hier, wie freue ich mich, kommt doch Weihnachten nach hier oder Neujahr. Wir werden dann tüchtig zusammen feiern, dann werden wir froh und glücklich zusammen sein, kommt, kommt! (…) Kommt doch, unser Mütterchen und auch wir freuen uns auf euer kommen. Kann Josef nicht mitkommen? Und Karoliene, Maria und die andere Kinder. Das gäbe ein Halo. Ich bin darauf gerichtet. Das Fett fehlt, sonst haben wir alles. Plätzchen, alles haben wir genug, blos Schincken und Speck fehlt, aber das macht der liebe keinen Buckel. Die Hauptsache ist die Grenze ist für euch auf, der Komandant hat gesagt es dauert nicht lange dann können wir euch auch besuchen kommen. (…) Nun hört ihr mein heimliches Rufen, kommt nach hier, ich habe euch viel zu erzählen, sehr viel wenn man sich so lange nicht gesehen hat. Also Weihnachten sonst kommt Silvester und Neujahr. (…)
Overgrootmoeders brieven bieden soms een verbijsterend uitzicht op de alledaagsheid van ons bestaan. Zij waren nu eenmaal niet voor publicatie bestemd en werden naar verwachting alleen door de censor en mijn oma gelezen. Zij hoefden dus niet te worden opgesmukt. Enkele zinnen nadat overgrootma had verhaald hoe zij geëvacueerd was geweest, een zoon voor zijn huis was gedood, een schoondochter en haar zoon aan een ziekte waren bezweken en een andere zoon van overgrootma aan het Oost­front was gesneuveld, klinkt de verzuchting: “Bekämen wir alte doch wenigstens etwas Kaffee. Das würde einen gut tun, eine Tasse Kaffee. Der wird bei euch sicher nicht mit so furchtbaren Preisen bezahlt wie hier.” Vervolgens gaat het weer over verwoestingen, de geboorte van een kleindochter en de dood van geliefden. De gesneuvelde zoon van wie hier sprake is, was oma's broer Fritz. Hij was bijna negen jaar jonger dan oma en heette in Rusland te zijn gevallen (in werkelijkheid was dat bij het Poolse Radom).




Donkere bladzijdes

Oma had een groot fotoalbum met donkere bladzijdes, waarin haar dier­baren een plekje hadden gekregen. Er zaten zowel foto's als kaarten in. Enkele foto's toonden een broer van oma in soldaten-uniform. Op een ande­re stond haar zus Therese, die in haar negentiende levensjaar was gestorven. Als kind begreep ik dat zij bij een boer werkte en daar op een hete dag koude melk had gedronken. Haar bloed zou daardoor in water zijn veranderd. De foto liet haar zien met een lach, in haar zwarte communiejurk-met-witte-sluier. Een kerkboek in haar rechter­hand, op haar hoofd iets wat op een bloemenkrans leek. Op weer een andere foto poseerde het ouderlijk gezin, al zonder Therese, maar nog met Josef. Josef had lang tevoren door een val van een zandberg een bochel opgelopen. De foto was genomen in 1929. Het jaar daarop zou Josef komen te overlijden. Eén foto toonde hem in zijn kist.




De foto's fascineren mij nog steeds. Ze gunnen een blik in een voorbije wereld waaruit ik kennelijk deels ben voort­gekomen maar die mij in wezen vreemd is. Ik voel zowel ver­bondenheid als afstand, en dat laatste meer dan als ik bij­voorbeeld Nederlandse familie­portretten zie. Dat neemt overi­gens niet weg dat ik van kindsbeen af – misschien mede door oma's foto's en de verhalen die zij daarbij vertelde – gevoel heb gehad voor het Duitse lijden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik ding op geen enkele wijze af op de misdadig­heid van het nazi-regime, maar het doet mij pijn als ik mensen zie lijden, vooral als niet duide­lijk is dat zij bewust en uit vrije wil achter dat onderdrukkende en hersenspoelende regime heb­ben gestaan. Dat iemand Duit­ser is en misschien ook nog soldaat doet daaraan niets af.



Vervreemding

Oma's levensgezel en kinderen hebben de vervreemding even­eens gevoeld. Het heeft mij verbaasd met welk enthou­siasme mijn ooms erover ver­telden hoe zij als kind een afvalberg van de steenkoolmijn beklommen om te kunnen zien hoe de Geallieerden aan het eind van de oorlog het naburige Duitsland bombardeerden en hoe de boel daar in lichterlaaie stond. Met dat soort enthou­siaste verhalen kwamen zij ook thuis. Oma's zonen dweepten met de bevrijders, die in en rond het dorp waren gelegerd. Eén van hen bracht een Amerikaanse militair stro om op te liggen en kreeg uit dank een grote hangklok en een klok in de vorm van een paard met inktpot.....die uit een woning in Duitsland waren meegenomen. Ze prijkten daarna jarenlang prominent bij mijn grootouders in de woonkamer. Was dat niet vreemd? Oma was tenslotte van Duitse komaf. “Ach, de Duit­sers hadden zelf zovéél geroofd!”, luidde de reactie van mijn vader in 2001.
Ik heb mijn ouders in 1995 bevraagd over hun gevoe­lens met betrekking tot het Duitse lijden. – Mijn moeder kwam uit een vergelijkbare situatie. – Wat ging er door mijn ouders heen toen Aken onder vuur werd genomen? “Dat vonden wij fijn", antwoordde mijn vader. Maar daar woonde toch familie!? "Die van ons niet", klonk het terug. "Trou­wens, daar stonden wij niet bij stil. Oma misschien wel, maar die sprak daar niet over. Je was almaar in de weer om aan eten te komen. We haatten die Pruisen (Duitsers): we hadden ze zien marcheren. 's Avonds moest de boel verduisterd zijn en mocht je niet buiten komen. Je moest voortdurend op je woorden letten. Bij een staking zijn mijnwerkers willekeurig opgepakt en doodgeschoten. Je werd afgebeuld, terwijl Pruisen een voorkeursbehandeling kre­gen. Op het laatst waren we ook nog bang voor arbeidsinzet in Duitsland."
Bij mijn moeder wekten mijn vragen nog heftiger emo­ties. "Ook bij ons is er een bom gevallen", vertelde zij, "er waren veertien doden." Was het een Duitse bom? "Nee, een Engelse." De buurt waar mijn moeder woonde, is geëva­cueerd. Onderweg werd er op de evacués geschoten. Weer vielen er veertien doden. Mijn moeder zag de lijken nog voor zich, zoals zij ook de Joodse familie Keller-Levi zag. Die woonde een straat verderop en was op een dag opgehaald. Een agent uit de buurt had geassisteerd. Man, vrouw en zoontje waren meteen van elkaar gescheiden. Mevrouw Keller had het uitgeschreeuwd. Mijn moeder is naar huis gehold en heeft de hele dag over­gegeven. Nee, wat mijn ouders betreft hadden ze die 'Pruisen' gerust plat mogen gooien; ze hadden tenslotte massaal met de arm geheven gestaan!
Oma zelf heb ik helaas nooit over haar gevoelens ondervraagd. Ongevraagd gaf zij echter aan dat zij zich Nederlandse had gevoeld en daarom geweigerd had de Duitse bezetter om extra eten te vragen, iets wat zij als 'Reichs­deutsche' ongetwijfeld zou hebben gekregen. Haar man moest sowieso niets van 'die Moffen' hebben. Hij luisterde naar verboden zenders en dreigde de radio harder te zetten als oma zich daarover al te ongerust toonde.
Het was een bijzonder moeilijke tijd. De hongerdood dreigde men niet te sterven – dat was in die streek niet – en het werk op de mijn gaf wat extra – het was per slot van rekening buitengewoon zwaar én van vitaal belang – maar men had wel vaak trek. En dan was het extra-onplezierig als men de nacht in de schuilkelder moest doorbrengen, wat vanwege bombardements-vluchten zeer geregeld voorkwam. Die vluch­ten golden weliswaar Duitsland, maar bommen konden al dan niet gewild ook in Nederland vallen, zoals onder meer in juli 1941 gebeurde. Zeven personen lieten toen midden in Eygels­hoven het leven, vijf in een kelder. De familie Schoormans-Herten zou eens de verbazing van buurtgenoten hebben gewekt door zich na een luchtaanval in levenden lijve te vertonen. Het gezin had in de kelder niet gemerkt dat door luchtdruk het dak van zijn huis was gegaan. Dat dak lag nu op straat. Dat althans wil het verhaal, dat menigmaal werd verteld.
Bij de familie Schoormans in de buurt woonde menigeen met een Duitse achtergrond. Het feit dat iemand Duitser was (geweest), hoefde hem of haar in de ogen van medeburgers niet per se tot buitenbeentje te maken, zelfs niet als hij gedwongen werd om ergens wacht te lopen. Dat laatste kon de bezetter namelijk van iemand eisen. Oma hoefde zich evenmin buitengesloten te voelen. De schaarste aan van alles en nog wat bood haar volop gelegenheid om haar vindingrijkheid te bewijzen. Dat deed zij dan ook. Zij kon bijvoorbeeld van twee eieren een pan vol maken. Van heggeblaadjes kon, geloof ik, tabak worden gemaakt. Voor wie belust was op koffie was er ook wel wat te verzinnen.




Dagboek

Zo kwam het gezin, dat stilletjes-aan compleet geworden was, de oorlog door. Voor het land brak een tijd aan van wederopbouw, voor opa en oma bleef het sappelen. Opa kreeg wel toen hij zestig werd pensioen. Vanaf zijn vijfen­zestigste hadden hij en oma bovendien – en dat was vrij nieuw! – AOW. Vanaf pakweg 1956 hield oma een dagboek bij. 'Dagboek' is misschien een groot woord voor 'kasboek': oma noteerde er vooral in wat zij uitgaf, het geld dat zij uitleende en de cadeaus die zij en opa kregen. Soms maakte zij melding van de geboorte of doop van een kleinkind. Oma en opa telden er uiteindelijk achttien. Oma's aantekeningen zijn kort en emotieloos. De uitvoerigste is misschien nog de volgende: “In der nacht vom 12 bis 13 Oktober [bijgeschreven: In 19.69] hatt Ton von unse Franz eine 6 Monatliche Schwangerschaft beendet mit der Geburt eines Töchterchen mit ein Beinchen Tod geboren”. De aantekeningen staan – soms zelfs op dezelfde bladzijde – niet in chronologische volgorde. Oma lijkt haar 'dagboek' willekeurig te hebben open­geslagen en haar bericht te hebben neergepend waar ook maar een plekje vrij was.




“Als je op de dood gaat wachten.....”

Im Oktober war meine Schwester Maria schwer erkran[k]t.” Deze mededeling staat onderaan de pagina waarop die van de miskraam staat. Als ik van oma iets geleerd heb, is het dat wij niet weten in welke volgorde wij gaan. Ik hoor oma nóg met een zus overleggen hoe zij op de begrafenis van hun zus gekleed zouden gaan. Die zus was er beroerd aan toe en zou weldra sterven. Welnu, de zus in kwestie was Maria, het oudste kind van het gezin Herten-Kahlen. De zus met wie oma overlegde, moet Katharina zijn geweest. Zij overleed in 1971 op 68-jarige leeftijd. “Jetzt bin ich eine alte Schachtel – 77 Jahre”, had Maria het jaar tevoren aan oma geschreven. “Am 25.2. werde ich 80 Jahre alt. So alt wird kein Schwein”, liet zij drie jaar daarna lustig weten. U begrijpt het al: toen Maria op 86-jarige leeftijd stierf, lag oma al drieënhalf jaar op het kerkhof.
Dat kerkhof heb ik als kind dikwijls met oma bezocht. Onderweg plukte zij bloemen. “Waarom gaan opa en jij niet naar het bejaardenhuis?”, vroeg ik haar eens. “Jongen”, ant­woordde ze, “als je op de dood gaat wachten, komt-ie gauw!” Toch is het er uiteindelijk van gekomen. Het waarom onthult een ontroerend klad van een brief aan een vriendin. Het leest als volgt: “Waubach 10 März [1975]. Beste Freundin. Lange hab ich nicht geschrieben es wird immer aufgeschoben aber ich vergesse dir doch nicht. Ich hab einen Monat im Krankenhaus gelegen. Dann sind wir am 6. Januar zum Alterheim hier in Waubach gangen. Josepf machte mir soviel Arbeid alle Tage hatt ich gnug zu waschen. Das Haus war zu groos und zu kalt und wir sind ja beide schon alt Josepf 78 Jahr und ich 76. Dann kann man nicht mehr viel machen. Wir kriegen von der Krankenkaße eine Karte. Dann laß ich mir mal nach Oidtweiler bringen. (…) Wie gehts noch mit dir Vileicht füls du dich auch einsam. Dir alles gute wünschen Josepf und Traudchen.”
Oma belandde soms in het ziekenhuis als zij zich niet aan haar dieet had gehouden. Oma was suikerziek en injec­teerde zich daar jarenlang voor. Drie maanden voordat oma en opa naar het verzorgingshuis gingen, hadden zij hun gouden bruiloft gevierd. Voor opa hoefde het wellicht niet meer en hij kreeg het niet meer allemaal mee, maar oma had er erg naar uitgezien. Het was een groot feest geworden, voorafgegaan door een heilige mis. Een fotoreportage toont een stra­lende oma te midden van haar familie. Zus Maria was mee van de partij. De volgende grote familie­bijeenkomsten zouden minder opgewekt zijn. Toen ik oma voor het laatst zag, lag zij met verwilderde blik in een ziekenhuisbed. Zij overleed in het bijzijn van haar kinderen, twee uur nadat zij 77 was geworden. Op 25 maart, haar naamfeest, zagen wij vanuit de bus die ons naar het kerkhof had vervoerd hoe oma naar haar graf werd gereden. Er was, zoals een neef opmerkte, een zeer bijzondere vrouw van ons heengegaan.





Kopf hoch, wenn es auch schwerfällt!”

Na voltooiïng van dit stuk vond ik nog twee brieven van oma aan haar zus Maria terug. Ze werpen licht op oma's laatste levensjaren – op de ouderdom met zijn gebreken. Hier komen ze.


Liebe Schwester Schwager Anni Leo August Karola die anderen Kleinkinder

Hopel. 23.12.1970

Herzliche Grüse von uns allen. Hoffendlich ist Lorenz [Maria's man] zu Haus. Gehts mit dir arme Schwester etwas besser. Hättes du nur Zähne dann kanst du das Fleisch besser beisen. Ein frisches Hänchen oder Rindfleisch gehack, eine gute Hühnersuppe da ist doch noch etwas was dir und Lorenz gut zum essen ist. Liebe Schwester ich hab bis ¼ nach 1 Uhr in Mariadorf gewartet in Herzogenrat soll ich 1 Stunde warten dann bin ich zu Fus nach Hanrade gegangen dann nach Eigelhoven mit dem Bus. Ich hoffe das es Euch bald besser geht wenn du mal wieder laufen kannst.
Wenn das Wetter besser ist komm ich mal wider. Wir wünschen Euch alle ein fröliches Weinachtsfest eine gute Gesundheit für Euch alle nochmals herzliche Grüse an Anni die so gut für Euch sorgt.
Lebt Wol, auf Wiedersehen. Wir wünschen Euch allen ein glückliches neues Jahr.


Hopel 18 September [1972?].

Liebe Schwester und Kinder!

Zunächst viele Grüse von uns allen. Seit Freitag bin ich zu Hause. beina 6 Wochen bin ich im Spital in Kirchrad gewesen. ich war sehr schlim krank. ich hat biginn von gelbe Farbe der Zucker zu hoch und Gaal enzündung. eine Woche hab ich allein gelegen. Ich darf so wennig essen dann kann es noch eine Zeit dauern eh ich noch mal richtig auf die Beine bin. Wir sind noch da und denken es geht alles vorüber. Unser Vater sagte Kopf hoch wenn es auch Schwerfält. Ich will mal gerne wissen wie es dir geht. Bist du noch ein bischen gesund aber die lange Weile. (Zwager Lorenz was inmiddels overleden.) Komt Ani noch immer das arme Kind hatt sich ganz für Euch Aufgeoffert. hatt Leo noch Arbeit. Wenn ich besser bin kom ich Euch Besuchen. Wie [ich] hörte ist Pit Haverz (de man van overleden zus Katharina) wieder zu Hause. Gott sei dank. Ich darf nicht arbeiden ein bischen kochen und speulen ('sjpeule': de afwas doen). Unser Karlin komt mir helfen. bei uns ist keine schwere Arbeit. Und hoffen auf ein baldiges Wiedersehen. Wir wünschen Euch allen das allerbeste. Wir grüsen Euch allen dein Schwester Traudchen Jop und unsere Kinder.



vrijdag 9 augustus 2013

Ma, het verhaal van een huisvrouw - 3 - "Waren jullie nog maar klein!"





"Ik zal nu wel gauw van oom Leo te horen krijgen of opa en oma's graf gehandhaafd blijft, vertelt ma in oktober 2000. Voor mij hoeft het niet per se. Ik bid nog dagelijks voor oma, maar zelfs van de beenderen zal na dertig jaar weinig over zijn. Ik vraag me echter af wat jíj er van vindt, Jo.”
Ma's vraag om raad is even ongewoon als het antwoord dat ik geef. Ik hecht aan het graf en ben het de jaren door blijven bezoeken. Volgens een goede vriendin laten oude mensen graven vervallen omdat zij vrezen dat die na hun overlijden zullen worden verwaarloosd.
“Dat laat ik aan jou en oom Leo over”, klinkt het uit mijn mond. “Jullie zijn de kinderen. Ik denk nog vaak aan oma, maar bezoek haar graf nog maar één keer per jaar – als ik er al kom.” Het is een correct antwoord, dat trots verzwijgt dat oom Leo's en ma's houding mij pijn doet. De grafsteen verdwijnt, maar ik blijf de plek bezoeken.

Als mijn makker Haşim en ik op dinsdag 10 januari 2012 op het kerkhof in de Ham aankomen, zijn de stoffelijke resten van opa en oma Hermans zojuist opgegraven. Vanaf een afstand zien wij hoe zij achter een haag samen in één kist worden gelegd. Oma is nog zo goed als intact, wordt ons verteld.
Het is een vreemde gewaarwording, overleden dierbaren van het kerkhof vandáán te halen. De kist staat op een open vracht­wagentje; er ligt een slordig zeil overheen. De snelste weg naar de Rimburgerweg blijkt over Duitsland te gaan. We maken een sur­realistisch uitje.
Oma hield van Eygelshoven. Het is goed, dat zij en opa er een waardige rustplaats krijgen. “Hier kunnen ma en jullie verder met elkaar ruziën”, schiet het door mij heen als we de kist in het graf laten zakken. Ik schaam mij om de gedachte en verjaag ze met een Onzevader.








Verschillend van karakter

Van pa herinner ik mij niet één minder gunstige uitlating over zijn ouders. Ik herinner mij ook niet dat hij ooit ook maar één keer ruzie met hen heeft gemaakt, terwijl hij hen toch wekelijks bezocht. Ook met ma's ouders heb ik hem nooit ruzie zien maken. Over ma's moeder herinner ik mij uit zijn mond niet één boze uitspraak. Op ma's vader viel af te dingen. Pa was zich daar goed van bewust. Maar ook voor opa Hermans' gedrag probeerde hij een verklaring te vinden. Pa was in dit alles ma's tegenpool. Hij was de grote verzoener, die, als de eerlijkheid of het mededogen hem dat gebood, ma's moeder eerder tegen haar dochter in bescherming nam dan zijn vrouw onvoorwaardelijk in haar onredelijkheid te volgen.
Met ma heb ik pa zeer geregeld ruzie zien maken, maar hij maakte haar niet zwart als zij er niet bij was. Pa en ma deden, als het eropaan kwam, in vurigheid niet voor elkaar onder. Alleen: voor pa kwam het er minder vaak op aan dan voor ma. Pa was een heel stuk rustiger, redelijker ook. Hij kon eerder denken: “Het is het niet waard, dat ik me er al te zeer over opwind.” Zijn stemming was gelijk­moediger, zijn karakter evenwichtiger. Pa had een harmonieuze persoonlijkheid, die hem overigens niet altijd behoedde voor onbillijkheid of onbegrip – maar daar zijn wij mensen voor.
In huize Schoormans-Hermans kon het er dan ook van tijd tot tijd heftig aan toe gaan, vooral in pa en ma's jonge jaren. Resie en ik hebben ons weleens afgevraagd waarom die twee bij elkaar bleven. Deden ze er niet beter aan, te scheiden? Ik weet niet of wij onze ouders die vraag gesteld hebben, maar hun antwoord zou zijn geweest: “Alleen al vanwege de kinderen kunnen ouders niet uit elkaar gaan: je kunt dat een kind niet aandoen!” Ma en pa hadden elkaar echter ook het jawoord gegeven: zij hadden elkaar eeuwige trouw beloofd. Eeuwig betekende voor hen eeuwig. Tot de dood hen zou scheiden, zouden zij lief en leed met elkaar delen.
Dit is evenwel niet het hele verhaal. Pa en ma zijn, bij al hun ruzies, de jaren door van elkaar blijven houden. Zij hebben zich nimmer kil jegens elkaar getoond. En er had niemand tussen hen kunnen komen. Naarmate ma zorgbehoevender werd en pa de rol van verzorger op zich nam, is hij zich nóg meer aan haar gaan aanpassen. Terwijl haar onbegrip toenam, nam zijn begrip toe. Ik vraag me dan ook af wat er zou zijn gebeurd als niet híj maar zíj als eerste was gegaan. In Amsterdam had ik een ruime kamer voor hem gereserveerd. – Van haar wist ik, dat ik haar nooit in huis zou kunnen nemen. – Had hij die kamer betrokken, of was hij de vrouw met wie hij zo innig vergroeid was spoedig achterna gegaan? Ik ben niet meer zeker van het antwoord.


  

Gedeelde waarden

Zo verschillend als pa en ma waren van karakter, zo ver­schillend waren zij ook van belangstelling. Pa interesseerde zich tot het laatst voor zeer veel: voor de kleine wereld om hem heen en voor de grote wereld van politiek, andere volkeren en culturen, geschiedenis en ruimtevaart. Ma's belang­stelling beperkte zich in hoofdzaak tot mensen en dingen in haar omgeving. De rest vond zij “maar stront”, tenzij het voor haar een persoonlijk gezicht had. Als ik tegen haar had gezegd: “Ik kom volgende week bij mensen in Sri Lanka die in een krot wonen”, had zij gezegd: “Hier is honderd euro. Geef hun die en doe hun de hartelijke groeten!” Ongevoelig voor leed op afstand was ma dus niet. Pa en zij liepen geen thuisloze voorbij zonder hem iets toe te stoppen en doneer­den voor projecten in de Derde Wereld, het Rode Kruis en zoveel andere organisaties.
Pa en ma's huwelijk dankte zijn hechtheid mede aan gedeelde waarden. Pa en ma waren er bijvoorbeeld van overtuigd dat ieder mens een onvervreemdbare waardigheid heeft, ongeacht zijn geslacht, seksuele geaardheid, land van herkomst, huidskleur, geloofs­overtuiging of cultuur.....mits hij een ander in zijn waarde laat. Mijn ouders hadden even veel (of weinig) begrip voor een koran-geleerde volgens wie overspeligen dienden te worden ge­stenigd als voor een paus of bisschop die homo­seksuelen de hostie weigerde.
Een volwassene was, zo dachten pa en ma, heel goed in staat om naar eer en geweten keuzes te maken zonder dat die hem door een rabbijn, molla, dominee of pastoor werden opgelegd. Pa en ma waren als vanzelfsprekend katholiek, maar waren even vanzelf­sprekend wars van dwingelandij. Over het geloof werd weinig gesproken; niemand hoefde plaats te nemen op Gods troon om van daar af over anderen te oordelen. Schriftgeleerdheid was pa en ma vreemd. Zij verachtten het zelfs, als iemand 'de Heer ontdekte' en zich dan beter achtte dan zijn medemensen. Het ging pa en ma niet om het woord maar om de daad. Als het zover was, zouden zij zich 'hierboven' voor hun doen en laten verantwoorden zonder beroep te doen op de Heilige Schrift.
“Ben ik mijn broeders hoeder?” Mijn ouders zouden deze bijbelse vraag hebben beantwoord met een: “Tot op zekere hoogte zeker wel.” Je kunt niet alle leed van de wereld op je schouders nemen, maar dat betekent niet dat het je onverschillig mag laten. Zeker niet als het zich in jouw omgeving voordoet. Ma en pa schoten een medemens-in-nood te hulp zonder daarbij aan religie te denken. Dat je je naaste bijstond, was voor hen vanzelf­sprekend. Even vanzelfsprekend was het om respect te hebben voor het leven van een dier – om een dier althans niet meer te laten lijden dan strikt noodzakelijk was. (Pa en ma hadden weinig gevoel voor vegetarisme en maakten korte metten met muizen en vliegen.) Ook bij ma kwam een huisdier niets te kort. Je was er per slot van rekening speciaal verantwoordelijk voor.
Ma en pa's gevoel van verantwoordelijkheid betrof in de eerste plaats hun kinderen en elkaar, misschien wel in die volg­orde. Beider ouders speelden er eveneens een belangrijke rol in, vooral voor pa; ma verloor de hare in 1970 en 1973, pa de zijne begin 1976. Voor hun kinderen was pa en ma niets te veel. Zij hielpen hen waar zij maar konden. Dat ging, zolang beiden sterk waren, heel ver. Soms ging het te ver. Pa en ma's verantwoorde­lijkheidsbesef werd dan als beknellend ervaren. Pa en ma hadden daar onvoldoende gevoel voor. Zij meenden het toch goed – wat kon daar mis mee zijn!? Een enkele keer kwam het tot langdurige onder­linge verwijdering. Pa en ma toonden zich één in hun ver­bittering: was dit hun loon!?


Oma en opa

Zoals het voor onze ouders en grootouders vanzelf had gesproken om kinderen te krijgen, deed het dat voor Resie en Co – zoals het dat ook voor mij zou hebben gedaan in een andere situatie. Bart werd geboren op 3 oktober 1982, Mark op 24 april 1984 en Astrid op 17 juni 1994. Het waren absolute hoogtepunten in het leven van pa en ma; zij voelden zich zielsgelukkig met een kleinkind op schoot.
Resie en haar gezin woonden zo'n zes, zeven kilometer van Eygelshoven vandaan. Ma en pa kwamen jarenlang weke­lijks op visite en brachten dan menig uur bij hen door. Pa trok heel veel met zijn kleinzoons op. Ma en hij leken met de geboorte van hun kleinkinderen een verjongingskuur te hebben ondergaan. Het was niet moeilijk, in hen de energieke ma en pa van Resie's en mijn kinderjaren te herkennen.

Ook bij mij kwamen pa en ma weleens op bezoek. Ik toonde mij minder honkvast dan mijn zus. In de jaren 1974-1981 woonde ik in Amsterdam, in 1981 een half jaar in Maastricht, vervolgens tweeënhalf jaar bij pa en ma, anderhalf jaar in Maastricht en een kleine vier jaar in Venlo; eind 1989 was ik in Amsterdam terug, ditmaal samen met Alfons, met wie ik een woning deelde.
In februari 1994 kregen Alfons en ik in de Bijlmer een pracht van een flat aangeboden. Wij hoefden pa en ma niet uit te nodigen om een kijkje te komen nemen. Ze waren er ineens, bepakt en gezakt. “Wij gaan pas weer naar huis, als jullie verhuisd zijn”, werd ons meegedeeld. Het tekende pa en ma, maar in dit geval was er meer aan de hand. Ma had een telefoontje gehad van een vrouw met wie pa en zij sinds tientallen jaren bevriend waren. Opeens was het aan de andere kant van de lijn stilgevallen. Pa had zich er naar toe gehaast, maar de vrouw had niet opengedaan. Zij bleek een hersenbloeding te hebben gehad en kon nu elk moment overlijden. Ma en pa waren hun woning dus ook ontvlucht.
Uitblazen was er echter niet bij. Er moest van de morgen tot in de avond worden gewerkt. Pa had een sterke lamp meegebracht die dat mogelijk maakte; de dagen waren immers kort, en pa en ma hadden geen rust. Op het nieuwe adres werd het behang van de wanden geweekt, werd rauhfaser geplakt en geschilderd, werden de plafonds gewit en werden vloeren geëgaliseerd, zodat er vaste vloerbedekking kon worden gelegd. Ma ging als een witte tornado door beide woningen. Na een week konden wij pa en ma uitgeleide doen vanuit een volledig opgeknapte en ingerichte nieuwe woning.




Samen bejaard

Ma en pa hebben dus geen dertig jaar lang naar de dood toe geleefd; je zou het door de ellende van de laatste jaren haast vergeten. Als echtpaar waarvan de kinderen uitgevlogen waren, hebben zij er nog vele jaren wat van kunnen maken. Pa was sinds januari 1980 vervroegd gepensioneerd; materieel ontbrak het ma en hem aan niets. Ze konden zich veroorloven wat zij wouen en sparen als nimmer tevoren.
Ma's collectie schoenen en jurken nam een ongekende omvang aan, ook al doordat zij van tijd tot tijd vond dat zij moest lijnen en dan drastisch te werk ging. Bij haar overlijden stonden in een kast wel vijftig paar schoenen van haar; veel ervan zal zij nauwelijks aan haar voeten hebben gehad, want, ook al had zij ze zelf gekocht en al waren ze nog zo duur geweest, er ontbrak in haar ogen al te vaak iets aan. Ik geloof niet dat pa hier ooit iets van gezegd heeft. Zijn Keet moest het vooral kopen, als zij iets mooi vond. Als zij zelf niet op pad kon, haalde hij in een modezaak in het dorp kleding op zicht, zodat ma thuis kon kiezen. Zelf wilde pa er ook netjes bij lopen, maar voor zichzelf schafte hij lang niet zo veel aan.
Terwijl pa zijn conditie op peil hield door tweemaal per week naar de sportschool te gaan, liet ma iemand aan huis komen voor orgel-les. Ik had de indruk dat het ma soms meer te doen was om de persoonlijke aandacht die zij van de muziekleraar kreeg dan om wat hij haar bijbracht. Later ging zij bij een koor buiten het dorp. Lid waren voornamelijk oudere dames die lekker, pretentieloos wilden zingen. Van ma begreep ik dat de dirigent het leiden van het koor beneden zijn waardigheid achtte en dat daar geregeld ruzie van kwam. Als in Kerkrade de jaarlijkse korendag werd gehouden, ging pa mee om het allemaal te filmen. Ma genoot ervan, als zij iemand thuis een optreden van haar koor kon laten meebeleven.
Lezen deed ma op haar oude dag nauwelijks meer, hand­werken – zij heeft nog een poosje kussens en kleedjes geknoopt – evenmin. Kruiswoordpuzzels oplossen deed zij des te meer. Het hield haar geest soepel. Over de televisie-programma's waarin allerlei lui verwanten en ex'en luidruchtig de afgrijselijkste ver­wijten maakten, hebben we het reeds gehad. Door het volgen van einde­loze soap-series bleek ma onbewust Engels te leren. Ik kon mijn oren niet geloven toen een Srilankaanse vriendin mij vertelde dat zij zich aan de telefoon met ma had onderhouden: ma had haar verstaan!
Terwijl ma in de voorkamer naar háár programma's keek, keek pa in de achterkamer met koptelefoon of geluidloos naar de zijne. Naar muziek-programma's keken zij samen. Ik had er heel wat voor over gehad, als ik beiden eens een keertje mee had kunnen nemen naar Sri Lanka (ik deed er onderzoek) of als wij samen Oostenrijk hadden kunnen bezoeken. De zangers en muzi­kanten waarvan zij genoten, traden immers op in een berg­landschap dat voor pa en ma een lust voor het oog was. Pa had ik er misschien nog naar toe kunnen krijgen, ma beslist niet. “Wij hebben vroeger niet gereisd – wij hadden daar het geld niet voor – en hoeven dat nu ook niet te doen.”
In Heerlen en Kerkrade-centrum kwamen ma en pa des te vaker. Zij liepen er over de jodenmarkt of langs de winkels. Pikten ze er ook weleens een terrasje? Ben je gek. “Vroeger hadden we er het geld niet voor.” “Jullie hebben het nu wel!” “Ja, maar niet om het weg te gooien. In de supermarkt krijg je een hele fles voor wat je op een terras voor één glas betaalt.” Einde discussie. Wat taxi's betreft, was het hetzelfde liedje. Als je moeite hebt met lopen, laat je je toch een keertje per taxi naar het stadspark in Kerkrade of naar de kerk van de heilige Gerardus in Wittem brengen!? Nee hoor, “wij geven ons zuur verdiende geld toch zeker niet uit voor een taxi!” Pa en ma waren het met elkaar eens.


Verschralend Eygelshoven

Als ik naar het dorp loop”, merkte pa op, “kom ik bijna niemand meer tegen die ik ken. Er toetert weleens iemand. Die zal ik dan wel kennen. Maar als iemand in zijn auto voorbij rijdt, kan ik niet zien wie het is. Pa had ook kunnen zeggen: “Er zijn in Eygelshoven weinig winkels meer.”
Van degenen die pa in hun auto voorbij zag tuffen, deed menigeen zijn boodschappen buiten het dorp, in een grote zaak met uitgebreide keus en lagere prijzen. Je wilt tenslotte geen dief zijn van je eigen portemonnee, nietwaar? Voor kinderen van winkeliers gold wat er voor kinderen van mijnwerkers gold: als het effe kan, kies je voor een minder arbeidzaam en risicovol leven dan je ouders, zeker als je in een ander beroep beter betaald wordt. Ook kinderen van kleine zelfstandigen gingen studeren. Familiebedrijfjes werden het ene na het andere opgedoekt.
Jongeren die 'in het noorden' aan een universiteit studeerden, keerden na afloop zelden naar Eygelshoven of Zuid-Limburg terug. Zeker na het sluiten van de mijnen en het mislukken van de (industriële) herstructurering viel daar – misschien met uitzonde­ring van Maastricht – moeilijk meer aan de kost te komen en nog moeilijker een passende baan te vinden. Zuid-Limburg heet in wervende reclames Balkon van Europa, de oude, Oostelijke Mijnstreek wordt Parkstad genoemd. Het is goed bedoeld, maar in een park of op een balkon kunnen maar weinigen een bestaan opbouwen.
Tot de weinigen die het kunnen, behoren drugsdealers. De wereld van de drugs is een harde. Enkelen die wij hebben zien opgroeien, belandden erdoor in de gevangenis. Eén van hen hing zich er op. We moeten oppassen dat wij van Eygelshoven geen karikatuur maken, maar vanaf een afstand werd ik er niet vrolijk van. Mensen uit de omgeving verhingen zich, een enkeling sprong van een flat of stak zich in brand. Het kwam ook in mijn Amsterdamse omgeving voor, maar van Eygelshoven viel het me tegen.....zo grote eenzaamheid, zoveel heimelijke wanhoop in een omgeving waarin mensen elkaar toch menen te kennen!
Eygelshovenaren hebben elkaar nooit goed gekend, vermoed ik. Ze konden het zich niet permitteren, hun buren diep in hun hart te laten kijken. Met de wereldwijde individualisering, de ongeken­de mobiliteit en de verspreiding van computers met hun social networking zullen de buren-contacten niet intensiever zijn gewor­den. Veel geboren-en-getogen Eygelshovenaren hebben het dorp verlaten; er zijn mensen van elders voor in de plaats gekomen. Het verenigingsleven heeft een flinke klap gekregen. Eygelshoven had in 1966 6600 inwoners. Hoeveel het er nu zijn, is moeilijk te zeggen: Eygelshoven hoort sinds 1982 bij Kerkrade, er wordt anders geteld. Eygelshoven-Kom, de Hopel en het Waubacherveld hadden in 2009 5500 inwoners. Dat wijst op een forse aderlating. In 2007 werden er veertig mensen geboren en overleden er vijfenvijftig.



Moreel faillissement

De begraafplaats aan de Rimburgerweg beleeft gouden tijden”, hoor ik u denken. Je verwacht het, maar het schijnt niet zo te zijn. “Veel Eygelshovenaren willen niets meer met de kerk te maken hebben”, verklaart iemand die het kan weten. “Zij willen niet eens meer kerkelijk begraven worden.” Overledenen gaan linea recta naar het crematorium; hun as wordt uitgestrooid.
Degene die het me toevertrouwt betreurt het, maar kan het zich wel voorstellen. Onder de kop Bange, religieuze man..... in de levensbeschrijving van ma's vader zullen wij kennismaken met het wantrouwen van Franciscaanse broeders jegens hun pupillen. Zij vonden het vervelend, dat zij tijdens een film­voorstelling niet konden zien wat de jongens met hun handen uitspookten. Laat nu uitgerekend broeders uit Bleijerheide ervan beschuldigd worden dat zij niet van pupillen af konden blijven! In heel Europa worden religieuzen van hoog tot laag beschuldigd van seksueel misbruik op grote schaal. In Nederland schijnen reli­gieuzen zelfs leerlingen die zich erover beklaagden te hebben laten opsluiten en castreren.
Wantoestanden zijn van alle tijden en culturen; ze zijn nooit helemaal te voorkomen. Ze worden echter vergemakkelijkt en houden lang stand in een gesloten en sterk hiërarchische cultuur. Het Tweede Vaticaans Concilie had in die cultuur enige verande­ring moeten brengen. In Nederland was de hervormingsbeweging bijzonder sterk en radicaal. Rome maakte haar kapot. Limburg kreeg in 1972 in Johannes Gijsen een bisschop die nauwelijks met andersdenkenden kon communiceren en die dacht en handelde in termen van autoriteit en rechtgelovigheid. In plaats van bruggen te bouwen, zoals de naam pontifex (Latijn voor bisschop) suggereert, sloopte hij ze. Wie het niet met hem eens was, was niet zuiver in de leer en mocht wat hem betreft uit de kerk wegblijven.
Eygelshoven en naburige dorpen kregen te maken met ortho­doxe priesters die menige gelovige te licht bevonden, die nog vóór aankomst ruzie maakten met hun nieuwe parochianen, die geen protestantse begrafenis wilden in “hun” kerk.....en die uiteindelijk het veld moesten ruimen, de een nadat hij een parochiaan zwanger had gemaakt, de ander omdat hij met zijn vriendin plezier had gemaakt met geld uit de armenkas, en weer een ander omdat hij duizenden euro's had gestolen die waren ingezameld voor het gezin van een vrachtwagenchauffeur die zijn leven had opgeofferd om dat van schoolkinderen te behouden.
Het schandaal was compleet toen conservatieve bis­schoppen het veld moesten ruimen vanwege seksueel misbruik waaraan zij zich zelf schuldig hadden gemaakt – (oud-)bisschop Gijsen werd tussen de bedrijven door beticht van onbetamelijk gegluur als surveillant op een internaat – , toen bleek hoeveel moeite de kerkelijke top en wereldlijke autoriteiten (tot gerechtelijke instanties toe) zich hadden getroost (en zich nog steeds getroosten) om zaken in de doofpot te stoppen en te houden.....en hoe onbelemmerd boos­doeners al zeden predikend vele jaren lang hun gang hadden kunnen gaan. De katholieke kerk is moreel failliet, vinden ook veel Eygelshovenaren. Dat zij momenteel gezegend zijn met een zielenherder die door parochianen terecht op handen wordt gedragen, valt hun misschien niet eens meer op.


Verdwijnende wereld

Bij Stevens (de radio- en lampen-zaak waarin ma werkte) keek ik altijd naar een grote kroonluchter”, vertelde ma in januari 1995. “Als je trouwt, krijg je die van mij, zei mijnheer Stevens. Ik heb hem niet van hem gekregen. Toen ik trouwde, werkte ik op de fabriek.” “Stevens zal niet eens geweten hebben dat wij trouw­den”, meende pa. Ma: “Nu kan Stevens ze mij niet meer geven.”
Stevens was allang dood, zoals zovelen uit pa en ma's jonge jaren. Als we zaten te eten, ging het er vaak als volgt aan toe. “Paaseieren, ja. Ik herinner mij niet dat wij vroeger met Pasen veel gevierd hebben. 's Avonds konden wij in de tuin een nestje maken. 's Morgens lagen daar enkele eieren in.” Terwijl ma dit op Paas­zondag vertelde, at zij bedachtzaam een speculaasje. (11 april 2004)
De ene gedachte riep de andere op. “Toen we na ons trouwen niet onmiddellijk in onze eigen woning konden trekken, hebben wij eerst bij oma en opa op zolder geslapen; daarna hebben wij een klein kamertje bij hen als tijdelijk onderkomen ingericht. Tiny en Wiel B zijn in de sacristie getrouwd. Tiny was immers protes­tant.” Tiny kwam net als ma uit Bleijerheide, en kwam ook aan de Kommerveldlaan te wonen. Tiny, Wiel van der S, Y van X, de familie B – van een paar mensen weten ma en pa dat zij zijn overleden. Wat is er met de anderen gebeurd: zouden zij nog leven? (januari 2001)
Precies een jaar daarna ging ma in gedachten de buurt na. “Hierachter hebben na elkaar twee politieagenten en de familie B gewoond. Naast hen – waar later de familie S woonde – woonden twee elektriciens. Tante Caroline en tante Mia woonden ook in die straat. De familie Roverts – buren van pa en ma – zijn ook allang weg. In het huis ernaast woont G in zijn eentje; wij zien hem nooit.” Ma glanst; het is allemaal nog maar pas geleden, dat het wereldje intact was. Even later realiseert zij zich dat zij al 45 jaar in dit huis woont. Wiel van der S is al een jaar of twintig dood.
Pa en ma's oude wereld brokkelde zienderogen af; het ging steeds sneller. Tante Mia ging, afgetakeld, in 1988, tante Carolien, die vaak bij ons op bezoek kwam, in 2000. Oom Piet verloren we in 1992, oom Frans in 1999 en oom Leo in 2004. Oom Ré, de man van tante Carolien, waren we al in 1969 kwijtgeraakt. De over­buren en hun buren, de naaste buren en hun buren, mensen verderop in de straat..... Ze verhuisden naar een bejaardenwoning of gingen dood. Neven en nichten idem dito. Naast pa en ma's banksaldo groeide hun verzameling bid­prentjes gestaag.
Ma en pa hadden grote bewondering voor buurtgenoten die jarenlang zorgden voor hun zieke partner. En die soms eerder overleden dan hun partner. Enorme waardering hadden zij ook voor mensen die bleven zingen terwijl zij leden. De reeds vroeg door ziektes geplaagde Paula H bijvoor­beeld. Terwijl haar man haar verpleegde, bleef zij de moed in eigen persoon. Zelf waren ma en pa op het laatst mee van de oudste bewoners van de ooit zo jonge Molenweg.


Fijn, bij pa en ma te zijn

Ik realiseerde me maar al te goed: dat ik pa en, vooral, ma gebukt zie gaan onder ouderdoms-gebreken is een luxe-probleem, waarvoor ik de hemel op mijn blote knieën mag danken! “Ik vond het fijn, vanmorgen bij pa en ma te zijn: je hebt dan even tijd voor elkaar”, noteerde ik op zondag 31 maart 1996. “Als je bedenkt hoeveel hun handen, die oud worden en verschrompelen, voor Resie en mij hebben gedaan! Ze verdienen dat wij van hen houden, en veel!”
In de tijd waarin ik dit schreef, beleefde ik avonturen die niet alleen voor pa en ma ongewoon waren. En waarover ik maar liever zweeg – en zwijg. Tijdens een bezoek aan ma en pa lichtte ik een tipje van de sluier. “In de ogen van pa en ma moet ik wel een bizar leven leiden, maar ze weten dat ze daar weinig aan kunnen veranderen”, lees ik erover in mijn dagboek.Ma waar­schuwt mij slechts voorzichtig te zijn. Rond zeven uur brengen pa en ma mij naar het station.” De trein bracht mij niet naar huis. De volgende dag deed ik ma over de telefoon verslag. Mijn gedrag verbijsterde haar. “Ik ben nu eenmaal geen type voor een klooster,” verklaarde ik. “Nee”, reageerde zij,dat zou wel héél erg zijn!”
Mijn ouders en ik waren bij alle onderlinge verschillen, loyaal aan elkaar. Het bleek telkens weer. In oktober 2002 vertelde ma dat ze in de Libelle of de Margriet, dames-tijdschriften die ik voor haar meenam, het verhaal had gelezen waarin een man zijn homoseksuele zoon afwees, althans diens homoseksualiteit niet aanvaardde. Ma vond het verschrikkelijk. Pa en zij konden zich niet voorstellen dat iemand om wat voor reden dan ook zijn kind afwees.



“Waren jullie nog maar klein”

Voor wat betreft ma was er echter nog een andere kant van de medaille. “Altijd als ik E zie, denk ik aan jou. Ik zou jou niet meer naar Rolduc (het gymnasium) laten gaan”, vertelde ma in hetzelfde gesprek. “Altijd als ik E zie, altijd als ik J zie, altijd als ik K zie, altijd als ik......” Hoe vaak ik dat niet uit de mond van ma heb vernomen. E was leraar; dat was ik met mijn mooie diploma's niet geworden. J, die niet zo goed had kunnen leren, was cursussen gaan volgen en had nu een eigen bedrijfje. K.....
Ik werd aan een stuk door gewogen en te licht bevonden. Geen enkele vergelijking viel in mijn voordeel uit. Ik werkte bij de thuiszorg, schrobde vloeren en waste oude mensen. Had ik daar­voor zo lang gestudeerd? Hadden pa en ma zich daar krom voor gelegd? Ja, ik schreef ook boeken en werkte voor tijdschriften. Mijn boeken kregen klinkende recensies, één ervan was op teevee vertoond, ik was korte tijd kind-aan-huis geweest in radio-studio's. Maar dat stelde toch allemaal niet zoveel voor. De boeken hadden me niets opgeleverd.
“Nee, Jo, jij zou niet meer naar Rolduc gaan. Als jij daar niet niet naar toe was gegaan, was jij ook niet naar Amsterdam gegaan: dan had jij nu hier in de buurt gewoond.” Het wilde er bij ma niet in, dat mij dat diep ongelukkig zou hebben gemaakt. En dat ik op mijn manier mijn draai had gevonden. Dat het voor mij een bewuste keuze was om niet het onderwijs in te gaan. Dat ik wilde schrijven. Dat ik me in Amsterdam op mijn plek voelde. En dat geld en carrière voor mij onbelangrijk waren.
Ma's eeuwige afkeuring deed ten langen leste niet meer pijn, ik ging er gewoon van kotsen. Ik heb moeten leren leven met het idee dat zelfs als ik minister-president zou zijn geworden, mijn moeder zou hebben gevraagd: “Waarom ben jij niet gewoon leraar geworden? En waarom woon jij niet in Eygelshoven?”

Ma handelde uit liefde – ik weet het en wist het. Mij is na haar overlijden ten overvloede door een vriendin van haar ver­zekerd hoe ma mij de jaren door heeft opgehemeld. “Trouw nooit met een man die niet zonder zijn moeder kan!”, voegde zij pa in hun jonge jaren toe. Zelf accepteerde ma niet dat haar jongetje man was geworden en zijn eigen weg had gezocht. Zij was hierin het volmaakte tegenbeeld van pa. “Waren jullie nog maar klein!” Het was ma's lijfspreuk. Als ik ma vertelde dat ik op reis ging, was haar reactie: “Ik ben blij als je terug bent.” Als ik terug was, informeerde ze niet naar mijn belevenissen, maar was het slechts: “Wat ben ik blij, dat je terug bent! Wat heb ik me een zorgen gemaakt! Jij gaat toch voorlopig niet meer weg!? Dat doe je je moeder toch niet aan!?” Ik mocht de wereld bij ma thuis brengen. Ze ontving iedereen even hartelijk: mijn vrienden uit Limburg, mijn vriendin uit Polen en mijn vriend uit Turkije. Maar zelf moest ik uit de wereld wegblijven.
Ik wist: het kwam voort uit moederlijke overbezorgdheid, die ook wel moederliefde wordt genoemd. Maar het maakte een normaal gesprek onmogelijk. Ik kon ma niet eens vertellen dat ik in mijn eigen omgeving een wandeling wilde gaan maken. Toch wilde zij voortdurend alles weten en zei ze: “Als je tegen me liegt, kan ik net zo goed dood zijn! Je moet je moeder alles vertellen!”
Ma had een ijzersterk geheugen. Tijdens haar leven ben ik een kleine dertig jaar wekelijks of om de twee weken tussen Amsterdam en Eygelshoven heen en weer gereisd. Ik deed het met de trein. Iedere keer weer opnieuw drong ma aan: “Jo, je moet nu gaan: jij mist anders de trein.” Op een dag zei ik: “Ma, ik heb die trein nog nooit gemist.” Dat had ik niet moeten zeggen: twintig jaar tevoren was de trein toch maar mooi voor mijn neus weg gereden. Ik was zelfs gevallen toen ik een sprint in had gezet. Was ik dat soms vergeten?




Zoveel moeite als het ma kostte om haar kinderen los te laten, zoveel moeite kostte het haar ook om los te komen van haar verleden. Ik denk ook niet dat zij daar enige moeite voor deed. Zij sprak over incidenten van vijftig, zestig, zeventig jaar geleden alsof zij de dag tevoren hadden plaatsgehad. “Toen heb ik X mijn citer (of dat boek of die grammofoonplaten) uitgeleend. Ik heb ze niet teruggekregen.” Als ik zei: “Ma, dat is al zo lang geleden en we hebben nu wat ons hartje begeert”, reageerde ze: “Ja, maar zoiets vergeet je nooit!” Ma vergat dus ook niet. Ze was een gevangene van haar verleden.
Over dat verleden vertelde ma weinig (en hoe langer hoe minder) positiefs. Toch leek zij er een romantische voorstelling van te koesteren en ernaar terug te verlangen. Ze zou bijvoorbeeld zonder blikken of blozen vertellen dat zij zich nergens gelukkiger had gevoeld dan in Bleijerheide en dat het o zo fijn was toen Resie en ik nog bij pa en haar inwoonden. Het had dan geen zin, om ma aan haar eigen verhalen te herinneren of erop te wijzen dat de jaren die wij samen hadden beleefd niet alleen rozengeur en maneschijn hadden gekend. De sleutel voor de tegenstrijdigheid schuilt mis­schien in een uitspraak van ma uit december 1998: “Het leven is niet meer zo mooi als je oud bent: je hebt geen doel meer.”


Ongeremd bergaf

Ma leek de laatste tien, twintig jaar van haar leven inderdaad nauwelijks meer een doel te hebben. Aan ziektes en kwalen had zij zich zo ver mijn herinnering reikt met overtuiging overgegeven. Tegenover iedere bezoeker die had geklaagd over welke ziekte of gebrek dan ook had zij gezucht: “Je zou míjn pijn eens moeten voelen!” Het hoorde bij ma; ik nam het niet meer serieus. Ik was ervan over­tuigd, dat ma's ziektes en kwalen invulling gaven aan haar bestaan; zij verzekerden haar op ieder gewenst moment van aandacht.
In ma's optreden zat een eindeloos en voorspelbaar patroon. Ze klaagde onophoudelijk over een kwaaltje dat haar verhin­derde om iets te ondernemen waar zij eigenlijk geen zin in had. Als ze na maanden of jaren naar de dokter ging en die constateerde iets, duurde het heel lang voordat ma zich eraan liet helpen. Na afloop weigerde ze behoor­lijk te revalideren.
Het netto resultaat was en bleef: afhankelijkheid tot op het hulpeloze af – en daarmee de mogelijkheid om haar partner tot in het absurde naar haar hand te zetten. Ik hoor pa en ma nu beiden luidkeels protesteren, maar ik ga nog even door. Door haar onver­antwoordelijke gedrag, waarop ma wellicht uiteindelijk haar greep heeft verloren, heeft zij niet alleen haar eigen sterke lichaam en geest maar ook die van pa stelselmatig gesloopt. Zij heeft pa mee het graf in gesleurd. Ik ben ervan overtuigd, dat beiden nog menig jaar hadden kunnen leven.

Voor de duidelijkheid: ma mankeerde wel degelijk iets. Reeds op de kalender van 1996 is een bibber in haar ooit zo mooie handschrift te zien: ma leed aan de ziekte van Parkinson. Haar vader had die vermoedelijk ook, maar bij hem is nimmer de diagnose gesteld. “Je hebt te veel aan de armen gegeven”, zeiden we als hij zat te bibberen. Ma's handen en gezicht beefden onop­houdelijk. Eten en drinken moet voor ma een kwelling zijn geweest. Probeer maar eens met bevende hand een mok koffie of een lepel soep aan je mond te brengen! Ma klaagde hier niet over. De ziekte moet haar stemming echter ongunstig hebben beïnvloed – zonder dat wij ons van de oorzaak bewust waren.
Ma had ook een hartkwaal. Toen pa en zij mij eind 1996 van Schiphol haalden – ik kwam uit Sri Lanka en had niet eerder zo'n lange en verre reis gemaakt – heeft ze waarschijnlijk onderweg een hartinfarct gehad maar is ze zo goed en zo kwaad als het kon door blijven lopen. In november 1997 onderging zij in het Acade­misch Ziekenhuis Maastricht een coronaire bypass-operatie. Haar ontslagbrief gewaagt van een achterwand-infarct in februari van dat jaar. In de Hoensbroekse Sint-Lucas-kliniek werkte ze vervol­gens onvoldoende mee aan haar revalidatie. Het bleef dus sukke­len.
Ma had op een gegeven moment ook suikerziekte, iets waar­mee je prettig kunt leven als je je er een beetje naar gedraagt. Ma peinsde er niet over. Hoewel ze heel veel medicijnen slikte, sloeg ze complete maaltijden over en pikte ze uit andere maaltijden slechts het ongezondste. Ze vertelde pa bijvoorbeeld hoe hij aardappelen, groenten, vlees en jus klaar moest maken, en at dan zelf alleen maar een bord jus, of aardappelen met jus, of een bakje vla of ijs. 's Avonds bakte ze soms vier tot acht kroketten of gehaktstaafjes voor zichzelf. “Doe dat nou niet”, bezwoer ik ma. “Eet alsjeblieft gezond! Je takelt anders af; je kunt zelfs dement worden.” Het leverde me de jaren door alleen maar ruzies op. “Ben jij ook tegen me?”, vroeg ma twee maanden voor haar overlijden aan pa nadat ik haar een goede raad had willen geven. Pa verzocht mij dringend om verder mijn mond te houden: ma deed toch wat zij wou.
Ma had last van staar, aan beide ogen. Dat is knap hinderlijk. Ma's wereld werd nog kleiner dan ze al was, maar er ging heel wat water door de Rijn vóór zij zich liet helpen. Ma werd eerst geopereerd aan het oog waarmee zij sinds 1953 het minste zag. Als het goed ging, zou het andere oog volgen. Het ging goed, vertelde ma de eerste week: van de operatie had zij weinig bespeurd en zij was meer gaan zien dan verwacht. De week daarop waren haar verhalen al minder positief. Als ma niet binnen een jaar de staar van haar andere oog liet verwijderen, zou zij blind worden, had de oogarts haar verteld. – Ik heb dit allemaal uit de mond van ma. – Liet zij zich aan haar andere oog helpen? Ik hoor het de hulpverlener nog vragen. “Nee”, klonk het uit ma's lachende mond.





Van gesprekken met hulpverleners heb ik aantekeningen gemaakt. “Ik kan niets meer”, zei ma op 29 november 2007. “De traplift, waarom wij hebben gevraagd, heb ik eigenlijk niet nodig: ik kan op mijn knieën de trap op kruipen en me op mijn kont naar beneden laten zakken. (…) Ik ben vanmorgen nog gevallen. (…) Bij mijn verzorging heb ik geen hulp nodig. (…)”
Ma bleek niets meer te kunnen lezen, geen teevee meer te kunnen kijken, niet eens meer op de hof te komen en, op de afwas na, geen enkele bezigheid meer te hebben. “Uw dag suddert aan”, concludeerde de hulpverlener. “Als er geen zingeving is, is dat bedreigend voor uw gemoedstoestand. U heeft prikkels nodig om zo lang mogelijk vitaal te blijven.”
Is het tot ma doorgedrongen? “Ik kan er niets aan doen, dat ik kreupel ben”, gaf zij terug. “We zijn 56 jaar getrouwd; je mag dan wel verlangen dat iemand achter je staat. Op 17 december kwam de hulpverlener opnieuw op huisbezoek. “Als dat het leven is, wil ik niet meer. Ik heb een ijzeren wil”, liet ma hem weten zonder hem aan te kijken. “Ik ben nooit voor vreemde mensen in huis geweest”, huilde zij. Ma weigerde zo goed als iedere vorm van thuiszorg, dagopvang of wat dan ook.


“Mond open en slikken!”

Eén keer heb ik radicaal ingegrepen. Dat was op 6 oktober 2007. Ma was in het ziekenhuis te Heerlen beland. Ze lag er op de acute-opname-afdeling. Zij was tot niets meer in staat, maar niemand wist haar mankeerde. Op een zaterdag, vlak voordat ik op de trein terug zou stappen – ik moest die dag in Leiden werken – ging ik nog even bij haar langs. Ma bleek volkomen verward; ze wist niet waar zij was en zag van alles wat er niet was. Ze had, als ik me goed herinner, al een poosje niet gegeten. “Ma gaat dood!”, schoot het door mijn hoofd. Huilend belde ik naar mijn werk op met de vraag of ik weg kon blijven.
Even later verscheen een verpleegster met eten aan ma's bed. Ma weigerde. “Uw moeder heeft geen trek”, besloot de verpleeg­ster. “Als ma nu niet eet, gaat zij dood”, lichtte het in mij op. “Maar ik wil helemaal niet dat zij dood gaat!” “Geef míj dat eten maar!”, zei ik tegen de verpleegster. Tegen ma zei ik: “En nou doe je je mond open! En slikken!” Ik heb een huilende en tegen­stribbelende ma jankend gedwongen om te eten, want ik wou haar niet kwijt. “Ik houd veel te veel van haar om haar zomaar te laten gaan”, realiseerde ik me enigszins verbaasd.
“We hebben de indruk dat het bij mevrouw voornamelijk tussen de oren zit”, vertelde een dokter ons een paar dagen later. “Ze heeft bovendien een medicijn-vergiftiging.” Ma mocht het zieken­huis uiteindelijk verlaten op voorwaarde dat zij naar een kliniek ging om te revalideren en daarna thuishulp zou accepteren. De belofte was gauw gedaan. Ma was nog geen drie dagen in de kliniek, of zij kon alweer traplopen; ze wou immers zo gauw mogelijk naar huis! De thuiszorg wist ze daarna nog een poosje buiten de deur te houden.
Bij thuiskomst trof ma de woning vers behangen aan. Pa, oom Paul en tante Maria hadden daar in allerijl voor gezorgd, zodat ma er geen last van had. Ziehier haar verhaal. “Pa wilde mij niet naar huis hebben, want hij wou de woning opknappen. 'Nee', zei de dokter tegen hem, 'daar zijn wij niet voor: wij houden uw vrouw niet langer dan noodzakelijk!'” Als we ma vertelden hoe ze er bij had gelegen..... Hoe verzonnen we het!? Ma's realiteitsbesef was er geen geval op vooruit gegaan.





Weinig weerbaar

Ma gaf het niet graag toe, maar het huishouden dreef de laatste jaren bijna volledig op pa. Hij was nog sterk, maar miste de weerbaarheid van weleer. Tijdens pa en ma's laatste bezoek aan mij, in juni 2005, viel mij op hoe onzeker pa zich op het station toonde; ik was dat van hem niet gewend. Het trad schril aan het licht bij de renovatie van hun woning. Mijn ouders ondergingen de ellende lijdzaam, maar ik kon het ten langen leste niet meer aanzien. Mijn brief aan het woningbedrijf van 17 maart 2008 spreekt boekdelen. Hier komt-ie, enigszins bekort.
Hierbij breng ik onder uw aandacht dat mijn ouders – beiden over de tachtig en mijn moeder zwaar ziek – door de renovatie van hun keuken al langer dan een week zonder warm water zitten en dat zij al die tijd ook niet hebben kunnen koken. En dat het einde hiervan niet in zicht is doordat uitvoerders voortdurend afspraken niet nakomen en mijn ouders in het ongewisse laten. Ik verzoek u om vandaag nog in actie te komen, zodat aan deze beschamende toestand een einde komt.
Het gaat om het echtpaar dat u een half jaar geleden een bloemetje en een cheque voor een maand gratis wonen bent gaan aanbieden omdat het al meer dan vijftig jaar in een woning van Wonen Heuvelsteden woonde. Vlak tevoren was hun een woning­renovatie aangeboden, zodat zij in hun oude, vertrouwde omge­ving konden blijven wonen. Bij die gelegenheid heeft u een foto van beide echtelieden, mijn ouders, gemaakt. U heeft die foto zelfs gepubliceerd.
Welnu, tot een renovatie van de badkamer is het inderdaad snel gekomen, waarop de gemeente Kerkrade instemde met de aanleg van een traplift en daar ook toe overging. Nadat de bad­kamer gerenoveerd was, zou er een nieuwe keuken komen en zou er centrale verwarming worden aangelegd. Het idee was afkoms­tig van uw woningbedrijf; mijn ouders hebben er na enige aarze­ling mee ingestemd.
De centrale verwarming werd eind vorig jaar aangelegd.... op de verwarmingsketel na. Die laatste zou pas kunnen worden geïnstalleerd bij de renovatie van de keuken, die was voorzien voor december 2007.
Toen ging het mis. De uitvoerder liet weten dat de keuken-renovatie hem ongelegen kwam. Mijn ouders wilden niet lastig zijn en stemden ermee in, dat de renovatie na de feestdagen zou plaatsvinden. Het werd uiteindelijk....maart.
Vorige week maandag, 10 maart, kwamen werklieden om het aanrecht, de keukenkastjes, het gasfornuis en de geiser weg te halen, de schoorsteen weg te breken en de wandtegels te ver­wijderen. De rest van de week hebben mijn bejaarde ouders vooral vergeefs zitten wachten op werklieden. Iedere dag weer opnieuw wachtten zij vanaf 's morgens acht uur op iemand die zou komen, maar meestal niet kwam of maar een paar uur kwam.
Vandaag – zo was hun toch echt beloofd, maar ditmaal echt heel echt – dat er 's morgens een tegelzetter zou komen. Morgen konden dan het keukenblok en de verwarmingsketel worden geïn­stalleerd. De tegelzetter kwam niet opdagen. Er verscheen wel een opzichter, die beloofde dat er in ieder geval 's middags iemand zou komen. Ook die persoon verscheen niet; mijn ouders werden opnieuw niet op de hoogte gesteld, zodat zij voor de zoveelste keer vergeefs zaten te wachten.
Mijn ouders moeten zich sinds ruim een week wassen met water uit een waterkoker. Er is geen duidelijkheid over hoe lang dit nog zo gaat duren. Zitten zij met de Pasen nog in die toestand, zodat zij zich dan al twee weken niet behoorlijk hebben kunnen wassen? Het gaat om trouwe huurders, die altijd hun verplich­tingen zijn nagekomen en die zich altijd bescheiden hebben opgesteld. Dit kunt u toch niet toelaten!?


Is dit werkelijk alles!?

Tijdens de woning-renovatie toonde ma zich van haar sterke kant: zij klaagde weinig, terwijl zij er toch heel veel hinder van ondervond. Ook tijdens Haşims eerste bezoek aan Nederland (maart/juni 2010) beleefden wij samen met ma menig fijn moment. Wij kwamen wekelijks in Eygelshoven en logeerden er meermaals. Van het mooie portret dat ik in mei van ma maakte, vreesde ik evenwel dat het het laatste zou zijn.
De mooie momenten waren immers schaars aan het worden. De laatste jaren zagen wij een ma die wegzonk in gesuf en gedommel. Opvallend was ook de ma die pa in het rond comman­deerde. Die hem letterlijk geen vijf minuten rust gunde. Die het normaal vond dat haar man niet eens meer in de tuin kon komen – om van de sportschool maar te zwijgen. Die hem vertelde wat hij moest koken. Die, als het eten klaar was, zei dat ze niet hoefde te eten. Die dan, als we zaten te eten, vroeg of zij niets kreeg. Ze wilde dan iets dat moest worden klaargemaakt, zodat pa's eten koud werd. Die van pa beweerde dat hij vreemd ging of dat iemand een oogje op hem had, zodat ik vrienden moest vragen om pa en ma alsjeblieft niet meer te bezoeken.





En die ons op de koop toe sarde. “Ik wil dit jaar geen kerstboom”, zei ma een maand vóór haar overlijden. Het ging haar helemaal niet om die kerstboom: ze zocht tegenspraak, misschien wel omdat zij daar aan gewend was en het haar een vertrouwd gevoel gaf. Ik heb het een keer uitgeprobeerd door niet te reageren op een provocatie van ma. “Heb je niet gehoord wat ik zei?”, informeerde ze. Ze leek teleurgesteld toen ik zei dat ik haar had gehoord, maar daar verder niet op inging. Pa bedelde ma eindeloos of zij niet toch een beetje wilde eten. Ze vond het niet fijn, als ik zei dat ze “nee” had gezegd en dat zij oud genoeg was om voor zichzelf te beslissen.
Ik kom nooit ergens”, luidde een gevleugelde uitspraak van ma. Het kostte een eeuwigheid om een rolstoel zelfs maar in huis te krijgen. Toen hij er eenmaal was, wilde ma er niet in, wantde mensen denken dadelijk nog dat ik kreupel ben” en “ik kan een oude man toch geen rolstoel laten duwen!” Als ik zei dat ík die rolstoel wilde duwen, of dat die rolstoel op een accu liep, zei ze: “Ik hoef nergens te komen, ik ben tevreden.” Het gevolg was dat ook pa de deur nauwelijks meer uit kwam, want hij wilde ma niet alleen laten.
Ma maakte onbeperkt gebruik van pa's verantwoordelijk­heidsgevoel. Op een dag kreeg pa een telefoontje van zijn broer Ad: of hij en ma op de gouden bruiloft van tante Cor en hem aanwezig zouden zijn. Pa wist van niks. “Heb jij onze uitnodiging dan niet ontvangen?”, vroeg oom Ad. Ma bleek de uitnodiging te hebben verstopt: zij ging niet, want ze was daar te ziek voor; en ze kon niet alleen blijven. Resie bood aan om bij ma te komen zitten, zodat pa naar het feest kon. Ma wilde er niet van weten. Het is er ook niet van gekomen.

Het typeert de verhoudingen, en niet alleen in ma's laatste levensfase, al was het toen nóg extremer dan voorheen. In haar laatste jaren was ma nog minder dan voorheen bereid om iets van haar leven te maken. “Dit kan toch niet alles zijn!?”, heb ik mij menigmaal vertwijfeld afgevraagd. “Er moet voor ma toch meer uit het leven te halen zijn?” Ma kon het niet, of wilde niet. Het was een bittere conclusie, waarmee ik me slechts met de grootst mogelijke moeite kon verzoenen: al wordt ma honderd, van haar leven zal zij weinig meer maken!



Onverwacht slot

Het einde heeft mij desalniettemin verrast. Ik heb het wel en niet zien aankomen. Mijn verstand zag van alles, maar ik had mensen vele jaren lang zien aftakelen, tot er zo goed als niets van hen over was. Het had mij niet verbaasd, als ma negentig was geworden. Op het laatst durfde ik echter geen hele week meer weg te blijven. Ik reisde soms zes uur of meer om twee uur bij pa en ma te kunnen zijn en bleef er bij voorkeur slapen. Ik maakte bovendien foto's van ma's aftakeling, alsof ik mijzelf met de neus op de feiten wilde drukken. Tegelijkertijd wilde ik het niet zien, wilde ik in ieder geval niet dat het ten einde liep. Ik heb mij weleens afgevraagd of ma, als zij toch niet meer wilde, niet beter in 2007 had kunnen sterven. Diep in mijn hart wilde ik haar echter niet kwijt. Ik wil het nog steeds niet.
Op 18 augustus 2010 vierde ma haar 83ste verjaardag. De dag werd slechts ontsierd doordat ik pa en ma moest vertellen dat ik de 23ste dringend naar Turkije moest. – Ik had lang gewacht met die mededeling om al te lange en heftige scènes te voor­komen en om te voorkomen dat ma in bed bleef liggen. – Daags voor mijn vertrek overleed mevrouw Roverts, die jarenlang naast ons had gewoond. In Turkije vernam ik dat ma haar bed niet meer uit kwam. Ik hoefde me echter geen zorgen te maken en deed dat ook niet, want het was eerder vertoond. Ik was er zelfs een keer vervroegd voor uit Turkije teruggekeerd
Ditmaal stond ma na mijn terugkeer (op 3 september) niet op. Dat was ongewoon. Het werd nog ongewoner toen ma ook de komende weken niet uit bed kwam. Ma's bed verhuisde naar de woonkamer. Dat van pa volgde weldra, zodat hij ma dag en nacht kon blijven verzorgen. De bezoekende therapeut, die ma op gang moest zien te krijgen, kreeg steeds vaker nul op het rekest. Een dokter kwam er niet of nauwelijks aan te pas. Hulp van de thuiszorg werd mondjesmaat toegelaten om ma te helpen verzorgen.
Ma was te zwaar om te tillen en dreigde doorlig-plekjes te krijgen. Vanwege de thuiszorg kwamen een ziekenhuisbed-met-watermatras en een tillift in de woonkamer te staan. Ma verzette zich hier tegen. De matras verdween al gauw; de doorlig-plekjes lieten niet lang op zich wachten. De tillift deugde niet. Daarom kwam er een andere, waarna er weer een andere kwam, die evenmin werd gebruikt. Pa hielp ma, die zei dat zij niet eens meer kon staan, zonder tillift uit bed. Hij verschoof haar ook in bed zonder speciaal laken, want ma was ook van dat eenvoudige hulpmiddel niet gediend.

Wat mankeerde ma eigenlijk? We hebben dit niet uit de mond van een dokter, maar ik vermoed dat het een depressie is geweest. Ik heb er ook rekening mee gehouden, dat ma mij aan het chanteren was. Zij wilde niet dat ik nog naar Turkije ging en kan mij op die manier hebben willen tegenhouden. Ik weet het echter niet en kon mij ook niet laten weerhouden.
Ma houdt mij niet langer in gijzeling, ook niet via pa, noteerde ik op 23 september toen ik tijdens een slaapdienst 's avonds niet tot rust kon komen. Als ma niet aan haar herstel mee wil werken en alle hulp van buitenaf weigert, en pa laat dit toe, is dat hún probleem. (…) Ma heeft er alles aan gedaan, om haar gezondheid te ondermijnen en normaal functioneren onmogelijk te maken. Goede raad leverde alleen maar ruzies op. (…) Resie belde me vandaag op mijn werk. Ik moest maar naar Turkije gaan zonder pa en ma iets te vertellen, zei ze. Ik moest me vooral goed amuseren, want ma is ons voor de gek aan het houden, en niet voor het eerst. Resie zou wel wekelijks bij pa en ma langsgaan.
Op 5 oktober zat ik opnieuw in het vliegtuig. Tegen pa en ma had ik gezegd dat ik een week lang buitengewoon veel op mijn werk moest zijn, zodat ik niet bij hen op bezoek kon komen. Het werd een bliksembezoek, tijdens welk Haşim en ik het eerste inburgeringsexamen en de visumaanvraag ternauwer­nood voor mekaar konden krijgen. Ma belde ik om de andere dag op. En dan hoopte ik maar dat tijdens ons gesprek geen oproep tot gebed van de moskee zou komen, of dat iemand mij in het Turks zou aanspreken.

Pa had inmiddels besloten dat ma en hij niet op de oude voet verder konden: ze zouden proberen een in Eygelshoven nieuw te bouwen bejaarden- of aanleunwoning te bemachtigen. Daar was ook meer hulp in de buurt. Als ma zich echter tegen meer hulp zou blijven verzetten, kwamen zij niet voor zo'n woning in aanmer­king. Op 18 november hadden wij daarom een moei­zaam en pijnlijk gesprek met een maatschappelijk werker. Toen ik die dag huiswaarts keerde, nam ik afscheid van een ma die des duivels was en een pa die weer perspectief zag. Vier dagen later, een maandagochtend, werd ik aan het eind van een rusteloze slaap­dienst opgebeld door een medewerkster van een zorginstelling. Was de extra hulp nu al geregeld? Nee, pa was overleden!

Er volgden vier waanzinnige dagen waarin van alles voor de overleden pa en de zieke ma moest worden geregeld. Voor ma werd voor dezelfde dag nog een verpleegkliniek gezocht, was mij verteld. Vanuit de trein had ik echter laten weten dat ik zolang pa in huis was voor ma wilde zorgen. De eerste nacht moesten we het tegen de zin van ma zonder pa stellen: zijn lichaam zou in een uitvaartcentrum netjes worden opgemaakt en gekoeld, opdat het bij vrij hoge kamertemperatuur toonbaar bleef. De overige nachten rustten wij samen: pa en ma in de voorkamer, ik in de achter­kamer.
Aan de thuiszorg hadden wij weinig. Er werd soms aangebeld als ik ma net verzorgd had of als ma lag te slapen. Om iemand bij ma te laten waken, was een nieuwe indicatie vereist. Ik lag en zat dus uren te waken. Ma's ademhaling was soms zo onregelmatig, dat ik dacht dat zij ieder moment kon sterven. Als ma terminaal was, kon zij misschien naar een hospitium of kon ik tot na haar overlijden bij haar blijven. Ma wilde alles liever dan naar de Hamboskliniek, die op haar wachtte. En ik had haar nog wel een aantal weken willen verplegen. Telkens echter als er een dokter bij werd gehaald, veerde ma overeind, zodat er niks aan de hand leek. Omdat ik op een gegeven moment aan mezelf ging twijfelen, heb ik een verpleegkundige van de Hamboskliniek opgebeld. Zij had ma gezien. Beeldde ik mij in dat ma terminaal was? “Nee”, luidde het antwoord, “ik heb het schriftelijk gerapporteerd.
Ma's verpleging was slopend. Dat heb ik in korte tijd ervaren, terwijl ik toch 29 jaar jonger ben dan pa. In één nacht ben ik in tijd van twee uur vijf keer voor ma opgestaan. De eerste keer had zij zich­zelf en haar bed bevuild. Dat vond ik niet erg. Ik heb ma uit bed getild en op een po-stoel gezet, ik heb haar gewassen en in een schone nachtjapon geholpen, haar bed verschoond en haar in bed terug getild. Een half uur later heette het weer: “Jo, ik moet plassen.” Ma bleek niet te hoeven. Zoiets kan gebeuren. Een half uur later en weer een half uur later en weer een half uur later..... Toen heb ik gezegd: “Ma, dit moet je niet doen. Als jij echt moet plassen, help ik jou graag. Maar ik wil niet dat jij mij voor niets op laat staan, want ik wil hier niet naast pa komen te liggen!” Pa zou dit nooit hebben gezegd.
Ma wilde niet meer. Zij is algauw opgehouden met eten en drinken en medicijnen innemen. Ik heb niet bij haar aangedron­gen: ik had haar geen menswaardig bestaan meer te bieden. Als ik naar haar ademhaling luisterde, dacht ik: “Nu zorg ik nog voor je. Voor mij ben jij, behalve een lastig mens, ook mijn moeder. In de verpleegkliniek ben je straks alleen nog maar een lastige cliënt.” Ik vond het geen prettige gedachte, de zorg aan vreemden te moeten overgeven. Pa had het ook nooit gewild. En ma zei: “Ik ga niet naar de Hamboskliniek – ik ga dood!”Ma”, heb ik in een van haar laatste nachten tegen haar gezegd, “Resie en ik houden heel veel van je. Pa en jij hebben altijd goed voor ons gezorgd. We hebben het samen goed gehad. Maar als jij nu naar pa wilt, begrijpen wij dat. Wij dringen jou niets meer op: geen eten, geen drinken en ook geen medicijnen.”
Op vrijdag 26 november leek het einde nabij. Ma vroeg om haar moeder alsof die nog leefde en.....noem de clichés maar op. Ik kon het niet benoemen, maar het klopte niet – en het was misschien goed zo. Een beetje tegen mijn zin, belde ik in de namiddag een dokter. Die constateerde dat ma's bloeddruk, hartslag en zuurstofopname in het bloed perfect waren. Ik voelde me belazerd. Resie zag het aan mijn gezicht. Lag ma nu nog toneel te spelen? Ze vroeg om naar de wand te worden verlegd terwijl zij zich naar voren trok. Ze vroeg om naar het hoofdeind te worden verlegd terwijl zij naar het voeteneind kroop. Ik heb tegen ma gezegd dat ik haar zo niet kon helpen. Zij had tenslotte alle hulp­middelen laten verdwijnen.
's Avonds om zeven uur was er in de kerk een avondwake voor pa. Nu ma kennelijk toch niet zoveel mankeerde, liet ik buurtgenote mevrouw Wolak, die zich sinds maanden betrokken had getoond, met haar alleen. Na anderhalf uur kwamen wij thuis: Resie met haar man en zoon Mark, en mijn goede vrienden Alfons, Sander en John. Beide laatsten wilden ma condoleren en afscheid nemen van pa; Alfons zou tot na de begrafenis bij mij blijven. “Hoe moet dat nu morgen?”, vroeg Resie. “Als ma dat wil, gaat zij pa mee begraven”, antwoordde ik. We waren immers op alles voorbereid: er zou een soort van ambulance komen, ma kon liggend de uitvaartdienst bijwonen. Voor het geval zij niet kon, zou mevrouw Wolak bij haar blijven en kon ma naderhand de foto's bekijken. (Er was zelfs een fotograaf geregeld.) “Toch wil ik dat er een dokter bij komt”, hield Resie aan.
Louter om Resie gerust te stellen, belde ik de nightcare. “U hoeft zich niet te haasten”, zei ik. Terwijl ik het uitsprak, keek ik nog eens naar ma. “U moet zich wél haasten”, verbeterde ik me, “mijn moeder gaat dood!” Ik zag ma razendsnel heengaan. Ik rende naar haar bed, greep ma's handen en riep: “Ma, het spijt me, als ik jou onrecht heb gedaan! Het spijt me, als ik onheus ben geweest, als ik jou niet heb begrepen! Ma, wij houden van je!” Ma keek mij aan, maar ik weet niet of zij mij nog verstaan heeft. Ma gleed van ons weg, naar pa – de eeuwigheid in. We waren haar kwijt, de vrouw die vaak moeizaam door het leven was gegaan en die Resie en mij ons leven had geschonken.