vrijdag 6 januari 2012

Cobi Molenaar, onderwijzeres voor de vrede (1906-1994)






"Wat wilt u toch van mij horen?", vraagt Cobi Molenaar lich­telijk geïrriteerd. In haar sobere flatje, dat hoog uit­ziet over het militair hoofdkwartier van de NAVO, neem ik mijn eerste interview af. Ik heb er gelezen van de Italiaanse journaliste Oriana Fallaci, dus ik weet hoe het moet. Ik heb me grondig voorbereid, weet wat ik weten wil en vraag door. Cobi Molenaar brengt me met beide benen op de grond terug. Ik moet bij haar niet wezen voor diep­gaande analyses of originele ideeën. Nee, tegenover mij zit een een­voudige onder­wij­zeres die `het abc van de vrede' leert en in mijn geboortestreek een ongewoon leven achter de rug heeft. Hier volgt het artikel dat ik over haar schreef.1


Tot degenen die het langst de vredesgedachte uitdragen, hoort Cobi Molenaar. In 1906 geboren in Amsterdam, kwam deze har­telijke Brunssumse in 1929 naar Zuid-Limburg, waar ze tot 1966 les heeft gegeven aan een niet-godsdienstige lagere school. Als vreemde eend in de katholieke Limburgse bijt heeft ze haar leven lang op de bres gestaan voor geweldloosheid. Nog steeds is ze waarnemend secretaris van de Werkgroep voor de Vrede, een Nederlandse sectie van de War Resisters Inter­national2.

`De Werkgroep voor de Vrede wil allen verenigen die oorlog misdaad achten en zich voornemen geen enkele oorlog te steunen en te streven naar een op gerechtigheid gerichte orde.' `Een maatschappelijke orde, gericht op gerechtigheid, waarin oor­logen en andere vormen van georganiseerd geweld zijn uitge­sloten; een samenleving waarin de nadruk ligt op decentralisatie van politieke en economische macht, een samen­leving die noch kapitalistisch noch communistisch is.' - Dit zijn twee citaten uit uw brochure `Het ABC van de Vrede'. Hoe ziet een op gerechtigheid gerichte orde er in uw ogen uit? CM: "Dat is heel moeilijk. `Waar de gerechtigheid heerst' betekent dat het zeer democratisch is en we ook internationaal op elkaar ingesteld moeten zijn en niet volgevreten zitten ter­wijl men elders verrekt van de honger. Dat er een volkomen andere verdeling van goederen moet zijn en onze centen voor iets anders dan voor elkaars vernietiging gebruikt worden. Dat we anderen als mens proberen te benaderen en ophouden de Derde Wereld uit te buiten.
Dat is natuurlijk zeer ver weg, maar ik geloof wel dat wij moeten proberen een mentaliteit aan te kweken dat alle mensen gelijkwaardig zijn en recht hebben op een boterham. Bovendien: wat wij de Derde Wereld geven, komt vaak helemaal verkeerd terecht. Ook daar is een mentaliteits­verandering voor nodig. Het was fijn, dat er op 21 november3 in Amsterdam zoveel mensen demonstreerden, maar demonstreren is niet genoeg. Een demonstratie zie ik als begin. Als je wezenlijk geweldloos-weerbaar wilt zijn, moet je aan karak­tervorming doen. Je moet weten waar je staat en ook in tijden dat je alleen staat - al ben je dan nog zo klein - overeind blijven."

In 1947 vroeg een marechaussée-kapitein u hoe u aan zulke gekke ideeën kwam. U verwees hem naar het gebod `Gij zult niet doden'. Niet iedere christen trekt dezelfde conclusie uit dat gebod. Mag ik u de vraag daarom opnieuw stellen? CM: "Ik geloof dat God liefde is; Christus heeft ons dat gezegd. Ik geloof ook dat we er een potje van maken en er helemaal niet naar leven: we kunnen het niet, we zijn geen Christussen maar mensen. Toch moeten we proberen er een klein beetje ernst mee te maken.
Zelf ben ik van huis uit doopsgezind. Daar legt men sterke nadruk op `Uw ja zij ja, uw nee zij nee', dus dat je probeert om niet te liegen. Er is ook een doopsgezinde vredesgroep, die uitgaat van het standpunt `Gij zult geen wapens dragen'. Zoals overal, is daar natuurlijk verwatering bij, maar daar heb ik het eigenlijk van. Later ben ik bij de Quakers terechtgekomen, waar dat `Gij zult niet doden' ook heel sterk leeft. Maar er is nog meer waar ik erg voor ben. Dat is: `God leeft in iedere mens' en `Probeer een mens zo toe te spreken - onverschillig wat voor godsdienst hij heeft - als gelijkwaardig'."
Vegetarisme hoeft niet per se voor doopsgezinden, maar is voor Cobi Molenaar een consequentie van het `Gij zult niet doden'. CM: "Natuurlijk, er zijn volkeren die van dieren leven en die je dat niet kwalijk kunt nemen. Ik geloof ook wel dat als het erop aankomt het leven van een mens meer waard is dan dat van een dier. Aan slach­thuizen híér wil ik echter niet meewerken."

Een paar jaar lang is Cobi Molenaar lid van de Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden (NBAS), een geheelonthouders­beweging van jongens en meisjes tot 23 jaar die kameraadschap­pelij­ker met elkaar omgaan dan gebruikelijk is. In het weekend en de vakantie maken zij trektochten. Een zelfgebouwde jeugdherberg in het Gelderse Oldebroek getuigt ervan. In 1940 weigert de NBAS Joodse leden uit te stoten en wordt zij op­geheven. Haar Oldebroekse bondshuis wordt aan de Jeugdher­bergcentrale gegeven, maar nog steeds dient het één weekend per jaar als ontmoetingsplaats voor oud-NBAS'ers. In de NBAS worden over alle mogelijke onderwerpen lezingen gehouden. Een aantal leden vindt zijn weg naar de vredesbeweging.




Omdat Cobi Molenaar in haar woonplaats Amsterdam geen baan als onderwijzeres vindt, komt zij in 1929 naar Zuid-Limburg, waar net de moderne steenkoolmijnindustrie uit de grond ge­stampt is. Zij wordt er onderwijzeres op een nutsschool4, eerst in Treebeek, sinds 1933 in Brunssum.
CM: "Onze school was voor die tijd tamelijk vooruitstrevend. We maakten jaarlijks met de kinderen schoolreisjes, hielden ouderavonden en hadden handenarbeid en later ook samenzang. We hadden een heel goede verhouding tussen ouders en leerkrach­ten. Een tijdje hebben we in Heerlen met vijf leerkrach­ten samen in een soort van commune geleefd. Maar dat on­getrouwde juf­frouwen en meesters bij elkaar woonden, vond het bestuur niet erg netjes. De moeder van een van die leerkrach­ten is er toen als bliksemafleidster bij gekomen.
De ouders van de kinderen waren Drenthen en Friezen, die uit armoede naar de mijnen hier getrokken waren omdat ze daar geen mogelijkheid van bestaan hadden. Daar waren nogal wat mensen van de SDAP5 bij. Ik was niet zo erg politiek, dus ben ik voor de oorlog nooit bij een politieke partij aangesloten geweest. Ik voelde wel voor arbeidersontwikkeling. Daarom heb ik jaren­lang aan arbeiders avondschool gegeven: een beetje rekenen, Nederlandse taal en sociale kennis. Heel eenvoudig, maar zo dat ze gewoon een briefje konden schrijven als er iets met hun huis mis was.
Eigenlijk waren we zo'n stelletje bij elkaar: je was soms los van je katholieke omgeving - daar had je heel weinig mee te maken. We hadden dan ook geen katholieke kinderen op school. Je wist dat je heiden was en communist. Dat voelde je, de afstand was groot. Na de oorlog is het wat beter geworden. Ik ben trouwens nog altijd voor neutraal onderwijs: er is al verdeeldheid genoeg. Laat de kinderen samen spelen, laat ze weten dat de een naar de katholieke kerk gaat, de ander naar de protestantse en weer een ander naar de humanisten."

Als Cobi Molenaar naar het zuiden komt, bestaan hier al af­delingen van de NBAS, die grensbijeenkomsten or­ganiseren. In 1930 richten oud-leden een afdeling van de Jongeren Vredes-Aktie op. Deze is er voor mensen tot 35 jaar.
CM: "Je kwam helemaal niet in Limburgse milieus, wij hadden een afgesloten groep. Wij hebben later een Jongeren Vredes-Aktie gehad in Maastricht, maar hadden voor de oorlog geen katholieke leden: die gaan toch niet naar heidenen toe! Eén keer hebben we een Limburgse jongen en een Limburgs meisje als lid gehad. We waren maar met een paar eigenlijk: school­meesters van de protestantse en van de nutsscholen. In Maastricht werkten een paar leden op het Kadaster: mensen die anders dachten dan je behoorde te denken, werden naar Maastricht overgeplaatst omdat zij daar met hun gekke ideeën geen kwaad konden doen. Een landmeter of zo, iemand was com­munist en werd prompt naar Roermond overgeplaatst. Veel later is hij lid van de PvdA geworden, zat meteen in de gemeenteraad en werd meteen naar Utrecht overgeplaatst.
Toen wij hier kwamen, bestond al in Heerlen en Maastricht een Vredeskring. De grondslag daarvan weet ik niet. Het waren heel nette heren en dames. Wij jongeren kregen van de Vredeskring elke maand wat geld en van dat geld kochten we de Mobilisatie voor de Vrede, een maandelijks pamflet. Dat stop­ten we in de brievenbussen van sommige buurten, waarvan we dachten dat het er misschien een beetje weerklank vond. We hebben ook veel met brochures en zo langs de deuren geleurd. Dat deden we natuur­lijk in de Elfmorgenstraat en in Mezenbroek6, waar partij­genoten woonden, tenminste mensen uit de rooie hoek. Op andere plaatsen probeerden we het niet eens, want dat was toch hopeloos."
Wat deden de leden van de Jongeren Vredes-Aktie zoal? CM: "Die probeerden propaganda te maken voor dienstweigeren. Er is al in 1923 een dienstweigeringswet gekomen. Daarvóór ging je de bak in. De wet gold alleen als je religieuze bezwaren had. Pas veel later kon je ook humanistische gewetensbezwaren hebben. De landelijke Jongeren Vredes-Aktie was vrij klein, maar we hadden een voorzitter, Hein van Wijk7, een advocaat, die on­gelooflijk goed werk heeft gedaan op het gebied van wetten voor dienstweigeraars, hier en elders.
Nu wonen wij vlakbij de Duitse grens. Rond 1930 hadden de Vredeskringen contact met Aken en zo en was er in Maastricht een grote internationale vredesbijeenkomst. Daar zijn wij als Jongeren Vredes-Aktie heen gegaan en hebben er met Duitse Friedensfreunde aangepapt. Later is Luik daar bij gekomen. Dus dan gingen we zo eens in de twee maanden naar Luik, Aken, Mönchen Gladbach, Heerlen of Maastricht - overal hebben we grensbijeenkomsten gehouden. We gingen op het fietsje naar Aken, sliepen in een jeugdherberg, hadden een kostelijke avond - 's avonds hadden we een inleider of wat dan ook - en 's zondags gingen we meestal wandelen. Je danste en zong samen. Dat was reusachtig. Je had daar heel goeie vrienden.
Toen Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, leefde je mee. Na één week zat de voorzitter van de Akense Jungpazifis­ten al achter de tralies. In 1933 ook heb ik de eerste Duitse vluchteling in huis gehad. Tot 1940 zijn we daar nogal mee bezig geweest. Het waren maar eenlingen, die je helpen kon. Toch was je daar erg mee bezig. Het fascisme is een aanfluiting van de vrede: het is vóór geweld. Als jij dan op die heel kleine manier één mens van de dood kunt redden, klap je in je handjes."





In mei 1940 trekken Duitse troepen Nederland binnen. De eerste dag verbrandt Cobi Molenaar alle paperassen die adressen kunnen bevatten. In de oorlog houdt zij zich wat afzij­dig. Wel laat ze Joden bij zich in huis wonen: voor het leven van een medemens wil zij best dat van zich­zelf op het spel zetten. Deed de Duitse inval haar niet aan de juistheid van haar idealen twijfelen? Dacht ze niet: hadden we maar meer tanks!? CM: "Nee, geen ogenblik. Ik dacht: nou komt de moordpartij van twee kanten! Ik had ook te doen met die arme bliksems, die het front tegemoet gingen - dat zijn ook mensen. Ik haat het nazisme, maar ik heb altijd gezegd: ik ben deutsch-freundlich, maar nazi-feindlich! Die gewone man, die nazi's dan, zijn ook heel gewone mensen. Nou goed, met een beetje minder inzicht. Ze hebben misschien de mogelijkheid niet gehad en de een is een beetje laffer dan de ander. Er moeten andere wijzen gevon­den worden om tot overleg te komen: zogauw de wapens praten, praat alleen maar de haat, en dan wordt het alleen nog maar erger."
Cobi Molenaar is principieel. Ik schrik ervan als zij opmerkt dat als de politie haar had gevraagd of zij Joden verbor­gen hield, zij misschien `ja' had geantwoord. Ze is met pijn in het hart uit de Doopsgezinde Broederschap getreden omdat ze met schoolkinderen aan Koninginnedag had deelgenomen. Ze had zich daartegen verzet, maar zou haar baan hebben verloren als ze niet naar die festiviteit toe was gegaan. Door haar daad had zij gelogen, vond zij. Niemand anders had haar dat kwalijk genomen, ook niet binnen de broederschap - er waren nauwelijks sociale voorzieningen, je moest wel water bij de wijn doen om te overleven. Als Cobi Molenaar hier vele jaren later over vertelt, lijkt zij er nog steeds verdriet van te hebben. Nog steeds echter denkt zij dat zij niet anders had gekund dan de broederschap te verlaten.8 Tegenover wapen­geweld - zoals tij­dens de Tweede Wereldoorlog - plaatst zij geweldloze weer­baar­heid als het verbranden van bevolkingsregisters, het weigeren van medewerking aan de bezetter en het zich onthouden van gelijkgeschakelde lectuur.




Na de bevrijding blijkt de mensheid niet rijp te zijn voor de vrede. Wedijver tussen met name de beide overwinnende groot­machten, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, leidt tot de Koude Oorlog en een gigantische bewapeningswedloop. Frankrijk stuurt soldaten naar Indo-China, Nederland probeert Indonesië weer in het gareel te krijgen. De beide Duitslanden worden in het koude krijgsbedrijf betrokken. Onder deze omstandigheden wordt door, onder anderen, oud-leden van de Jongeren Vredes-Aktie de Algemene Nederlandse Vredes-Aktie (ANVA) opgericht. De ANVA is de Nederlandse sectie van de War Resisters Inter­national (WRI).
CM: "Er zijn over de hele wereld afdelingen van de WRI, die allemaal dezelfde grondslag hebben. Hier zijn we altijd heel klein geweest: het zijn maar kleine groepen geweest van zo'n stuk of tien, twintig leden voor heel Limburg. Wij hadden een paar onderwijzers en onder­wijzeressen, maar in elk geval zijn we weer enigszins actief geworden."
Limburgers-van-geboorte telt de ANVA hier niet. Met andere Limburgse vredesgroepen - als die er al in die tijd geweest zijn - hebben Cobi Molenaar en haar vrienden geen contact, wel met groepen in het buitenland (met name de Bondsrepubliek). Zo nietig als de ANVA in Limburg is, toch worden er van hogerhand maatregelen tegen haar genomen. Cobi Molenaar komt op de zwarte lijst van de Britten, zodat zij jarenlang zonder opgaaf van redenen geen visum voor het bezette Duitsland krijgt. Bisschop Lemmens noemt de ANVA een communistische man­telorga­nisatie en verbiedt haar voor katholieken. Een mijnin­genieur (die voor­zit­ter is van de Limburgse afdeling) en een paar beambten, die geen van allen katholiek zijn, worden voor de keuze gesteld: óf uit de ANVA óf uit hun baan!
Om het bisschoppelijk verbod te omzeilen, noemt de Limburgse ANVA zich sinds 1963 Werkgroep voor de Vrede, maar blijft ze bij de WRI aangesloten. Een pater kan nu voorzitter worden. CM: "Daar is de kerk toen verder niet overheen geweest, maar we waren ook veel te onbelangrijk."9 Voor de rest heeft Cobi Molenaar na de oorlog geen echte haat van de kant van Lim­burgers ontdekt. - Zij leeft dan wel erg geïso­leerd. - Aan de Hogeschool voor Theologie en Pastoraat te Heer­len is ze zelfs cursussen gaan volgen. Daar accepteert men dat iemand anders kan zijn en ontvangt men haar vriendelijk als zij met brochures verschijnt.10 De Limburgse pers neemt tegen­woordig berichten van de Werkgroep voor de Vrede op.

Terwijl nu vanaf 1978 nieuwe vredesbewegingen opkomen, gaan oude als Pax Christi, Kerk en Vrede en het Interkerkelijk Vredesberaad11 gewoon door, maar smelten de ANVA en de Werkgroep voor Ecologie, Pacifisme en Socialisme samen tot 't Kan Anders, een sectie van de WRI.
Hoezeer Cobi Molenaar de nieuwe ontwikkelingen ook toejuicht, ze raakt erdoor in een lastig parket. Zij vindt het een rijkdom om met jongeren te praten en denkt dat nieuwe ideeën en ervaring een waardevolle combinatie kunnen vormen. Desal­niettemin komen principes als dat men in geen geval mag proberen door middel van een smoes van (de voor jongemannen verplichte) militaire dienst af te komen met die van anderen in botsing. Hoewel Cobi Molenaar net als zoveel andere leden van vredesgroepen als vanzelf progressief georiënteerd is, raakt de politiek bij haar nog weleens op de achtergrond. Ook hierin herkent niet iedereen zich. Verder heeft Cobi Molenaar het gevoel dat Limburgers graag naar hun eigen navel staren en licht vergeten dat Limburg een stuk van Nederland, Nederland een stuk van Europa en Europa een stuk van de wereld is. "Als het ergens donderen is, dondert het overal een beetje!", verklaart Cobi Molenaar. Bij dit alles komt nog dat ook in de kleine Werkgroep voor de Vrede actieve leden op meer gebieden actief zijn.
Een en ander belet Cobi Molenaar om het secretariaat van de werkgroep over te dragen, hoewel ze dat graag zou willen: ze voelt er zich te oud en te moe voor, maar wil wel dolgraag als lid blijven meewerken. Kortom: nieuwe medewerk(st)ers worden door haar met open armen ontvangen.12 Intussen houdt Cobi Molenaar nog een enkele keer inleidingen voor vrouwengroepen, geeft de Werkgroep voor de Vrede voorlichting aan dienstweigeraars en worden er van tijd tot tijd allerlei onderwerpen behandeld. CM: "Dat is toch waardevol, geloof ik, al is het maar met een paar mensen. Dus ik zou dolgraag willen dat er een paar waren die nog heel gewoon dat oude standpunt van de War Resisters wilden aanvaarden en daar in het klein op voortborduren!"


JO SCHOORMANS


1     Interview: Brunssum 10 september 1982. Publikatie, in een wat andere vorm: Limburgse Vredeskrant (uitgave van het Commi­tee Afcentmars Brunssum, december 1982), Limburgs PSP-Nieuws, Eygelshoven 1ste jrg. nr. 7 (december 1982) en Op Zicht, bericht over verandering in Limburg, Roermond 5de jrg. nr. 2 (februari 1983).
2     Internationale beweging van mensen die weerstand bieden tegen oorlog
3     Die dag in 1981 had Nederland zijn grootste demonstratie tot dan toe beleefd. Er namen vierhonderdduizend mensen aan deel. Zij was gericht tegen de voorgenomen plaatsing van Amerikaanse kruisraketten in ons land.
4     school zonder godsdienst - voor het in overgrote meerder­heid rooms-katholieke Limburg van destijds on­gewoon
5     Sociaal-Democratische Arbeiders Partij in Nederland, voorloopster van de Partij van de Arbeid
6     resp. een straat en een wijk in Heerlen
7     Hein van Wijk werd in 1907 geboren te Amsterdam. In 1928 werd hij lid van de SDAP, in 1932 hielp hij de Onaf­hankelijk Socialistische Partij en in 1957 de Pacifistisch Socialis­tische Partij oprichten. Voor de PSP was hij acht jaar lang senator. Hij waarschuwde vóór de oorlog tegen het op­komend fascisme, belandde in de oorlog in een concentratiekamp en stond ná de oorlog dienstweigeraars en Indië-deser­teurs bij.
8     Deze alinea - vanaf Cobi Molenaar is principieel - heb ik niet eerder willen publiceren: ik vond ze te pijnlijk.
9     De tijd was ook veranderd, en er was een andere bisschop.
10     Studenten en docenten van die hogeschool liepen zelf mee voorop waar het ging om sociaal en kerkelijk engagement. Daarbij werd over menigerlei grens heen gekeken en gewerkt.
11     Pax Christi (Vrede van Christus), internationale rooms-katholieke vredesbeweging, in Nederland sinds 1948; Kerk en Vrede, onafhankelijk, sinds 1924; Interkerkelijk Vredesberaad, sinds 1966
12     Deze passage is - daar was ik mij toen reeds van bewust, maar ik wilde Cobi Molenaar niet kwetsen - ietwat te positief. Cobi Molenaar werd ouder en slechter ter been. Haar makkers-van-oudsher werden dat eveneens en vielen de een na de ander weg. Cobi Molenaar zag de overlevenden niet vaak meer - cor­respondeerde wel nog met enkelen van hen - en koesterde de nestwarmte van weleer. De eenzaamheid en het isolement hadden enigermate teniet kunnen worden gedaan door aansluiting bij de nieuwe generatie van vredesactivisten, die zich in groten getale aandienden. Cobi Molenaar, die verwatering van het hoge ideaal vreesde, had daar echter moeite mee, zoals zij waarschijnlijk ook moeite had met een veranderende wereld met minder isolement en nestwarmte.
"U bent dus nog niet zo ver!", reageerde ze toen ik geweld ter voorkoming van volkerenmoord rechtvaar­digde. Een geestver­want van haar betoogde voor een zaal dat een slang die niet werd aan­geval­len niemand aanviel. Hij vertelde er niet bij waarvan een slang leeft. Ook het gedach­tengoed van Cobi Molenaar her­bergde opmerkelijke simplismen. Het eeuwige voor­beeld was Mahatma Gandhi, wiens wereld vermoedelijk nauwelijks werd onderzocht. Een en ander wekte bij mij de indruk van dog­matisme, hetgeen geen reden was en is om Cobi Molenaar niet te waarderen om haar persoon­lijkheid en om haar uitdragen van het abc van de vrede. Dat andere vredesactivisten (onder wie ikzelf) en onze tegenstrevers zich eveneens schuldig maakten aan vereen­voudiging en leerstelligheid, stemt mij des te milder in mijn oordeel.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten