woensdag 4 januari 2012

Voorbij Pluto. Overpeinzingen over het boven- en ondermaanse








Aan de kant

Op een kwaaie dag hadden ze het tegen hem gezegd. "Piet", hadden ze gezegd, "kerel, jij moet eens wat meer aan jezelf gaan denken!" Piet had het onmiddellijk begrepen - hij was er zelfs bang voor geweest - al had hij nog even gedaan alsof het niet zo was. "Hoezo?", had hij gevraagd. "Ik voel mij prima. Ik werk nog iedere avond in de tuin en als het geen al te vies weer is, ga ik vissen. Laatst had ik nog zó'n kanjer aan de haak; hij mat bijkans een halve meter." Bij die woorden had Piet zijn armen uitgemeten, als om er zeker van te kunnen zijn dat hij zijn gehoor overtuigde. Dat had zich evenwel niet van de wijs laten brengen. "Piet", hadden ze gezegd, "luister. Jij wordt stilletjesaan een jaartje ouder. Hoe lang heb jij je nu al lopen uitsloven, zou jij niet eens..." Piet had het alle­maal in een waas gehoord: rechten, een goeie ouwe dag, gezel­lig thuis bij je vrouw, genieten van het leven en zo. Piet had het verdiend, hadden ze gezegd.
Piet had het over zich heen laten gaan. Wat had hij ook moeten doen? Piet wist het: er vielen ontslagen..., af­vloeiing en zo, weg... Was het dan niet redelijk dat Piet ging, zodat een jonge vent die voor een gezin met opgroeiende kinderen te zorgen had kon blijven!? Piet had toch lang genoeg gewerkt!? Piet wist het, maar Piet wou niet. Piet wou niet de godganse dag thuis bij zijn vrouw rondhangen: dat ging niet goed - dat wist-ie. En hij kon toch ook niet de hele dag in de tuin gaan werken, of van de morgen tot de avond zitten vissen. Dat was aardig voor een keer, maar om dat iedere dag te doen, daar was hij met zijn negenenvijftig jaar te jong voor.
Piet had willen schreeuwen: "Zijn jullie belazerd!? Mijn leven lang heb ik op deze plek gestaan om voor brood op de plank te zorgen. Toen jullie nog in je luier lagen te zeiken, beulde ik mij hier al voor een paar gulden af. Ik heb mijn werk altijd goed gedaan, ben nooit te beroerd geweest om voor een collega in te sprin­gen, en nou komen jullie mij vertellen dat ik...!?" Maar de stalen gezichten om hem heen hadden Piet de keel dicht gekne­pen. En Piet had gezwegen.
Nou zat hij hele dagen aan de waterkant naar zijn dobber te turen en verloor zich in het water.




Armendienst


Daar ik niet alleen kans- maar ook - en bovenal - straatarm dreig te worden, moet ik op zoek gaan naar een sponsor. Van­daag deed ik dat voor het eerst, daarbij geholpen door de Gemeentegids, door pagina 68 om precies te zijn.
"Het R.K. Armbestuur", zo las ik daar, "verleent wekelijks een éénmalige ondersteuning aan R.K. ingezetenen." Dat klinkt niet gek, dacht ik, wekelijks een eenmalige ondersteuning; wellicht valt daar voor mij een graantje van mee te pikken: ik ben ingezetene en - weliswaar afvallig maar toch - katholiek en zal binnenkort wel rammelen van de honger. Op maat geknipt voor die liefdadigheidsinstelling zogezegd. De verleiding was dus groot. Desondanks aarzelde ik, want wat kwam die naam R.K. Armbestuur mij toch bekend voor. Was dat niet die instelling waar opa vóór de oorlog de hand bij ophield en waar oma na zijn overlijden bij om bijstand ging? Opa - hij was lange tijd werkloos en had een groot gezin te onderhou­den - moest omwille van het genadebrood zijn sociaal-democra­tische vrien­den de deur wijzen; oma werd een trouw bezoekster van de kerk.
In gedachten zie ik mij, net als die arme sloebers toen, zo sjofel gekleed dat het nog maar net netjes is, aan een statig huis aanbellen. Een dienstmeisje in een witte schort doet open en terwijl ik mijn pet afneem zeg ik bedremmeld maar ferm genoeg zodat ze mij niet wegstuurt: juffrouw, neemt u mij niet kwalijk dat ik u stoor, maar ik ben een arme R.K. en zou graag de heer des huizes willen spreken als het kan. De juffrouw weet niet of dat kan, doet daarom de deur op een kier en verdwijnt: de heer des huizes vindt dat het kan. Even later bevind ik mij voor hem, in een bijvertrek van de grote salon, als een armzalige schlemiel. Mijnheer, stamel ik verlegen door de ongewone weelde om mij heen, als u mij niet kwalijk neemt, zou ik enzovoorts enzovoort. En mijnheer, in de wolken omdat nog eens een echte R.K. arme bij hem aanklopt zodat hij zich door het geven van aalmoezen een plekje in het hemelrijk en de achting van zijn medeburgers kan verwerven, neemt niet kwa­lijk. Integendeel, hij hoort vol medeleven, jazelfs met warme belangstelling toe. "Jij bent dus rooms-katholiek", zegt hij gespeeld-afstandelijk maar in werkelijkheid begerig-medemense­lijk. "Mag ik weten tot welke parochie jij behoort, hoe vaak jij naar de kerk gaat en, voor ik het vergeet: jij leest toch geen vunzige blaadjes of doet vieze dingen - je hoort tegen­woordig zoveel over samenwonende homofielen en zo - en ge­troost je moeite om aan werk te komen, bent echt heel arm, geeft je geld niet uit aan onnodige dingen - mogen wij een keer bij jou komen kijken - en draagt jouw droevig lot zoals dat een waarachtige R.K. arme betaamt: nederig, in volle overgave aan het kerkelijk en wereldlijk leergezag en in geduldige afwachting van het Rijk Gods, waarin jouw lijden en lijdzaamheid overvloedig zullen worden vergolden!?" Ik knik heftig instemmend. "Goed zo", klinkt het vaderlijk vriendelijk ter beloning, "dan zal ik jouw geval deze week nog in het Bestuur ter sprake brengen en zien wij elkaar zondag na de hoogmis achterin de kerk."
Bij deze woorden schrik ik uit mijn mijmering. Om de dooie duvel niet, besluit ik, de gang naar zo'n R.K. Armbestuur is vernederend, niet van deze tijd. Dan maar naar de Gemeen­telij­ke Sociale Dienst. Die prijkt eveneens op bladzijde 68 en is volgens bladzijde 38 geopend van 8.30 tot 12.00 uur. Het regent, maar dat deert niet; op mijn vooroorlogs vehikel rij ik ernaartoe. De juffrouw zit er aan een loket, in een fleuri­ge jurk, met daarvoor een lange rij wachtenden. Eindelijk ben ik aan de beurt. Mevrouw, zeg ik beleefd maar waardig, ik ben werkloos en wil een uitkering aanvragen. "Wat jammer nou", zegt ze en haar blik verraadt dat ze het meent, "daarvoor kunt u hier maar tot tien uur terecht." Maar de Gemeentegids dan...?, werp ik tegen. "Die is zeker verouderd", repliceert zij.
Buiten stortregent het, het is kwart over tien. Doorweekt kom ik thuis. Morgen probeer ik het maar opnieuw. Terwijl ik mijn kleren te drogen hang, trekt het pijnlijk door mij heen: armen hebben nu rechten, hun afhankelijkheid van een hogere macht is echter gebleven. En dat ervaren zij aan den lijve!




Valt er nog wat te lachen?


Wanneer had hij voor het laatst van harte gelachen? Het moest lang geleden zijn, Van Beusekom herinnerde het zich niet. Er viel ook zo weinig te lachen. Neem nou de krant van vandaag. Israëlisch leger schiet weer Palestijn dood, Tamil-Tijgers blazen bus op - 23 doden, stond er fijntjes bij -, Steeds meer minima onder bestaansminimum. Gewoon om misselijk van te worden. Dag-in, dag-uit hetzelfde liedje. En wie deed er iets tegen? Niemand! En als al iemand zijn mond opendeed, wat hielp dat dan? Niets! Nee, er viel niet veel te lachen.
Wie zwijgt schijnt toe te stemmen, zeiden de oude Romeinen. Van Beusekom stemde helemaal niet toe, maar je kon toch niet de hele dag lopen te protesteren. Als je het tegen het ene deed, moest je het ook tegen het andere doen. Van Beusekom had eens uitgerekend dat als je alleen al tegen de voorpagina van zijn ochtendblad demonstreerde, je een halve dag kwijt was. 's Middags kon je dan nog net langs de ambassades en ministeries van de helft van pagina drie. Het beste kon je dus bij de krant op de stoep gaan staan voor het onrecht van de volgende dag: dan pakte je het bij de bron aan. Onwillekeurig schoot Van Beusekom in de lach. Op een keer had hij de stoete schoe­nen aangetrokken. Hij had vlak buiten de stad een heuvel beklommen en had daar geroepen zo hard hij maar kon: "Godver­domme!" Daarmee had hij zichzelf overtroffen; hij had versteld gestaan van zichzelf. Weliswaar had geen mens het gehoord, maar het had hem wel opgelucht.
Nee, er viel niet veel te lachen. Je kon dan ook maar beter geen krant lezen. Van Beusekom lás dikwijls geen krant. Dat bespaarde hem een hoop narigheid, al bleef de wereld hem wel pijn doen en maakte zij hem soms doodsbenauwd.
Ooit waren de kranten met zijn alle over hem heen gevallen. Over hem, Willem van Beusekom, een nietig klein mannetje dat er toch alleen maar wou zíjn. Aanleiding vormde zijn levens­werk over de manipulatieve en antropo-filosofische aspecten van de westerse lach in de jaren 1945-1975. Van Beusekom had het allemaal haarfijn uitgeplozen: aspecten van de menselijke lach staan bloot aan manipulatie van buitenaf; de lach is bovendien gebed in de, ten dele door de samenleving bepaalde, antropo-filosofische existentie, een term die Van Beusekom overigens zelf had uitgevonden. "Zo", had hij in een stemming van euforie gedacht, "Willem Frederik Hendrik van Beusekom, een werkloze academicus uit een mijnwerkersdorp in Zuid-Lim­burg, gaat voor nationale opschudding zorgen. Vanaf heden zal niemand meer om hem heen kunnen!" Willem was naïef geweest - dat wist-ie. Willem, die niemand kende en die het liefst in een hoekje wegkroop en er toch alleen maar wou zíjn, had een groot man willen worden. Maar wie wás dat nou, Willem van Beusekom? Wie had daar ooit van gehoord of zou daar ooit van horen?
Van Beusekom wist het, hij had het zijn hele leven geweten. Toch had het hem pijnlijk getroffen. Aanvankelijk waren de reacties uitgebleven. Van Beusekom was al een beetje zenuwach­tig geworden, want daar had hij toch niet al dat werk voor gedaan. En hij was toch echt gepromoveerd op een door profes­soren goedgekeurd proefschrift aan de Universiteit van Amster­dam tot doctor in de sociale wetenschappen op een niet-alle­daags onderwerp. Er stond zoveel flauwekul in die dagbladen, was er nou geen serieuze journalist die...
Die was er. Of beter: die was er niet. Zijn eigen ochtendblad had Van Beusekom als eerste ontdekt, en wel voor een akelig stukje in de rubriek voor bij-de-koffie. De betreffende redac­teur had het proefschrift uiteraard niet gelezen, maar had er lang genoeg aan geroken om er schimpscheuten aan te kunnen ontlenen.
Zo waren de hyena's Van Beusekom op het spoor gekomen. Willem van Beusekom, een niemandalletje uit een onbetekenend Zuidlim­burgs gezin, had weldra voor korte tijd landelijke bekendheid genoten. Hij dacht er liever niet aan terug. "Humorloos", hadden ze hem genoemd. "Weinig systematisch", hadden intellec­tuelen geanalyseerd. "Ik mis in deze dissertatie persoonlijk engagement", had een bejaarde hippie georakeld. Het dreunde Van Beusekom nog na in de oren. Een regionale krant had maar liefst vijf kolommen plus een hoofdredactioneel commentaar aan het gebeuren gewijd. De passage waarin twijfel werd uitgespro­ken over Van Beusekoms rasecht Limburgerschap was daarvan nog de vriendelijkste geweest. Natuurlijk, het was allemaal gelo­gen, verdraaid, uit de duim gezogen geweest. Journalisten zijn lieden die voor geen fatsoenlijk beroep deugen. - Van Beusekom wist het maar al te goed. - Maar hun pulp valt wel dagelijks in veel brievenbussen. En wie las er nou zíjn dissertatie!?
Sindsdien had Van Beusekom een nog grotere huiver voor kranten aan de dag gelegd. "Kranten", dacht hij, "bah, ze zijn soms nog erger dan het nieuws dat ze brengen!" Bedachtzaam legde hij zijn ochtendkrant ter zijde. Viel er nog wat te lachen? Het was voor het eerst sinds lang, dat hij zich die vraag zo indringend stelde. Viel er nog wat te lachen? Van Beusekom trok een grimas. Hij wist het bij God niet.




OP PAD VOOR TANTE BET1

+ Toen braken de crisisjaren aan. Dat was voor ons een
moeilijke tijd. Vanwege de werkloosheid, begrijpt u.

- Ja, dat begrijp ik heel goed, mijnheer Jansen, dat u toen
een moeilijke tijd hebt doorgemaakt. Maar crisis en
werkloosheid zijn voor onze lezers toch wel een tikkeltje
aan de te moeilijke kant. En ze krijgen iedere dag al
zoveel narigheid op hun bord. Laten we het dus over een
luchtiger onderwerp hebben. Hoeveel kinderen hebt u?

+ Tien.

- Tien!?

+ Tien stuks ja: de pastoor kwam regelmatig bij ons langs...

- Neem mij niet kwalijk dat ik u onderbreek, maar de kerk ligt
bij een deel van onze lezers bijzonder gevoelig. Daarbij is
het is allemaal al zo lang geleden. Vind u het goed, dat ik
noteer dat uw kinderen allemaal goed terechtgekomen zijn?
Fijn, dan kunnen we verdergaan. Dat beeldje, dat u daar op
de kast hebt staan, waar komt dat eigenlijk vandaan?

+ Uit Afrika.

- Uit America zult u bedoelen.

+ Nee, ik bedoel uit Afrika.

- U bent onverbeterlijk! Afrika ligt buiten het verspreidings-
gebied van onze krant. Weet u zeker dat dat beeldje niet
tóch uit America komt? Dat zou voor mij reuze interessant
zijn.

+ Nee, mijnheer Schoormans, het komt uit Afrika. Verstáát u
mij!? Mijn broer was daar missionaris.

- Okay, mijnheer Jansen, dan komt dat beeldje maar uit
Afrika, als u dat zo nodig wilt. U hoeft u daar niet zo
over op te winden.
Dan had ik nog één laatste vraag voor u: zou u alstublieft
in die plant willen bijten?

+ Pardon?

- Of u in die plant wilt happen. Dan kan onze fotograaf daar
een kiekje van maken. Wij missen er namelijk nog een voor
onze Kroniek, begrijpt u.




PROOST JONGENS, OP DE KRANT!

De redactie verkeerde in rep en roer. Henk Veldwevel, aanvoer­der van de regionale ploeg, was nuchter en maakte geen aan­stalten om zich te verdrinken: hij toonde niet de minste neiging naar de fles te grijpen of zijn hoofd in een wolk van cynisme te steken. Linke soep dus, in een diergelijke toestand was Veldwevel in staat om onverbloemd de waarheid te zeggen. Dat was algemeen bekend, zodat de verwarring compleet was.
"Sjto djèlatj?", placht Wladimir Oeljanow, de Grote Sikkebaard van de Oktoberrevolutie, zich onder benarde omstan­digheden af te vragen, "wat te doen?" De oude garde, die Veldwevel als jong broekie zijn intrede had zien doen en hem vooral in het begin dikwerf de waarheid had horen verkondigen, achtte het onverantwoord de zaak op haar beloop te laten en een slijtersconsult nog langer uit te stellen. Zij had de nodige gelden ingezameld en een stagiaire erop uitgestuurd om die in drank om te zetten. De jongere redactieleden daarente­gen waren brandend benieuwd hoe de waarheid, waarover zij tot dan toe slechts besmuikt hadden horen smiespelen, bij monde van hun chef klonk. Goede raad is duur, het gezag der senioren ondermijnd, er ontspon zich een levendige discussie met als resultaat dat men zich dat met zijn chef even aan zou zien, maar hem wel nauwlettend in de gaten zou houden zodat er geen ongelukken gebeurden.

Terwijl hij bij zijn ondergeschikten over de tong ging, zat het gevaar voor de openbare orde in spe over zijn tekstverwer­ker heen te raaskallen. Nuchter was hij dromeriger dan nor­maal, zodat het een poosje duurde eer hij doorhad dat hij het brandpunt vormde van aller aandachtige opmerkzaamheid. Dra echter was dat besef ten volle tot hem doorgedrongen, of hij voelde zich in hoge mate vereerd.
Wat te doen? Een onnozele sterveling zou verstomd zijn of in zenuwgegiechel zijn uitgebarsten. Veldwevel echter kende de klassieken op zijn duimpje en wist wat hem te doen stond. Hij wist dat het erop aankwam op het juiste moment de juiste woorden uit te spreken. Terwijl het verzamelde werkvolk dus aan zijn lippen hing, stak hij van wal met een retorische vraag. "Kijk", vroeg hij terwijl hij naar zijn beeldscherm wees, "wat is dat?" "Schitterend", luidde het ogenblikkelijk antwoord van iemand wiens voorlopige arbeidsovereenkomst nog moest worden verlengd, "een beresterk verhaal!" De bard schud­de geprikkeld van nee. Een collega die hem in dienstjaren naar de kroon stak, voelde hem beter aan. "Henk", zei hij terwijl hij hem een schouderklopje gaf, "bedenk wel dat we d'r van leven! Als de lezer dat in zijn brievenbus wil hebben..."
Henk toonde zich ontroostbaar. "Kijk nou eens", klonk het klaaglijk nadat hij even aan zijn apparaat had zitten frunni­ken, "daar staat morgen míjn naam boven!" In groene letters prijkte op een grijs veld de nieuwste aflevering van zijn roemruchte columns. Doorgaans liep hij ermee te pronken als een hoogbejaarde met een erectie. "Ik kan reputaties maken en breken", oreerde hij als de moed hem weer eens in de schoenen was gezonken. Ditmaal stond zijn gezicht echter niet naar applaus. "Henk", hernam zijn collega, "nou moet jij eens goed luisteren..."
Luisteren - dat woord stak Veldwevel als een wesp. "Ik wil helemaal niet luisteren", schreeuwde hij in afwijking van zijn klassieke modellen vuurrood. "Ik ben nu negenendertig jaar, ik was twintig toen ik hier begon. Ik heb hier de kracht van mijn leven verwerkt. En wat heb ik gedaan? Ik heb klote stukken zitten schrijven voor ezels die belazerd willen worden. Als je de berichten één dag liet liggen, als je er twee telefoontjes tegenaan wierp om ze te controleren, zou de helft ervan een storm in een glas water blijken te zijn en bleek van de rest de helft niet te kloppen!" "Henk", probeerde zijn collega nog eens, "dat kan wel waar zijn, maar op die manier vul je geen krant."
Henk bleek vooralsnog niet voor rede vatbaar. "Inderdaad", brieste hij, "zo krijg je de krant niet vol." En, smalend: "Toe maar jongens, schrijf er maar op los. Wat we vandaag schrijven, kunnen we morgen rectificeren; dan hebben we twee dagen werk. De krant is immers een commercieel bedrijf, niet­waar, heeft de hoofdredacteur dat niet zelf gezegd!? Wij zijn er niet om de wereld te verbeteren, heeft-ie gezegd; als de lezers het maar vreten en er maar genoeg adverteerders op de stoep staan!" "Henk, kerel, zonder lezers en adverteerders gaan wij over de kop!"
"En dan begin je in zo'n bedrijf, hè, jong en vol goede moed. Je bent idealist, wilt er wat van maken en weet van aanpakken. Dus onderdruk je je braakneigingen, want als je er eenmaal goed in zit zal het vanzelf beter worden, kun je de krant mee vorm geven. Je vreet het stof waar ze je doorheen laten krui­pen, opdat het allemaal sneller gaat. Je hebt tenslotte een gezin te onderhouden en een auto en een eigen huis. En voor je het weet..." "Henk!" "En dan nader je de veertig en blijkt dat je anderen voor je hebt leren kruipen en dat je je talenten al die tijd hebt vergooid aan...godvernondeju..., dat je je tijd hebt verbeuzeld aan een lintje hier en een dorpsvete daar..." "Maar Henk, jij hebt toch ook een eigen rubriek!" "Precies ja, om giftige pijlen af te schieten op lui die toch niets in de melk te brokkelen hebben en ezels in hun vooroordelen te stijven. Weet je hoe ik me hier voel? Als een zwarte die voor een blanke oud-ijzer door een poel vol krokodillen sjouwt!"

Daarmee had Veldwevel zijn climax bereikt, de hoogste waarheid was er na lange tijd weer eens uit. Uitgeput zeeg hij op zijn roddelorgel en kwam tot bedaren. En omdat men het er ras weer met elkaar over eens was dat de wereld toch niet te verbeteren viel en de stagiaire zich gewetensvol van zijn taak gekweten had, werd de voorstelling met een goed glas beklonken. Proost, jongens, op de krant!




De republiek uitgeroepen

Uit het dagboek van een dromer
(zeer vrij naar Nicolaj Gogol).2

Maastricht, 19 maart 1985.

Vanmorgen is het er dan eindelijk van gekomen. Ik heb het bordes van het oude stadhuis beklommen en heb daar de repu­bliek uitgeroepen.
"Beste mensen", sprak ik de verzamelde menigte toe, "beste mensen, met enige medewerking van uw kant spreekt hier uw eerste president. Al te lang zijn wij gebukt gegaan onder het juk van de neurarchie: van de heerschappij van het onverstand. Omdat de familie Oranje in de strijd tegen de koning van Spanje naar voren wist te dringen, omdat haar vadsige nakome­lingen erin geslaagd zijn in het daarop volgende gekonkel haantje de voorste te blijven, is een van haar tot koning verheven en vreet een heel koningshuis jaarlijks voor ettelij­ke miljoenen uit de staatsruif. En wat doen zij daar voor? Ze knippen links en rechts een lint door, maken dure vliegreizen en vermeerderen zich als konijnen! Maar dat is nog niet alles: van tijd tot tijd intrigeren zij in het poli­tiek bedrijf en als ze de kans krijgen, bezorgen ze ons een autoritair bewind. Thans is echter het historisch moment aangebroken om een eind te maken aan deze toestand van onver­stand en het principe van de gelijkheid van alle burgers tot zijn recht te laten komen."
Ik had nog veel meer willen zeggen, maar bij deze woorden sloeg de reactie toe. Terwijl onder mijn voeten de marktkoop­lui begonnen te brullen en ik mij tegen hen verzette door het volk op hun fascistoïde houding attent te maken, grepen een paar dienders mij bij de arm en voerden me de trappen af. Verbouwereerd kwam ik thuis. Maar wij zullen ze hun lesje nog wel leren, want wij zijn met velen en de historische noodzaak valt niet te keren. Kameraden, wij zíjn toch met velen!? Daarom ben ik vanavond naar mijn bordes teruggekeerd, heb nogmaals de republiek uitgeroepen en eraan toegevoegd: "En er komen er nog steeds meer bij!"

Joseph Schoormans,
uw voorlopige president.




De lekkere filosoof


Behaaglijk rekte Mollie zich uit in de modder. "Ik word al aardig bruin", dacht hij terwijl hij zijn huid voelde tintelen in de lentezon, "misschien word ik wel net zo bruin als straks in een kruidig sausje bij Vrouwtje op het vuur." Tenminste bij leven en welzijn", peinsde hij verder; hij begon namelijk vet te worden en voelde zijn einde naderen. Had zijn vrouw­tje laatst niet tegen hem gezegd hoe lekker ie eruitzag en dat-ie vast nog beter ging smaken? Wat was hij trots ge­weest. In gedachten had hij zichzelf al bij de slachter gezien en bij zijn vrouwtje in een grote pan op de kachel en, nog wat later, bij de hele familie op tafel. "Kijk eens", had hij zichzelf verrukt horen uitroepen, "hier ben ik: een mals varken, in de kracht van zijn leven en heerlijk bruin gebakken!" "Dat wordt smullen!", dacht hij tevreden, waarbij het water hem zowat uit de mond droop.
Zo raakte Mollie hoe langer hoe meer in een filosofische stemming, want hij was een wijsgerig varken, dat geen zwaar vraagstuk schuwde. En terwijl hij zich nog eens verlekkerd door zijn poel wentelde, bespiegelde hij de kern van alle bestaan: het leven en de dood en de machts- en gezagsverhou­din­gen die daaraan ten grondslag liggen. Hij had die nog niet in alle diepte kunnen doorgronden. Duidelijk was echter dat zijn vrouwtje er een centrale rol in speelde. Dat had hem als biggetje al iedere dag de fles gegeven en zorgde er ook nu nog voor, dat hij niets te kort kwam. Nee, te klagen had hij nooit gehad: er waren altijd zon en regen en voer en modder in overvloed geweest, en als het echt koud was bracht zijn vrouw­tje hem naar de warme stal.
Dat gekke, lieve vrouwtje - Mollie dacht er met tederheid aan. "Mollige Mollie", noemde zij hem, "mijn lekker stuk." Soms aaide zij daarbij over zijn stompe snoet, terwijl híj zijn staart in de sierlijkste krul rolde. Een ander maal verwende zij hem met een rest van het sausje waarin zij een van zijn maatjes had gebraden. Dat was voor Mollie een waar feestmaal. Nee, het leven was lang zo gek nog niet: er werd voor je gezorgd en in ruil daarvoor hoefde je alleen maar flink vet te worden. Dat laatste ging helemaal vanzelf, als je maar lekker at en zo veel mogelijk van het leven genoot. Mollie had dan ook nooit begrepen waarom sommige van zijn soortgenoten liepen te zeulen over de slager en zo, en dat het allemaal heel gemeen was. Was het niet altijd zo geweest en was het niet goed zo? "Eerst zijn de mensen er voor de varkens", had Mollie reeds lang geleden geconcludeerd, "en daarna zijn de varkens er voor de mensen."
Alleen hoe het later zou zijn als hij er niet meer was, was Mollie een raadsel gebleven. Zou zijn vrouwtje dan nie­mand meer hebben om over de snoet te strelen en zo lekker mals te worden? Een ander varken zou vast niet zo zijn best doen als hij. En opgediend worden deed je maar één keer - dat had hij wel begrepen. Mollie werd er soms weemoedig van; het erf zonder hem was eigenlijk onvoorstelbaar. En waar zou hij zijn als hij er niet meer was, lang nadat hij van tafel was ge­ruimd? Voor de mensen waren er de hemel en de hel: daarover had hij zijn vrouwtje vaak genoeg horen vertellen. Maar waar gingen de varkens naartoe? Zijn medevarkens leken zich daar niet druk over te maken en hadden hem met grote ogen aangeke­ken toen hij daar op een keer over begonnen was. "Stomme varkens", had hij gedacht, "wat zijn jullie toch stom en lui!" Het vrouwtje daarentegen zou het wel weten, maar haar had hij daar nooit naar kunnen vragen en uit zichzelf had zij daar niet over gerept.
Mollie sloot vermoeid zijn ogen. Te veel nadenken hield hem van het vetworden af en was dus eigenlijk verkeerd. Net echter wou hij indutten, toen het antwoord hem in een flits helder voor de geest verscheen: ook naar de hemel en de hel natuur­lijk - daar gingen de var­kens naartoe; waar moesten de mensen daar anders van leven!? Mollie soesde voldaan in slaap. Zijn afscheid van de mens­heid zou niet voorgoed zijn.




Op de vlucht


Nijdig rukte Mia Terhulst de krulspelden uit haar haar. "Al­weer een grijs haar erbij", mopperde ze, "waar moet dat naar­toe!? Eer ik het weet, ben ik zo grijs als een duif. Zoals die vent van hierboven met zijn malle trainingspak en zijn eeuwige gehijg. Het is maar goed, dat ik geen kerel ben, anders werd ik ook nog kaal!" En terwijl zij een metadonnetje uit haar schortzak griste, besloot zij dat zij naar de kapper moest: voor een kleurspoeling.

Onderwijl stond haar bovenbuurman spiernaakt voor de spiegel te puffen, in beide handen een gewicht. Een, twee, in de maat, anders wordt de meester kwaad. Een, twee, in de maat... "Get­verderrie", dacht hij vol afgrijzen terwijl hij tussen twee kniebuigingen door in de spiegel blikte, "ik word grijs en vet." Een, twee, in de maat, anders wordt de meester... "En lelijk. Alleen een kind kan mij nog redden: dat houdt mij jong!"
"Moet je nou die ouwe kop eens zien", flitste het door hem heen terwijl hij zich opmaakte om naar de sauna te joggen, "die staat toch echt op míjn lijf en raak ik van mijn leven niet meer kwijt; het zal alleen maar erger worden. Tenzij, maar daar moet ik niet aan denken - dat is zo absurd, zo huiveringwekkend - tenzij ik hem natuurlijk écht kwijtraak. Maar dan ben ik álles kwijt: hoofd verloren, ál verloren!"
"Onder een trein bijvoorbeeld, of op het schavot", peins­de hij languit op de massagebank. En in gedachten zag Johan Vermot zich al knielen: voor het bloedig zwaard, zoals dat poëtisch heet, tot droefenis der braafste zielen.
Een, twee, in de maat... Nou ja, die brave zielen, be­dacht hij op weg naar de duikplank - wat viel die parmantige tred hem de laatste tijd trouwens zwaar; hij moest toch eens wat minder gaan drinken, en roken deed hij ook nog te veel - van die brave zielen moest je het hebben. Die hadden zich al ten tijde van Vondel verkneukeld om het bloed van veroordeel­den. Dier zwanezang van onschuld of berouw hadden zij bejubeld of ver­vloekt als toegangsprijs of voorspel van een voorstelling die de dagelijkse sleur doorbrak.
En terwijl Vermot door de duizelingwekkende hoogte van het fitness-centrum zwiepte, stelde hij zich voor hoe hij ten aanschouwe van een uitgelaten menigte manhaftig verantwoording aflegde aan meute en historie, waarbij hij zich overigens realiseerde de algemene feestvreugde daarmee hoogstens te verhogen. Als het meezat, zou zijn gehoor verrukt zijn. Het mes van de scherprechter zou echter onverbiddelijk verhinderen dat Vermots première een vervolg kreeg. Hij zou het hoofd presenteren met de gelukzalige maar teleurstellende gedachte de hoofdrol te hebben gespeeld in een geslaagde maar eenmalige uitvoering, die weldra vergeten zou zijn. Mislukking op het hoge podium daarentegen zou een deerlijke afgang voor hem betekenen en zou bovendien langer in het collectieve geheugen voortleven. Er viel dus weinig bij te winnen. En Vermot was toch al geen held als hij daarmee iets riskeerde. En hakblok­ken om je waardig geworden grijze hoofd op te leggen, waren sinds lang uit de mode. Zoals ook grijze haren niet meer in waren. Potdomme ja, die waren tegenwoordig niks meer waard. Welbeschouwd kon je beter geen kind nemen, want dat stopte jou vroeg of laat in een inrichting. Van God viel ook al niets te verwachten, want die bestond alleen als hersenspinsel van bangerikken en parasieten.
Vertwijfeld keek Vermot neer vanuit de hoogte, waar hij tot zijn niet geringe ergernis nog slechts de aandacht wist te trekken van vergrijzende troela's. Daar was hij toch zeker geen partij voor!? "Ik kan wel wat anders meekrijgen!", stelde hij met enige aarzeling vast terwijl hij op de zonnebank zijn gespierde body inspecteerde. "Ik heb een lijf dat er mag wezen en de potentie van een jonge stier - menige jongere zou er trots op zijn." Verkwikt en gebruind sprintte Vermot naar de trimbaan. Hij en zijn benedenbuurvrouw konden de vlucht nog wel een poosje aan.




In het schijnsel van de zwavelstokjes


Het schemerdonker van de kroeg borg geroezemoes van stemmen en uit de buik van de oude jukebox borrelde weemoed van weleer. Er was niet veel volk, het was vroeg op de avond. Een tergend trage avond - de wijzers kropen moeizaam om het afgebladderde cijferblad, zodat het een wonder leek dat het ooit 9 september 1988 had kunnen worden. Toch was het dat geworden. Er was dus een gisteren geweest en een eergisteren. En een groezelig verleden: de klok en het landbouwgerei aan de muren schreeuw­den dat de bezoekers tegemoet. Een boerenschuur was het hier vroeger geweest. Het hooi had fier opgetast gelegen, tot bruidssponde van menig pril paar.
Nu zat Lena hier hoog op haar kruk de blauw-grijze kringetjes na te staren die uit haar morellen-rode mond naar het gelige plafond dwarrelden. Kon zij maar de kringen om haar altoos vermoeide ogen uitblazen. Die ondernamen steeds hardnekkiger pogingen om door het pleisterwerk op haar gezicht heen te breken. Het kostte haar met haar achtenveertig lentes hoe langer hoe meer moeite ze onder een kunstig masker te verber­gen. Zij móést echter wel, vond zij, zij had nog zóveel te goed van haar jeugd. Of niet soms: was het daarvoor reeds te laat?
Onrustig verschoof Lena op haar kruk. Achtenveertig lentes al en zoveel strenge winters, verregende zomers en triestige herfsts. Waar bleef de tijd!? Hij ontglipte haar als water. Het water van een koude douche, dat haar zelden verkwikte, maar dat zij wel `fijn' moest noemen om geen spelbreekster te heten. Lena gruwde ervan. Begerig zoog zij aan haar sigaret. In het licht van haar zwavelstokje zag het meisje een gezelli­ge woonkamer. Mensen zaten er vrolijk rond een tafel met daarop een heer­lijke gebra­den gans. Maar toen die het meisje ontwaar­de, smaalde zij: jíj krijgt lekker geen hapje van mij! Daarop ging het zwavelstokje uit. Het meisje voelde de kou nu heviger dan voorheen. Lena hing haar vest om haar schouders. Sinds zij zich ervan bewust was dat zij anders was dan de anderen, voelde zij zich als het meisje-met-de-zwavelstokjes: immer in de kou, en met de ver­rukkelijkste dingen om zich heen, die zij als enige niet aan mocht raken. Gehuld in een jongenslijf, had zij zich een vreemdelinge gevoeld in haar eigen huid, een zonderling die zich bij voor­keur in een ge­leend jurkje vertoond had.
"Wat is er met je aan de hand, Leentje, heb je liefdes­ver­driet?" Heel even drong het café door tot Lena's wereldje. Lena schudde haar krullebol. Wat was er in haar familie gela­chen toen Lena op een dag verteld had dat zij met haar boezem-vriendje wilde trouwen en dat zij samen kinderen zouden krij­gen. Het lachen was een ieder vergaan toen het Lena ernst bleek te zijn. Maar dat was pas vele jaren later geweest. Nu doofde in ieder geval haar vrouwengestalte niet langer met de gloed van haar dromen.
Lena stak opnieuw een sigaret op. Met de jaren was zij verder van het geroezemoes om haar heen verwijderd geraakt. Zij had zich teruggetrokken op haar trotse Olympus, waar weinig pijlen haar meer troffen. Weinig giftige, maar ook hoe langer hoe minder die van Amor. Want wie wou er nou zo'n ouwe tante, dacht zij, en dan nog wel zo'n rare!? Zij hoorde de gans vrolijk gakken: jíj krijgt mij lekker niet!
Liefde. Men had haar vies of getikt gevonden, want ongewoon. Er konden ook geen kinderen van komen, hadden zij gezegd, dus kon het niet natuurlijk zijn. "Natuurlijk", schamperde Lena in stilte. "Groeien jullie voorbehoedsmiddelen soms aan de bo­men!? Als jullie zo nodig `natuurlijk' willen doen, waarom lopen jullie dan niet naakt rond en bespringen elkaar zo vaak je maar kan!?" Wat was `natuurlijk' anders als `gemiddeld'? Als man kon je niet echt van een andere man houden, hadden ze gezegd; een penis maakte je tot man en met de natuur mocht je niet knoeien: daar kwam maar rotzooi van. Lena wist wel beter: als zij van een man hield, híéld zij van hem; dan kon zij voor hem door de hel gaan, jaren achtereen. En dat zou dan niet serieus zijn!? En wat die mooie natuur betrof: die had zich in haar geval toch maar jammerlijk vergist!
"Rotzooi!", zuchtte Lena. Haar innigste gevoelens, het mooiste wat zij te bieden had, hadden ze verachtelijk van de hand gewezen. Daarom zat zij nu in deze bedompte kroeg, waar de meesten haar meden als een aids-lijder en waar zij zat te wachten op de man die, als hij eindelijk zou komen, haar bijna zeker af zou wijzen.
Bijna zeker. Blauw van de kou stak het meisje haar laatste zwavelstokje aan. In de gloed verscheen ditmaal haar grootmoe­der, om wier dood zij een zee van tranen had gehuild. Wat zag zij er lief uit, in haar blauwe japon. Kind, riep ze uit terwijl ze haar armen naar haar uitstrekte, kom maar gauw naar mij toe! Vol verlangen strekte Lena haar handen naar de man die zij in haar jeugd het vurigst had bemind en die haar nooit had afgewezen. Op een keer had zij naast hem gelegen. De hele nacht door had zij klaarwakker van hem gedroomd, hem in ge­dachten teder omhelsd. Maar toen de ochtendschemering zijn heerlijke leden aan haar gretige ogen onthuld had, was zij weggeslopen uit angst zijn vriendschap te verspelen. Inmiddels was hij getrouwd. Het lelijke eendje was te laat in een zwaan veranderd.
Lena drukte haar peuk uit en bestelde een glas wijn. Het café begon al aardig vol te lopen.




De ontmoeting


"Verhip", dacht Jacoba Jacobs, die jonge man had toch echt naar haar gekeken. Wis en waarachtig ja, dat had hij gedaan. Kijk, daar deed-ie het weer. En het was beslist geen lelij­kerd. Nee, dat was-ie zeker niet. En lekker heupwiegen dat-ie deed, tjonge tjonge, en met geen spoortje over­drijving. Kijk, nu haalde-ie zijn poederdoos tevoorschijn. Prachtig zeg, wat een charme. En keek-ie nou niet... Jazeker, dat deed-ie: hij keek stiekem in zijn spiegeltje of zij nog aan d'r raam zat. Jacoba zwol van trots. Als dat de andere meiden eens zagen: die zouden opkijken. En stik-jaloers zouden ze zijn. "Dat doet een mens goed", mompelde Jacoba verlek­kerd. "En dat nog wel op míjn leeftijd!"
Nee, Jacoba was beslist niet afkerig van een groen blaadje - dat ging er bij haar nog grif in. Vooral als het er een was in de gedaante van een echte kerel: een tikkeltje stoer, breed­schouderig en met een wuivende blonde kuif. Het liefst ook met lekker veel haar op zijn borstkast, waar je je als een prinses in kon vlijen en dat je met je hand kon doen golven als een korenveld. Nou en of, daar hield Jacoba wel van, daar kon je haar bij wijze van spreken midden in de nacht voor uit haar slaap halen. Maar het moest geen ongelikte beer zijn, geen uitgebroken hengst - daar was Jacoba niet van gediend. Een man van charme, dat moest het zijn, zoals het stuk dat daar... Verrekt, waar was-ie gebleven? Juist ja, bij de ingang, zoals Jacoba ras met haar toneelkijker ontdekte. Wat, bij de ingang van Huize Avondrood!? Die mannen bleven toch heerlijk onbere­kenbaar zeg, ze bleven je verrassen.
Maar dan was het wel de hoogste tijd om in actie te komen, want zoals Jacoba er bij zat, kon zij zich onmogelijk aan die manspersoon vertonen. Trouwens, als ze er niet op tijd bij was... Vrouwen onder mekaar, Jacoba kon er onderhand een boek over vol schrijven: afgunstig als de neten, vooral als er een kerel in het spel was. Neem Jacoba's buurvrouw: zij had al menige vent versleten en had al lang Jacoba's gast in de smiezen gekregen. Ongetwijfeld stond zij zich nu voor d'r spiegel op te tutten. "Laat me niet lachen", siste Jacoba, "zo'n ouwe tang en dan nog zulke kapsones! Belachelijk zeg, om je dood te gieren! Wat zeg ik: belachelijk? Onbeschaamd, dat is het woord. Onbeschaamd is het, dat ze zich tussen mij en mijn vriend probeert in te dringen! Maar denk maar niet dat het haar ditmaal lukt!"
Jacoba's stemming was vergald. Moeizaam maar vastberaden verhief zij zich uit haar zetel en greep naar haar stok. Daar zou zij wel eens een stokje voor gaan steken, Jacoba liet niet met zich sollen. Ruw beende zij naar de kamer van haar rivale. "Opzij jij!", bromde zij tegen het jongmens, dat inmiddels haar kamerdeur was genaderd, "ik ben op oorlogspad!"... Waarop zij een oud-vertrouwde stem verbaasd hoorde bassen: "Oma, kent u mij niet meer?" Jacoba blikte de jongeman aan. Wat was hij groot geworden!




LIEZA

Men noemde haar Lieza en ze had vlooien. Haar hond, een onoog­lijk keesje, had er ook en daar had zij ze waarschijnlijk van. Ze had hem gekregen toen haar oude keffertje het begeven had. Ik zie haar nog bij zich op de stoep staan. Ze had - alleen - boodschappen gedaan en stond te snikken boven haar stok: "Mijn hondje is dood. Ik had hem nog wel zo lang!"
Lieza was radeloos en ik, die pas zeventien was, was het ook. Kort tevoren was plotse­ling mijn oma gestorven. Van haar had ik zielsveel gehouden en nu zocht ik in ieder gezicht dat van haar en koes­terde de ouderdom als mijn oma.
Lieza had met haar huisgenoot haar enige echte kameraad verlo­ren. Hij was misschien de enige die haar niet goor of raar vond, de enige die haar nam zoals zij was. Hij was natuurlijk niet de enige met wie zij contact had. Een gezinsverzorgster, een wijkverpleeg­ster en een pastoor kwamen regelmatig haar woning, haar buitenkant en haar ziel helpen verzor­gen. En nog iets vaker gisten en visten haar buurtgenoten naar haar reilen en zeilen. Het koesteren van een hond is soms zo gek nog niet.
Maar die van haar was nu dood en Lieza noch ik hadden het geld voor een nieuwe. Toch was die er de volgende dag al. Het was afdankertje uit het asiel, dat Lieza trouw vergezelde tot de dag waarop...

Weet je, Lieza was eigenlijk een beetje vies. In haar woning zag het er onappetijtelijk uit. Daarbij begon Lieza af te takelen. Ze werd oud en verzorgde zich slecht en werd een beetje dement. Zeg nou zelf: het is toch het beste voor zo'n vrouw, als zij volledig verzor­gd wordt? En er waren genoeg tehuizen in de omgeving die daar prima geschikt voor waren. Zo werden Lieza en haar hondje op een dag opgehaald. Het hondje werd afge­maakt, Lieza sleet haar laatste jaren in een kliniek voor demente bejaarden.
Lieza werd voortaan regelmatig gewassen en verschoond en kreeg op tijd haar natje en haar droogje. Zij werd omringd door mensen die het beste met haar voorhadden. Ze ging er in ieder geval keuriger uitzien en had de buurt even kunnen doen ver­stommen van verbazing als die haar nog te zien had gekregen. Maar dat gebeurde niet meer. En toen enkele jaren na haar vertrek uit het straatbeeld de kerkklokken voor haar luidden, zullen weinig eerste ge­dach­ten naar haar uit zijn gegaan.

Waarom dit trieste verhaal? Ik weet zelf niet goed. Ik vertel het niet uit wrok. Ik kan me de afwe­rende houding van buurtge­noten tot op zekere hoogte voor­stel­len en neem graag aan dat de weinigen die zich om Lieza hebben bekommerd dat met liefde hebben gedaan. En toch...
Toch heb ik hier geen vrede mee. Ik ervaar het als beklemmend, dat een dorpsgemeenschap je alleen aan­vaardt als je aan be­paalde normen voldoet, althans de schijn weet op te houden dat je dat doet. Rond­uit griezelig vind ik de gedachte dat op een dag ook bij mij voor de deur een auto kan stoppen om mijn hondje naar de dierenarts en mij naar het verzorgingste­huis over te bren­gen. En dat men ook dan oprecht kan zeggen met ons tweetjes het beste voor te hebben!




NAAR HUIS TERUG

"Broeder", klonk het vertwijfeld uit een dorre keel, "ik woon hier, maar ze doen niet open: er is toch niets gebeurd!? Of horen ze mij niet?"
De verpleger slikte. Een schoolmeisje uit 1907 had in 1989 aangebeld aan een deur in wier opening zij een geliefde ge­stalte uit 1907 verwachtte. Gelukkig was er niemand uit 1989 thuis.
"Uw vader zal wel in de mijn zijn, uw moeder doet boodschappen en uw zusjes en broertjes zijn op school", probeerde hij. "Zullen wij straks terug­komen?"
Twee ogen keken hem verbijsterd aan, ongelovig. En hij, wat kon hij anders doen dan een breekbaar wezentje een arm reiken om haar terug te brengen naar de kliniek!? Naar huis terug anno nu...




Terug van weggeweest


Met regens van eeuwen waren zijn beenderen naar de zee ge­spoeld en op de akker waar men hem te rusten had gelegd, had hoog het graan van vele oogsten gerijpt. Na het graan waren er runderen verschenen, en schapen en geiten met jonge herders. Zij hadden het lied gezongen van de jeugd, die zich eeuwig vernieuwt. Maar de kudden hadden het land kaal gevreten, waardoor ook dat naar de zee was gespoeld en grazige gronden waren herschapen in een dorre woestenij. Ten slotte had de zee zich teruggetrokken, en met haar de laatste menselijke bewo­ners, zodat het oude stadje ten prooi was gevallen aan verval.
Nu was hij er terug. Hij wist het heel zeker: op deze keien, in deze nauwe straatjes hadden eertijds zijn voetstap­pen weerklonken. Aan deze waterput had hij gespeeld en gulzig zijn dorst gelest, samen met zijn kameraad­jes. Was het niet op deze plechtstatige trappen geweest, dat zij geklommen waren om de volwassenen te bespieden in hun heilige, nauw begrepen ernst? Thans schoten er struiken en bomen op tussen dakloze muren en werden eerbiedwaardige gebou­wen bevolkt door veel­kleurige vlinders, krekels en hagedissen. De goden hadden er nieuwe aanbidders gevonden. Een waar eens vrouwen zich hadden gehuld in welriekende wazen, waar kooplui luidkeels hun waren hadden aangeprezen uit verre, vreemde landen, gonsde thans een keur van insecten in bonte plantegeu­ren.
Slaaf of meester, hier had hij geleefd. Hier had hij bevolen of gehoorzaamd. Hier had hij bemind vele malen, wás hij be­mind, had hij gehaat. Hier had hij zware lasten gesjouwd of - wie kon het zeggen? - als rechter gezeteld. Uit deze molen, uit deze winkeltjes was zijn meel, waren zijn spijzen gekomen. Hier, in de schaduw van een boom of in de geborgenheid van de thermen hadden zijn leden verkwikking gevonden. En toen zijn tijd gekomen was, had men hem hier vlakbij ter ruste gelegd. Ge­kruisigde of rechter, meester of knecht, gelukkig of onge­lukkig, wat deed het er nog toe: de regen had beenderen en as weggespoeld en opschriften uitgewist.
Hij voelde een vage onrust. Waar waren ze gebleven, zijn gezellen van toen, wat was van hen geworden? Waarom herinnerde hij zich geen gezichten of namen en vond hij het huis niet waarin hij zo lang moest hebben gewoond? Herrezen uit de maalstroom der getijden, herkende hij de rest immers toch!? Weemoedig waarden zijn ogen over de heuvels rondom. Zijn stad was er nog maar half uit opgestaan.




TWAALF JAAR LATER


De winter maakt plaats voor de zomer,
de dood voor het leven.
Op lichtende luchten van blauw en wit
vaar ik mee naar onein­dige verten;
mijn vriend, peins ik stil - want hij
wenkt mij van verre -,
waar ging jij eens heen, waarheen voert
ons de dood?



1     18 April 1986. Die dag liet de hoofdredac­teur van het Dagblad voor Noord-Limburg, waar ik sinds kort als regionaal-verslaggever voor werkte, mij weten dat ik beter naar een andere baan om kon zien aangezien de lezers te dom voor mij waren. Ik dreigde de baan van mijn dromen kwijt te raken. Waarschijnlijk nog dezelfde avond schreef ik dit stukje in een poging de wanhoop meester te worden. Om met name mijn directe chef van het gevoel te beroven dat ik diep was ge­raakt, liet ik het op de redactie van de krant circule­ren. Die krant heette in de volksmond tante Bet, de Kroniek was een van haar kletsru­brie­ken, America is een dorp in Noord-Limburg.
2     Dit stukje is speciaal geschreven voor mijn vrienden en vriendinnen in de Pacifistisch Socialistische Partij, waar­voor ik actief was. Het is versche­nen in het Limburgs PSP Nieuws.


Uit: Jo Schoormans, Voorbij Pluto. Overpeinzingen over het boven- en ondermaanse. Venlo 1989. ISBN 90-800303-1-7

Geen opmerkingen:

Een reactie posten